Jesaja 63:7-14
De profeet houdt hier, in naam van de kerk, een overzicht en maakt dankbare vermelding van Gods leidingen met Zijn kerk van ouds zelfs van de tijd af dat Hij haar gesticht heeft. Daarna staat hij in het laatste gedeelte van dit en in het volgende hoofdstuk als een wachter op de muren, om God ernstig te bidden om haar Zijn medelijden te bewijzen in haar tegenwoordige beklagenswaardige toestand. Het was de gewoonte van Gods volk in hun gebeden on die wijze achterwaarts te zien.
I. Hier is een algemene erkentenis van de goedheid die God hen van ouds bewezen had vers 7. Er wordt in het algemeen van Gods profeten en Zijn volk gezegd in Hoofdstuk 62:6, dat zij de Heere zullen gedenken (vermelden) maar hier wordt ons meegedeeld wat er in God is, dat hen meer bepaald genot geeft om te gedenken, dat is Zijn goedheid waarover de profeet, alsof hij meende dat hij er nooit genoeg van zeggen kon. Hij vermeldt de goedertierenheden (welke nooit zo duidelijk aan het licht traden als in Zijn liefde tot de mensheid, bewezen door de zending Zijns Zoons om ons zalig te maken, Titus 3:4), Zijn goedertierenheid van liefde: liefde die in alle dingen uitkomt. De goedertierenheden die zo overvloedig zijn als de fonteinen, zo verscheiden als de stromen goddelijke barmhartigheden (want Hij spreekt in het meervoud) - Zijn grote goedheid en goedertierenheden, die, indien wij ze zouden willen tellen, zouden blijken talrijker te zijn dan het zand. Met deze goedertierenheden zal Hij vermelden Zijn veelvoudige lof, dat is de dankbare erkenning door heiligen en engelen van Zijn goedertierenheden. Er moet melding gemaakt worden tot Gods eer, van de schatting van lof die Hem gebracht wordt door alle schepselen bij het aanschouwen van zijn goedertierenheden. Zie hoe breedvoerig hij hierover spreekt.
1. Over de goedheid van God, de gaven van Zijn goedertierenheden- alles wet de Heere ons schenkt in het bijzonder, betreffende godsdienst en godzaligheid, en in de kring van ons gezin en aan ons persoonlijk. Laat ieder voor zichzelf getuigen, zeggen hoe hij het heeft bevonden, en hij zal moeten erkennen dat hij veel goeds van de goddelijke goedheid genoten heeft. Maar wij moeten evenzeer vermelden de gunsten die Hij aan Zijn kerk heeft bewezen: Zijn grote goedheid jegens het huis Israëls die Hij hun bewezen heeft. Wij moeten God zegenen voor de weldaden, welke anderen, zowel als voor die, welke wij zelf genieten, en rekenen dat hetgeen aan het huis Israëls gegeven wordt, aan onszelf wordt geschonken.
2. Over de goedheid, welke in God is. God doet goed omdat Hij goed is, wat Hij ons schenkt moet tot in de oorsprong nagegaan worden, het is naar Zijn barmhartigheden, en niet naar onze verdiensten, en naar de veelheid van Zijn goedertierenheden, welke nooit uitgeput zullen zijn. Zo moeten wij Gods goedheid verheerlijken en er eervol over spreken niet alleen wanneer wij er op pleiten, gelijk David Psalm 51:2, moer ook als wij haar loven.
II. Hier wordt bijzonder melding gemaakt van de stappen van Gods barmhartigheid over Israël toen Hij hen tot een volk formeerde.
