Jeremia 43:1-7
Wat God had gezegd omtrent de bouwlieden aan Babels toren, mag ook wel gezegd worden van de lieden, waarmee Jeremia nu te doen heeft: "Zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?" Genesis 11:6 Zij hebben lust naar Egypte te trekken en zij zullen naar Egypte gaan, wat de Heere daartegen ook inbrengen moge. Jeremia deelde hun mee al wat hem geboden was, hoewel hij zag, dat het hun niet behaagde, het was datgene, hetwelk de Heere hem had te kennen gegeven, en daarom moesten zij het horen. Laat ons nu zien, wat ze daartegen hebben te zeggen.
I. Zij ontkennen, dat het een boodschap van God is. Johanan en alle de trotse mannen zeiden tot Jeremia: Gij spreekt leugen, vers 2. Zie hier,
1. Wat de oorzaak van hun ongehoorzaamheid was: het was hoogmoed, daaruit alleen ontstaat twist met God en met mensen. Het waren trotse mannen, die de profeet voor een leugenaar uitmaakten. Zij konden niet velen, dat hun gevoelen werd tegengesproken en hun plannen verijdeld, zelfs niet door goddelijke wijsheid, zij zelf alleen waren wijs. Farao had gezegd: "Wie is de Heere, dat ik Hem zou gehoorzamen" Exodus 5:2. Het trotse, onbuigzame hart des mensen is een van de brutaalste vijanden, die God heeft.
2. Waarmee praten zij hun ongehoorzaamheid goed? Zij wilden niet erkennen, dat Jeremia Gods Woord sprak: "De Heere heeft niet met deze boodschap tot ons gezonden." Zij waren of niet overtuigd, dat wat Jeremia zei van God kwam, òf (wat ik eerder geloof) zij waren wel overtuigd maar wilden het niet erkennen. Het licht scheen hun helder in het gelaat, maar zij sloten er het oog voor, òf wilden niet erkennen, dat het scheen. Zie, de reden waarom mensen de Bijbel niet als Gods Woord willen aannemen, ligt daarin, dat zij zich niet naar dat woord willen schikken, die hardnekkige ontkenning is het voorwendsel voor vrijwillige ongehoorzaamheid. Had God door een engel tot hen gesproken gelijk van de berg Sinai, dan zouden zij het verbeelding genoemd hebben. Hadden zij niet Jeremia als een profeet ondervraagd? Had hij niet gewacht op Gods mededeling wat hij spreken zou? Had niet al wat hij zei, de gewone kenmerken van profetie? Was de profeet niet in dezelfde omstandigheden als zij zelf? Waarom zou hij dan hun belang uit het oog verliezen? Had hij niet steeds getoond, een ware Israëliet te zijn? En God niet getoond, dat Jeremia zijn profeet was? Was ooit één zijner woorden ter aarde gevallen? Inderdaad dachten zij over Jeremia zelf nog zo kwaad niet, maar zeiden: Baruch hitst u tegen ons op, vers 3. Hoe onwaarschijnlijk, dat Baruch aan een samenzwering zou deelnemen om hen in de handen van de Chaldeën over te geven, wat zou hij daarbij te winnen hebben? Indien Jeremia en Baruch de Chaldeën zo welgezind waren als men het voorstelde, zouden zij wel dadelijk met Nubazaradan naar Babylon medegegaan zijn, die hen zeer vriendelijk had behandeld, en niet met dit verachte, ondankbare overblijfsel achtergebleven. Maar de beste diensten zijn geen beschutting tegen kwaadwilligheid en laster. Of, gesteld dat Baruch zulke boze bedoelingen had, konden zij verwachten, dat Jeremia zó onder Baruchs invloed stond, dat hij Gods naam zou misbruiken om zulk laag bedoelen te dekken? Zie, degenen, die de bediening des Woords tegen willen werken, zijn ijverig in de weer, het in een kwaad daglicht te stellen. Wanneer men in de zonde wil volharden, dan stelt men hen, die ze bestraffen, voor als zichzelf bedoelende, als het kwade zoekende voor hun naburen.
II. Zij besluiten, ondanks de vermaning, naar Egypte te trekken. Zij besluiten, niet in het land van Juda te blijven, gelijk God hun bevolen had, vers 4. Zij gaan eensgezind weg en nemen al het hun mee naar Egypte. Zij namen het gehele overblijfsel van Juda, die van alle de heidenen, waar zij waren henengedreven, wedergekeerd waren om in het land van Juda te wonen, uit oprechte begeerte naar dat land. Zij lieten deze hun vrijheid niet, maar dwongen ze, mee te gaan naar Egypte, vers 5, mannen, vrouwen en kinderen, vers 6, een lange reis naar een vreemd land, vol afgoderij, een land dat Israël nooit met vriendelijkheid of trouw had behandeld (zie echter Genesis 45:17-20). Daarheen wilden zij gaan, en daarvoor verlieten zij hun eigen land en onttrokken zich aan Gods bescherming. Het is dwaasheid van een mens niet te weten wanneer hij het goed heeft, dikwijls ruïneert hij zich door zijn pogingen om een betere positie te krijgen. Het is de hoogmoed van vooraanstaande mannen, dat ze degenen, die onder hen staan, aanmanen hen te volgen, al gaat dat ook tegen recht en plicht in. Deze trotse mannen noodzaakten zelfs Jeremia en Baruch, met hen mee te gaan naar Egypte, zij voerden hen mee als gevangenen, ten dele om zo te straffen (en groter straf konden zij hun niet opleggen, dan ze te dwingen, tegen hun consciëntie te handelen, dat zijn de ergste tirannen, die over uw ziel regeren willen, zeggende: "Buig u neer, dat wij over u gaan," Jesaja 57:2, ten dele om zelf naam te maken. Ofschoon de beide mannen gedwongen werden, wilden die dwingelanden de wereld doen geloven, dat zij vrijwillig medegingen, en wie zou hun beticht hebben van ongehoorzaamheid aan het woord des Heeren, zo de profeten zelf aldus hadden gehandeld? "Zij kwamen te Thachpanhes, een beroemde stad in Egypte (zo genoemd naar een Koningin van die naam)", I Koningen 11:19, hetzelfde als Chanes, Jesaja 30:4, het was nu de hoofdstad, want Farao's hof was daar, vers 9. Geen plaats paste deze trotse mannen beter dan de koninklijke stad en nabij het hof, zo weinig dachten zij aan Jozefs wijsheid, die zijn broederen in Gosen liet wonen. Hadden zij de zin van ware Israëlieten gehad, zij zouden liever in de woestijn van Juda gewoond hebben dan in de meest bevolkte steden van Egypte.