Job 1:1-3
Betreffende Job wordt ons hier gezegd:
I. Dat hij een man, een mens, was en dus van gelijke bewegingen als wij zijn. Hij was "ish", een waardig man, een aanzienlijk man, een man van eer en aanzien, een magistraat, een man van gezag. Het land, waarin hij woonde was het land Uz, in het oostelijk deel van Arabië, naar de zijde van Chaldea, bij de Eufraat waarschijnlijk niet ver van Ur van de Chaldeen, vanwaar Abraham geroepen werd. Toen God een Godvruchtige uit dat land wegriep, heeft Hij zich aldaar toch niet onbetuigd gelaten, maar verwekte Hij een andere, om er een prediker van de gerechtigheid te zijn. God heeft Zijn overblijfsel aan alle plaatsen, Zijn verzegelden uit ieder volk, zowel als uit iedere stam van Israël, Openbaring 7:9. Het was een voorrecht voor het land Uz om er zo goed een man in te bezitten als Job was, nu was het in waarheid Gelukkig Arabië en het was tot lof van Job, dat hij in zo'n slechte plaats zo uitnemend goed en vroom was, hoe slechter de hem omringenden waren, hoe beter hij was.
Zijn naam Job, of Ijob, betekent volgens sommigen een gehate, iemand, die als een vijand wordt beschouwd. Anderen zeggen dat hij betekent een treurende iemand, die zucht of kermt, zo kon de droefheid, die hij in zijn naam droeg, een beteugeling wezen van zijn blijdschap in voorspoed. Dr. Cave leidt de naam af van het werkwoord Jaäb beminnen of begeren, te kennen gevende hoe welkom zijn geboorte is geweest aan zijn ouders, en hoezeer hij de begeerte van hun ogen is geweest, en toch was er een tijd dat hij de dag van zijn geboorte gevloekt heeft. Wie kan zeggen wat de dag zal blijken te zijn, die met een heldere morgen begonnen is?
II. Dat hij een zeer goed man was, van uitnemende vroomheid en beter dan zijn naburen. Hij was oprecht en vroom. Dit is bedoeld om ons te tonen, niet alleen welke naam hij had onder de mensen (namelijk dat hij algemeen voor een eerlijk man werd gehouden) maar wet werkelijk zijn karakter was, want het is wat God van hem oordeelt, en Hij oordeelt-dies zijn wij zeker-naar waarheid.
1. Job was een Godsdienstig man, hij vreesde God, dat is: Hij aanbad Hem overeenkomstig Zijn wil, en liet zich in alles door de regelen van de Goddelijke wet leiden.
2. Hij was oprecht in zijn Godsdienst, hij was volmaakt, niet zondeloos, hijzelf erkent: Indien ik zeg dat ik volmaakt ben, ik zal blijken verkeerd te zijn, Hoofdst. 9:20. Maar acht gevende op alle geboden Gods strevende naar volmaaktheid, was hij in werkelijkheid zo goed als hij scheen te zijn, en heeft hij in zijn belijdenis van Godsvrucht niet geveinsd. Zijn hart was gezond en zijn oog eenvoudig. Oprechtheid is Evangelievolmaaktheid, ik ken geen Godsdienst zonder haar.
3. Hij was oprecht in zijn handelingen met God en met de mensen, was getrouw aan zijn beloften, standvastig in zijn besluiten getrouw in alles wat men hem toevertrouwde en was nauwgezet van geweten in alles wat hij zei en deed, zie Jesaja 33:15. Of schoon hij niet "van" Israël was, was hij toch in waarheid "een Israëliet zonder" "bedrog".
4:De vreze Gods, heersende in zijn hart, was het beginsel, dat hem in geheel zijn wandel bestuurde. Dat maakte hem vroom en oprecht, innerlijk en geheel voor God, een man van één stuk in de Godsdienst. Dat hield hem dicht en standvastig bij zijn plicht. Hij vreesde God, had eerbied voor Zijn majesteit, gaf acht op Zijn gezag en vreesde Zijn toorn.
5. Hij was bevreesd voor de gedachte om te doen wat kwaad was, en dat wel met de uiterste verfoeiing en met voortdurende zorg en waakzaamheid. Hij was afwijkende van het kwaad, vermeed allen schijn van zonde, alles wat er naar zweemde, en dit: om "van de vreze" "Gods wil. De vreze des Heeren is te haten het kwade," Spreuken 8:13, en dan: "door de vreze des Heeren wijkt men of van het" "kwade," Spreuken 16:6.
III. Dat hij zeer voorspoedig was in deze wereld, een groot aanzien had in zijn land. Hij was voorspoedig, en toch vroom. Hoewel het bezwaarlijk en zeldzaam is, dat een rijke in het koninkrijk van de hemelen ingaat, is het toch niet onmogelijk, bij God is dit zelfs mogelijk, en door Zijn genade zijn de verzoekingen van wereldsen rijkdom niet onwederstaanbaar. Hij was vroom, en zijn vroomheid begunstigde zijn voorspoed, want de Godzaligheid heeft de belofte van het tegenwoordige leven. Hij was voorspoedig, en zijn voorspoed verspreidde glans over zijn vroomheid, en gaf hem, die zo goed was, zoveel te meer gelegenheid om goed te doen. De daden van zijn Godsvrucht waren dankbare vergeldingen aan God voor de blijken van Gods gunst in zijn voorspoed, en in de overvloed van goed, dat God hem gaf, heeft hij God met des te meer blijdschap gediend.