1. De verwachtingen die God had omtrent de wijze waarop zij zich gedragen zouden, vers 8. Toen Hij hen uit Egypte leidde en met Hem in verbond bracht, zei Hij: "Zij zijn immers Mijn volk". Ik neem hen als zodanig aan en ben geneigd te hopen dat zij zich zullen betonen het te zijn, kinderen die niet liegen zullen, die niet met God zullen verschillen in hun verbondsbetrekking met Hem, of trouweloos Hem zullen verlaten door hun verbond te breken en verraderlijk af te wijken gelijk een gebroken boog. Zij zeiden meer dan eens: Al hetgeen de Heere tot ons zal zeggen, zullen wij doen en wij zullen gehoorzamen, en daarop nam Hij hen aan als Zijn bijzonder volk, zeggende: Zeker zij zullen niet liegen. God handelt trouw en oprecht met hen, en daarom verwacht Hij dat zij zo met Hem zullen handelen. "Zij zijn kinderen des verbonds," Handelingen 3:25, kinderen van hen die de Heere aankleven en daarom mag men verwachten dat zij standvastig in de voetstappen hunner vaderen zullen treden. Gods volk bestaat uit kinderen, die niet liegen zullen, want zij die liegen, zijn kinderen des duivels.
2. De gunst die Hij hun bewees met het oog op deze verwachtingen. Alzo is Hij hun geworden tot een Heiland, een Verlosser uit de slavernij in Egypte en uit al de verschrikkingen van de woestijn en menigmaal sindsdien is Hij hun verlosser geweest. Zie in bijzonderheden in vers 9 wat Hij als hun Heiland voor hen deed.
A. Het beginsel, dat Hem bewoog om verlossing voor hen te bewerken. Het was Zijn liefde en Zijn genade, uit louter medelijden en tedere genegenheid voor hen, niet omdat Hij hen nodig had of enig voordeel door hen verheugen kon. Dit wordt hier sterk uitgedrukt, In al hun benauwdheden was Hij benauwd. Niet dat de Eeuwige Geest vatbaar voor droefheid, of dat Gods oneindige gelukzaligheid kan benadeeld of verminderd worden, (God kan niet bedroefd worden), maar het behaagt Hem door deze woorden uiting te geven aan de liefde en belangstelling, die Hij voor Zijn volk in hun benauwdheid had. Zoveel gevoelt Hij voor hen, dat Hij elk onrecht, dat hun aangedaan wordt, beschouwt als Hemzelf aangedaan en er dus rekenschap van eisen zal. Hun geroep beweegt Hem, Exodus 3, 7, en treedt zo krachtdadig voor hen op alsof Hij hun smart gevoelde. Saul, Saul, wat vervolgt gij mi ? Dit is een bron van grote vertroosting voor Gods volk in hun benauwdheid, dat het "zo ver van God is dat Hij hen van harte zou bedroeven," Klaagliederen 3:33 dat, indien zij zich vernederen onder Zijn hand. Hij met hen benauwd is in hun benauwdheden gelijk liefhebbende ouders mee lijden als hun kind ziek is of een pijnlijke operatie ondergaat. Er kan ook in het oorspronkelijke gelezen worden: In al hun benauwdheden was geen benauwdheid. Of schoon zij in zo grote benauwdheid waren, werd de hoedanigheid daarvan zo veranderd door de genade Gods die haar aan hun harten heiligde, de scherpte er van werd zo verzacht en zo opgewogen door barmhartigheden, zij werden daaronder zo ondersteund en vertroost, het duurde zo kort en eindigde zo goed, dat het in werkelijkheid geen benauwdheid was. De droefenissen van de heiligen staan niet gelijk met die van anderen, zij zijn geen benauwdheden, maar geneesmiddelen. De heiligen worden in staat gesteld om ze licht te noemen, en van korte duur, en met het oog op de hemelse zegeningen ze niet zwaar te tellen.
