Ezechiël 39:23-29
Dit is het besluit van al het voorgaande en heeft betrekking niet slechts op de voorspellingen aangaande Gog en Magog, maar op alle profetieën van dit boek betreffende de ballingschap van het huis Israëls en zijn herstel en terugkeer uit Babel.
I. God zal de heidenen doen weten wat de betekenis is van de rampspoed Zijns volks, en de dwaling herstellen dergenen, die uitdien rampspoed van Israël aanleiding namen om de God Israëls te verwijten, als ware Hij onmachtig hen te beschermen en ontrouw aan Zijn met hen gesloten verbond. Wanneer God, na hun boete en terugkeer tot Hem, hun gevangenis gewend en hen in hun eigen land teruggebracht had, en toen zij in die reformatie volhardden, zulke verlossing voor hen teweeggebracht als de zegepraal over de pogingen van Gog, dan zouden zelfs de heidenen gaan overdenken en verstaan, dat die dwaling geen grond had. Zij zouden begrijpen, dat Israël in ballingschap gezonden was. niet omdat God hen niet beschermen kon, maar omdat zij door hun zonde Zijn gunst hadden verbeurd en zichzelf van Zijn bescherming beroofd, vers 23, 24:De heidenen zullen weten, dat die van het huis Israëls gevankelijk zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, die zij van de heidenen, hun naburen, geleerd hadden, omdat zij tegen God overtreden hadden. Dat was de ware reden, waarom God zijn aangezicht voor hen verborgen en overgegeven had in de hand hunner wederpartijders. Het was naar hun onreinigheid en naar hun overtredingen. De duidelijke blijken van deze waarheid zouden niet alleen hun gedachten omtrent God tot zwijgen brengen, maar ook Zijn eer grotelijks bevorderen. Wanneer de ellende van Gods volk voorbij is en wij het einde ervan zien, zullen wij ze beter verstaan dan in het eerst. En het zal God zeer verheerlijken, als de wereld leert inzien,
1. Dat God, ook bij Zijn volk, de zonde straft, omdat Hij ze het meest haat in degenen, die Hem het naast en het dierbaarst zijn, Amos 3:2. Het is de ere van de gerechtigheid, onpartijdig te zijn.
2. Dat, wanneer God Zijn volk tot een prooi overgeeft, dat is om het te kastijden en te genezen, niet om de vijanden gunst te bewijzen, Jesaja 10:7, 43:26. Laat deze zich dus niet verheffen.
3. Dat Gods volk zich niet zodra onder de roede vernedert, of Hij keert in barmhartigheid tot hen weer.
II. God zal Zijn eigen volk te verstaan geven welke grote gunsten Hij nog voor hen bewaart, ondanks de rampen, die Hij over hen heeft gebracht, vers 25, 26. Nu zal Ik Jakobs gevangenen weerbrengen.
1. Waarom nu? God zal Zich ontfermen over het gehele huis Israëls,
a. Omdat het tijd is, dat Hij zijn eigen eer handhaaft, die lijdt met hun lijden: Ik zal ijveren over Mijn heilige naam, dat die niet langer gesmaad wordt.
b. Omdat zij nu berouw hebben over hun zonden: Zij hebben hun schande gedragen en alle hun overtreding. Wanneer zondaars berouw hebben en zich schamen wordt God verzoend en eert hen weer. Het is Gods bijzonder welgevallig, wanneer deze boetvaardiger hun overtredingen zullen overdenken en beschaamd zijn over hun misdaden, waaraan zij zich schuldig gemaakt hebben, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte. De herdenking van de genade, die zij in hun eigen land genoten, en de goddelijke bescherming, waaronder wij verkeerd hadden, zal in te schriller licht de zonde plaatsen, die zij in dat land hadden begaan, zij woonden veilig en konden zo voortgeleefd hebben, en niemand zou hen verontrust of verstoord hebben, indien zij maar in de weg van gehoorzaamheid volhard hadden. Ja, daarom overtraden zij, omdat zij zeker woonden. Uitwendige veiligheid is vaak oorzaak voor inwendige zekerheid, en daaruit komt allerlei zonde voort, Psalm 73. Nu dragen zij gewillig de schande daarover, en erkennen, dat God hen terecht in dat land van de gevangenschap had gebracht, waar iedereen hun vrees aanjoeg, omdat zij hadden overtreden in het land des vredes, waar niemand hen verschrikte. En wanneer zij zich dus vernederen onder Gods vernederende hand, voert Hij ze uit hun ballingschap terug, en,
2. Wat dan? Wanneer God ze uit des vijands hand vergaderd en weer thuisgebracht heeft, dan
A. Wil God daarvoor geprezen worden: Ik zal aan hen geheiligd zijn voor de ogen van vele heidenen, vers 27. Gelijk God gesmaad werd in de smaadheid, die zij in hun ballingschap leden, zo wordt Hij verheerlijkt in hun herstel en hernieuwd geluk.
B. Dan zullen zij daarvan het voordeel hebben, vers 28 :Dan zullen zij weten, dat Ik, de Here, ulieder God ben. Zie, de leidingen Gods met Zijn volk, die hun heil bedoelen, gaan gepaard met de genade Gods, om hun te leren, God als de Here en hun God in alles te erkennen en dan door die leidingen hun goed. Zij zullen op Hem zien als de Here hun God.
a. In al hun rampspoed. Hij was het, die ze gevankelijk had doen wegvoeren onder de heidenen, en daarom moesten ze zich niet slechts aan Zijn wil onderwerpen, maar zich door de kastijding ook laten oefenen, Hebreeën 12:11.
b. In hun troost, dat Hij het is, die ze weer in hun land verzameld en geen van hen onder de heidenen overgelaten had. Zie, als wij in alles op God zien, dan begrijpen we ook beter Gods verschillende bedoelingen in de verschillende gebeurtenissen, die ons wedervaren.
C. Dan zal God nimmer van ons scheiden vers 29..
a. God zal Zijn Geest over het huis Israëls uitgieten, om nieuwe afdwalingen en nieuwe terugkeer tot dwaasheid te voorkomen, om ze dicht bij hun plicht te houden. En dan
b. Zal Hij Zijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, zal Zijn gunst nimmermeer afwenden zoals Hij gedaan had. Nooit zal Hij meer ophouden, hun goed te doen, en daartoe zal Hij voorziening treffen, dat zij van Zijn dienst niet verder afdwalen. Zie, de inwoning des Geestes is een onfeilbaar onderpand van de blijvende goddelijke gunst. Hij zal Zijn aangezicht niet meer verbergen van degenen, op wie Hij Zijn Geest heeft uitgegoten. Wanneer wij dus bidden en ernstig bidden, dat "Hij ons niet meer van Zijn aangezicht verwerpt, dan doen wij dat, opdat Hij Zijn Heiligen Geest nimmermeer van ons neme."