1. Hij had een talrijk gezin, was zeer uitnemend in de Godsdienst, maar was toch geen kluizenaar, maar de vader en heer van een gezin. Het is een blijk van zijn voorspoed, dat zijn huis gevuld was met kinderen, die "een erfdeel des Heeren," en "een beloning" zijn, Psalm 127:3. Hij had zeven zonen en drie dochteren vers 2. Sommigen van iedere sekse, en de meesten van de edeler kunne, door welke een gezin gebouwd wordt. Kinderen moeten beschouwd worden als zegeningen, want dat zijn zij, inzonderheid voor Godvruchtige mensen die hun goed onderricht en een goed voorbeeld geven, en goede gebeden voor hen opzenden tot God. Job had vele kinderen, en toch was hij noch gedrukt, noch onbarmhartig, integendeel hij was zeer mild voor de armen, Hoofdst. 31:17 en verv. Zij, die voor een groot gezin hebben te zorgen, moeten bedenken dat wat met wijsheid in aalmoezen wordt uitgegeven, op de besten interest wordt uitgezet, in het beste fonds belegd wordt ten voordele van hun kinderen.
2. Hij had een goede bezitting tot onderhoud van zijn gezin, hij had een aanzienlijk vermogen, vers 3. Maar de rijkdommen van deze wereld zijn ten opzichte van de ziel en van een andere wereld slechts schaduwen, "hetgeen niets is" Spreuken 23:5, of "haast niet zijn zal." Het is alleen in hemelse wijsheid, dat wij "beërven" "wat bestendig is," Spreuken 8:21. In die dagen, toen de aarde nog niet geheel bevolkt was, was het voor vermogende lieden-zoals ook nu nog in sommige koloniën- gemakkelijk genoeg om land te verkrijgen op zeer voordelige voorwaarden, maar om het rentegevend te maken was er vee nodig en er moesten handen zijn om het te bearbeiden, en daarom wordt het grote vermogen van Job aangeduid, niet door een opgave van de bunders land, waarvan hij heer was, maar:
A. Van zijn vee: schapen en kemelen, ossen en ezels. Het aantal stuks van iedere soort hier opgegeven, was waarschijnlijk niet het nauwkeurig juiste getal, maar ten naasten bij, enkelen meer of minder. De schapen worden het eerst genoemd, als zijnde van het meeste nut voor het gezin, zoals Salomo opmerkt, Spreuken 27:23-26, 27, "de lammeren tot uw kleding, en melk tot uw" "spijs, tot spijs van uw huis." Job had, evenals Abraham, waarschijnlijk ook zilver en goud, Genesis 13:2, maar in die tijd schatten de mensen hun eigen bezittingen, en die van hun naburen, naar hetgeen dienstig en van dadelijk nut was, meer dan naar hetgeen slechts tot pracht en staatsie diende en geschikt was om te worden opgelegd. Zodra God de mens gemaakt had en in zijn onderhoud had voorzien door kruiden en vruchten, heeft Hij hem rijk en groot gemaakt door hem "heerschappij te geven over de dieren," Genesis 1:28. Daar deze aan de mens, niettegenstaande zijn afval nog gelaten is, Genesis 9:2, moeten hiernaar ook nog de rijkdom, eer en macht van de mens geschat worden, Psalm 8:7.
B. Van zijn dienstknechten, hij had veel dienstvolk, velen, die voor hem arbeidden en door hem werden onderhouden, en aldus had hij eer en deed hij goed, maar dit bracht ook zeer veel zorg voor hem mede, en vele lasten en onkosten. Zie de ijdelheid van deze wereld, waar het goed wordt vermenigvuldigd, daar moeten zij ook vermenigvuldigd worden, die het verzorgen, er mee bezig zijn, "wat nuttigheid hebben" "dan de bezitters daarvan dan het gezicht hunner ogen?" Prediker 5:10.
In één woord: Job was groter dan alle die van het oosten, en deze waren de rijksten van de wereld. Jobs rijkdom, met zijn wijsheid, gaf hem recht op de eer en de macht, die hij in zijn land bezat, welke hij beschrijft in Hoofdst. 29 waardoor hij tot een hoofd of magistraat werd. Job was oprecht en eerlijk, en toch werd hij rijk, ja daarom werd hij rijk, want eerlijkheid is de beste staatkunde, en gewoonlijk zijn vroomheid en liefdadigheid de zekerste middelen om voorspoedig te zijn. Hij had een grote huishouding en zeer veel omhanden, en toch hield hij de vreze Gods en Zijn aanbidding in stand, en hebben hij en zijn huis de Heere gediend. Het bericht van Jobs vroomheid en voorspoed komt vóór het verhaal van zijn rampen en beproevingen, om aan te tonen dat zij ons niet bewaren voor de gewone, ja ook niet voor de buitengewone rampen van het menselijk leven. Vroomheid zal er ons niet voor beveiligen, zoals Jobs hierin dwalende vrienden gedacht hebben, want alle ding wedervaart hun gelijk allen anderen, de voorspoed zal het niet zoals een zorgeloze wereld waant, als zij zegt: Ik zit als koningin, en daarom zal ik geen leed kennen. Zie Jesaja 47:7, 8.