B. De persoon, wie opgedragen werd hun verlossing te bewerken. De engel Zijns aangezichts of Zijn tegenwoordigheid. Sommigen menen dat hier een geschapen engel bedoeld wordt. De hoogste engel in de hemel, de engel Zijns aangezichts die het naast is aan Zijn troon van de heerlijkheid, is niet te groot, of te goed geacht om tot deze dienst uitgezonden te worden. Zo wordt gezegd dat de engelen van deze kleinen altijd zien het aangezicht huns Vaders, die in de hemelen is, Mattheus 18:10. Maar het moet veel meer versteen worden van Jezus Christus, het eeuwige Woord, de engel van Wien God sprak tot Mozes, Exodus 23:20, 21, wiens stem Israël moest gehoorzamen. nu is de engel des verbonds, Gods boodschapper aan de wereld, Maleachi 3, 1. Hij is de engel van Gods aangezicht, want Hij is het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid, en de heerlijkheid Gods schijnt in het aangezicht van Christus. Hij, die de eeuwige zaligheid zou bewerken, wrocht, als eersteling daarvan, de tijdelijke verlossingen, die typen van de eeuwige waren. C. De voortgang en voortduring van deze gunst. Hij had hen niet alleen uit de slavernij verlost, maar Hij nam hen op en droeg hen al de dagen van ouds. Zij waren zwak, maar Hij droeg hen door Zijn kracht en ondersteunde hen door Zijn goedheid, wanneer zij belast waren en dreigden te bezwijken, richtte Hij hen op, in de oorlogen die zij met de volken voeren moesten, stond Hij hen bij en hielp hen door, of schoon zij weerspannig waren, droeg Hij hen en verdroeg hun zeden, Handelingen 13:18. Hij droeg hen gelijk een voedstervader het kind draagt, of schoon zij alle andere armen, behalve de Zijne, zouden vermoeid hebben, Hij droeg hen gelijk de adelaar zijn jongen op de vleugelen draagt. Deuteronomium 32:11. En het was gedurende lange tijd dat Hij om zo te zeggen met hen bemoeid was, het was al de dagen van ouds, zijn zorg voor hen eindigde niet toen zij opgewassen en in het land Kanaän gevestigd waren. Dit alles geschiedde in Zijn liefde en barmhartigheid, uit loutere toegenegenheid, Hij had hen lief omdat Hij hen liefhebben wilde, gelijk Hij zegt in Deuteronomium 7:7, 8.
3. Hun onbehoorlijk gedrag jegens Hem, en de moeite, waarin zij daardoor zichzelf brachten vers 10. Maar zij zijn weerspannig geworden. De zaken stonden zeer hoopvol en veelbelovend, men zou gedacht hebben dat zij gehoorzame kinderen van God zouden gebleven zijn, en dan zou er geen twijfel geweest zijn of Hij zou een genadig Vader voor hen gebleven zijn. Maar aan beide zijden was een treurige verandering gekomen, en dat door hun schuld.
a. Zij verbraken hun verbond met God en namen de wapens tegen Hem op. Zij zijn weerspannig geworden en hebben zijn Heilige Geest smarten aangedaan door hun ongeloof en murmureren, en bovendien door hun verering van het gouden kalf. En dat is hun wijze van doen altijd gebleven. Ofschoon Hij geneigd was van hen te zeggen, zij zijn kinderen die niet liegen zullen, ofschoon Hij zo veel voor hen gedaan had, hen had opgericht en gedragen, toch verlieten zij Hem zo schandelijk gelijk dwazen en onwijzen, Deuteronomium 32:6. Dit smartte Hem, Psalm 95:10. De ondankbare opstand van Gods kinderen tegen Hem is een smart voor Zijn Heiligen Geest.
b. Daarop onttrok Hij hun rechtvaardig Zijn bescherming, en dat niet alleen, maar Hij deed hun de oorlog aan, gelijk een vorst dat met recht opstandelingen doet. Hij die hun vriend in zo hoge mate geweest was, is daarom hun tot een vijand verkeerd en heeft tegen hen gestreden, door het een oordeel na het andere zowel in de woestijn als na hun vestiging in Banaan. Ziehier de slechtheid en noodlottigheid van de zonde, zij maakt God tot vijand zelfs van hen, wie Hij zoveel vriendschap bewezen heeft, en verwekt Hem tot toorn die enkel liefde en medelijden is. Zie de dwaasheid van de zondaren, moedwillig verliezen zij de vriendschap van Hem, die de begerenswaardigste vriend is, en maken Hem tot hun vijand die de geduchtste vijand is. Dit ziet voornamelijk op de onheilen die over hen kwamen door hun gevangenschap in Babel, ter wille van hun afgoderij en andere zonden. Dat God hun in een vijand verkeerd was, is de oorsprong en de verergering van al hun onheilen.
4. Bijzondere vermelding wordt gemaakt van wat God voor hen deed toen Hij hen tot Zijn volk formeerde. Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, vers 11.
