Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 38
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
WIJDERS geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2
Mensenkind,
1
zet uw aangezicht tegen
a
2
Gog,
3
het land van Magog, den
4
hoofdvorst van
5
Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem,
3
En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik
6
wil
aan u, o Gog, gij hoofdvorst van Mesech en Tubal.
4
En Ik zal u
7
omwenden, en
b
8
haken in uw kaken leggen, en Ik zal u
9
uitvoeren, mitsgaders uw ganse heir, paarden en ruiters, die altemaal
10
volkomen welgekleed zijn, een grote vergadering,
met
rondas en schild, die altemaal zwaarden handelen;
5
11
Perzen, Moren en Puteeërs met hen, die altemaal schild en helm
voeren
;
6
12
Gomer en al zijn benden, het huis van
13
Togárma,
aan
de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.
7
14
Zijt bereid en maak u gereed, gij en uw ganse vergadering die tot u vergaderd zijn; en wees gij hun tot een
15
wacht.
8
Na vele dagen zult gij
16
bezocht worden; in het
17
laatste der jaren zult gij komen in het land
18
dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als
19
hetzelve
land
uit de volken zal uitgevoerd zijn, en
20
zij altemaal zeker zullen wonen.
9
Dan zult gij optrekken, gij zult aankomen als een onstuimige verwoesting, gij zult zijn als een
c
wolk om het land te bedekken, gij en al uw benden, en vele volken met u.
10
Alzo zegt de Heere HEERE: Te dien dage zal het ook geschieden dat er
21
raadslagen in uw hart zullen opkomen, en gij zult een kwade gedachte denken,
11
En zult
22
zeggen: Ik zal optrekken naar
dat
23
dorpsland, ik zal komen tot degenen die in rust zijn, die zeker wonen, die altemaal wonen zonder muur, en geen grendel noch deuren hebben;
12
Om buit te buiten en om roof te roven; om uw
24
hand te wenden tegen de woeste plaatsen die
nu
bewoond zijn, en tegen een volk dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en have
25
verkregen heeft, wonende in het
26
midden des lands.
13
27
Scheba en Dedan en de kooplieden van
28
Tarsis, en al haar jonge
29
leeuwen zullen tot u zeggen: Komt gij om buit te buiten? Hebt gij uw vergadering vergaderd om roof te roven? Om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om een groten buit te buiten?
14
Daarom, profeteer, o mensenkind, en zeg tot Gog: Zo zegt de Heere HEERE: Zult gij het te dien dage, als Mijn volk Israël zeker woont, niet
30
gewaarworden?
15
Gij
31
zult dan komen uit uw plaats, uit de zijden van het noorden, gij en vele volken met u, die altemaal op paarden zullen rijden, een grote vergadering en een machtig heir;
16
En gij zult optrekken tegen Mijn volk Israël als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog, voor hun ogen zal
32
geheiligd worden.
17
Zo zegt de Heere HEERE:
33
Zijt gij die
van
welken Ik in verleden dagen gesproken heb door den
34
dienst Mijner knechten, de
35
profeten Israëls,
36
die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren
lang
, dat Ik u tegen
37
hen zou aanbrengen?
18
Maar het zal geschieden te dien dage, ten dage als Gog tegen het land Israëls zal aankomen, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn
38
neus zal opkomen.
19
Want Ik
39
heb gesproken in Mijn
d
40
ijver, in het vuur Mijner verbolgenheid:
41
Zo er niet te dien dage een groot beven zal zijn in het land Israëls!
20
Zodat van Mijn
42
aangezicht beven zullen de vissen der zee, en het gevogelte des hemels, en het gedierte des velds, en al het kruipend gedierte dat op het aardrijk kruipt, en alle mensen die op den
43
aardbodem zijn; en de bergen zullen nedergeworpen worden, en de
44
steile plaatsen zullen nedervallen, en alle
45
muren zullen ter aarde nedervallen.
21
Want Ik zal het zwaard over hem
46
roepen
47
op al Mijn bergen, spreekt de Heere HEERE; het zwaard van een
48
ieder zal tegen zijn broeder zijn.
22
En Ik zal met hem rechten door pestilentie en door
49
bloed; en Ik zal een overstelpenden
50
plasregen en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem en op zijn benden en op de vele volken die met hem zullen zijn.
23
Alzo zal Ik Mij
51
groot maken en Mij heiligen en bekend worden voor de ogen van vele heidenen; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.