5. Morenland, Ethiopië, en Put (= uitbreiding), Lybië, en Lud, (= kromming) Lydië, (
Hoofdstuk 27:10.
Jeremia 46:9), en al de gemengde hoop, de gehele menigte der uit verschillende volken aangeworven soldaten, en Cub 1) (= Christusdoorn), en de kinderen van het land des verbonds) zullen met hen vallen door het zwaard.
1) Cub is een onbekend volk, wanneer het niet de op de Egyptische gedenktekenen afgebeelde Kufa zijn.
Volgens Wilkinson bewoonden deze een veel noordelijker dan Palestina gelegen land in Azië; zij komen op afbeeldingen voor met lange haren, rijk gekleed en met veelkleurige sandalen. De schatting, die zij geven, verraadt niet minder rijkdom, dan beschaving en kunst.
Op de gedenktekenen komen zij voor, zoals in den aard der zaak ligt, nu eens onder de vijanden, dan onder de bondgenoten van Egypte.
2) "Land des verbonds" kan alleen Kanaän heten; wij zullen dus bij de uitdrukking "de kinderen van het land des verbonds" alleen aan die Israëlieten kunnen denken, die na den ondergang van Jeruzalem naar Egypte vluchtten, en wier jonge manschappen door de Egyptenaren in hun legers werden opgenomen, zodat zij ook, gelijk in Jeremia 44:12, 27 dezen Joden de ondergang wordt aangezegd, met deze worden vernietigd.
Met Kliefoth delen ook anderen het gevoelen, dat onder "land des verbonds" Kanaän moet worden verstaan. O. i. echter ten onrechte. Nergens wordt Kanaän "het land des verbonds" genoemd, wel de Israëlieten de kinderen des verbonds. Wij hebben daarom hier onder kinderen van het land des verbonds te verstaan de bondgenoten van Egypte, die hen hielpen in den strijd tegen de vijanden. Ook deze zouden delen in den ondergang van dat rijk.