A. Dit kan verstaan worden zowel van het volk als van God.
a. Wij vatten het op als van het volk gezegd Israël (als een enkel persoon genomen) herinnerde zich de dagen van ouds, zag de heilige boeken in, herlas de geschiedenis hoe God de vaderen uit Egypte leidde, wijdde daar meer dan vroeger aandacht aan, en sprak daarna gelijk Gideon, Richteren 6:13. Waar zijn al de wonderen, waarvan onze vaderen ons verhaald hebben? Waar is Hij die ons uit Egypte opvoerde? Is Hij niet machtig genoeg om ons uit Babel terug te brengen? Waar is de Heere de God van Elia? Waar is de Heere de God onzer vaderen? Zij beschouwden dit als een aanwijzing en een aanmoediging om berouw te tonen en tot Hem weer te keren hun vaderen waren een tergend volk geweest, en toch hadden zij Hem bevonden een vergevend God te zijn, en waarom zouden wij dat ook niet bevinden indien wij tot Hem wederkeren? Zij gebruikten het dus als een pleitgrond in hun gebed tot God om het eindigen van hun gevangenschap gelijk Hoofdstuk 51:9, 10. Indien de tegenwoordige dagen donker en bewolkt zijn is het goed te gedenken aan de dagen van ouds, ons te herinneren onze eigen en andere ondervindingen van de goddelijke macht en goedheid, en er gebruik van te maken, terug te zien op de daden van de rechterhand des Almachtigen, Psalm 77:5, 10, en te gedenken dat Hij God is, die niet verandert.
b. Wij kunnen het nemen als van God gezegd. Hij gedacht aan de dagen van ouds, aan Zijn verbond met Abraham, Leviticus 26:42. Hij zei: Waar is Hij die Israël heeft opgebracht uit de zee? en wekte daardoor zichzelf op om hen ter hulp te komen. Waarom zou Ik nu niet tot hun verlossing verschijnen, gelijk Ik deed voor hun vaderen, die het even weinig verdienden en even erg verbeurden als zij? Zie hoe ver de goddelijke barmhartigheid gaan wil en hoever zij wil terugzien, ten einde redenen te vinden om Zijn volk wel te doen, wanneer de tegenwoordige omstandigheden daar geen aanleiding toe geven. Zelfs wordt hetgeen een reden was om hen te verlaten daardoor een reden om hen te verlossen. Hij had kunnen zeggen: Ik heb hen vroeger verlost, maar zij hebben zich alweer in moeite gebracht Spreuken 19:9 daarom zal Ik hen niet verder verlossen. Richteren 10:13. Maar neen, de barmhartigheid roemt tegen het oordeel, en gebruikt het argument juist in tegenovergestelde zin: Ik heb hen vroeger verlost en zal het dus nu weer doen.
B. In welke zin wij het ook opvatten, hetzij door het volk of door God gesproken, laat ons de bijzonderheden nagaan, dan zullen wij zien dat zij zeer veel overeenkomst hebben met de belijdenis en het gebed van de kinderen van de gevangenschap op hun plechtige vastendag Nehemia 9:5 en v.v, die dienen kunnen als toelichting van deze verzen, welke Mozes en zijn volk in herinnering brengen, dat is, hetgeen God door Mozes voor Zijn volk deed, voornamelijk toen Hij hen door de Rode Zee leidde, want daarop wordt hier voornamelijk de aandacht gevestigd. Dit was een daad, waardoor Hij zeer verheerlijkt werd en die daarom in bijzondere mate dienen kan om Zijn volk te bemoedigen.
a. God leidde hen door de rechterhand van Mozes, vers 12, en de wonderen-werkenden staf in diens hand. Psalm 77:20. God leidde Zijn volk gelijk een kudde door de hand van Mozes. Mozes leidde hen niet, evenmin als hij hen spijzigde, Johannes 6:-32, maar God deed het door Mozes, want Hij was het die er Mozes voor bestemde, hem riep, bijstond en in Zijn groot werk deed slagen. Mozes wordt hier de herder van zijn kudde genoemd. God was de eigenaar van de kudde en de grote Herder Israëls, Psalm 80:1, maar Mozes was een herder onder Hem. Hij was bekwaam gemaakt om te werken en geduld te hebben, en tot zijn herderlijk werk opgeleid door het hoeden van de kudde van zijn schoonvader Jetro. Hierin was hij een type van Christus, de goede Herder, die Zijn leven aflegde voor Zijn schapen, hetgeen meer was dan Mozes voor hen deed of schoon hij veel voor hen deed.
