Openbaring 10:8-11
Hier hebben wij:
I. Een nauwkeurigen last, die aan den apostel gegeven werd, en wel:
1. Hij moet gaan en dat boeksken nemen uit de hand van den hiervoren genoemden sterken engel. Deze last werd gegeven niet door den engel zelven, die op de aarde stond, maar door dezelfde stem uit den hemel, die in het vierde vers hem verhinderd had op te schrijven hetgeen hij van de zeven donderslagen gehoord had.
2. Het boeksken op te eten, dit gedeelte van den last werd hem door den engel zelven gegeven. Hierdoor werd den apostel te kennen gegeven dat hij, alvorens over te gaan tot de mededeling van hetgeen hem geopenbaard was, de voorzeggingen door en door moest in zich opnemen en er zelf behoorlijk belang in stellen.
II. Een mededeling van den smaak en de uitwerking, welke dit kleine boek hebben zou, wanneer de apostel het opgegeten had. Eerst in zijn mond, zou het zoet zijn als honing. Alle mensen hebben er vermaak in om in de toekomst te zien en aanstaande gebeurtenissen zich te horen voorzeggen, en alle godvrezenden ontvangen gaarne het woord Gods, wat ook Zijn inhoud moge zijn. Maar wanneer dit profetisch boek meer nauwkeurig door den apostel gesmaakt zou zijn, dan zou hij bemerken dat de inhoud bitter was. Deze dingen waren zo ontzaglijk en vreeslijk, zulke drukkende vervolgingen van het volk Gods, zulk een ontvolking van de aarde, dat het vooruitzien en de voorwetenschap er van niet aangenaam, maar pijnlijk voor den geest des apostels zou zijn, evenals de profetie van Ezechiël het voor dien profeet was, Ezechiël 3:3.
III. Des apostels vervulling van den plicht, waartoe hij geroepen was, vers 10. En ik nam het boeksken uit de hand des engels, en at dat op, en hij bevond de uitwerking daarvan gelijk hem gezegd was.
1. Het betaamt den dienstknechten Gods in hun eigen zielen de boodschap op te nemen, die zij anderen in Zijn naam brengen moeten, en er zelf behoorlijk door aangedaan te zijn.
2. Het betaamt hun elke boodschap over te brengen, waarmee zij belast worden, om het even of die aangenaam is of niet voor de mensen. Hetgeen het minst aangenaam is, kan het nuttigst zijn, in elk geval mogen de boodschappers Gods geen enkel deel van Zijn raad achterwege houden.
IV. Den apostel wordt te kennen gegeven, dat dit boek der profetie, dat hij nu in zich opgenomen heeft, hem niet gegeven was om bloot zijne nieuwsgierigheid te voldoen, of om bij hem indruk van genoegen of van smart te verwekken, maar om door hem aan de wereld bekend gemaakt te worden. Zijn profetische zending schijnt hier vernieuwd te worden, en hem wordt bevolen zich voor een andere afvaardiging voor te bereiden, om deze openbaringen van de bedoeling en den wil Gods, die van het hoogste belang zijn voor de gehele wereld, en ook voor de hoogst-geplaatste en aanzienlijkste mensen, mede te delen, en dat moet gelezen en overgebracht worden in vele talen. Dat is inderdaad het geval. Wij hebben ze in onze taal, en zijn allen geroepen om ze nauwkeurig te aanvaarden, nederig naar haar bedoeling te onderzoeken, vast te geloven dat elk onderdeel op zijn eigen tijd zal vervuld worden, dat de bedoeling en de waarachtigheid er van zullen blijken, en dat de alwetendheid, macht en getrouwheid van den groten God verheerlijkt zullen worden.