b. Hij stelde Zijn _heiligen Geest in het midden van hen, de Geest van God was met hen, niet alleen Zijn voorzienigheid, maar Zijn genade werkte voor hen, Nehemia 9:20. "Gij hebt Uw goede Geest gegeven om hen te onderwijzen." De Geest van wijsheid en van moed, zowel als de Geest van de profetie was Mozes gegeven om hem te bekwamen voor de dienst onder hen, waartoe hij geroepen was, en een deel van die Geest werd gelegd op de zeventig oudsten, Numeri 11:17. Dit was een grote zegen voor Israël, dat zij in hun midden niet alleen geïnspireerde schrijvers, maar ook geïnspireerde mannen hadden.
C. Hij bracht hen veilig door de Rode Zee, en redde hen daardoor uit de handen van Farao.
Ten eerste. Hij heeft de wateren voor hun aangezicht gekliefd, vers 12, zodat zij niet alleen een doorgang kregen, maar ook bescherming. Er werd niet alleen een pad gevormd. maar ook aan weerszijden een muur opgericht.
Ten tweede. Hij leidde hen door de afgronden als een paard in de woestijn, vers 13. Zij, hun vrouwen en kinderen, met al hun bezittingen, gingen zo gemakkelijk en ongehinderd over de bodem van de zee, die toch wel vol modder en stenen geweest zal zijn, als een paard gaat op effen grond. Geen hunner struikelde, ofschoon het een onbetreden pad was, dat door niemand ooit tevoren begaan was. Indien God ons een weg baant, dan maakt Hij die effen en gelijk, op de weg die Hij voor Zijn volk opent, zal Hij hen leiden.
Ten derde. Om Zijn barmhartigheid volkomen te maken, bracht Hij hen op uit de zee, vers 11. Ofschoon het opklimmen, naar wij mogen vermoeden, ging langs een oever die zeer steil, morsig en glibberig was, en bijna onbegaanbaar voor vrouwen en kinderen, en voor mannen die zwaar beladen en zeer vermoeid waren, Exodus 12:34, bracht God hen door Zijn macht op uit de diepte van de aarde, en dat was voor hen gelijk een opstanding, gelijk het leven uit de dood.
D. Hij bracht hen veilig in een plaats van de rust. Gelijk een beest afgaat in de valleien, zo zorgzaam en geleidelijk, heeft hun de Geest des Heeren rust gegeven Meermalen hadden zij op hun tocht door de woestijn rustplaatsen, waarheen Mozes hen, volgens aanwijzing van de Geest des Heeren bracht, vers 11. Eindelijk kwamen zij tot de blijvende rust in het land Kanaän, en daar gaf de Geest des Heeren hun blijvende rust volgens de belofte. Door de Geest des Heeren wordt Gods Israël er toe gebracht om tot God weer te keren en in Hem te rusten.
E. Dit alles deed Hij voor hen door Zijn eigen macht en tot zijn eigen lof.
Ten eerste. Het was door Zijn eigen macht, als de God van de natuur, die alle natuurkrachten onder Zijn bevel heeft, Hij deed het door de arm van Zijn heerlijkheid, de arm van Zijn dapperheid, zou men kunnen lezen. Niet de staf van Mozes, maar de heerlijke arm van God deed het.
Ten tweede. Het was tot Zijn eigen lof, opdat Hij zich een eeuwige naam maakte, vers 12, een heerlijke naam, vers 14 opdat Hij daarvoor tot in eeuwigheid verheerlijkt zou worden. Dit is hetgeen God met Zijn heerlijke naam in deze wereld doet, Hij maakt Zich een heerlijke naam, en die zal bestaan tot in eeuwigheid, terwijl de beroemdste namen van de groten van de aarde in het stof geschreven worden.