3. En Hij wierp hem in de afgrond en sloot hem daarin, door de deur achter hem te sluiten en verzegelde die boven hem. Hij plaatste een zegel op de deur, om hem des te onherroepelijker in de bodemloze diepte als zijn gevangenis te houden, opdat hij de volken niet meer, zoals hij had gedaan, zolang hij nog ongehinderd zijn werk op aarde kon doen, verleiden zou en de heidenen, die in de catastrofen van de vorige geschiedenis niet ook waren ingewikkeld (
Hoofdstuk 13:3), niet zou bewegen om het rijk van God aan te vallen, ten einde de gang daarvan tegen te houden of te storen en de ontwikkeling ervan te verderven of te verontreinigen. Dit zou duren totdat de duizend jaren geëindigd zouden zijn, zodat nu een grote sabbat van duizend jaren voor de wereld komen zou. En daarna als die duizend jaren zijn voorbij gegaan, moet hij volgens het raadsbesluit van God nog eenmaal een kleine tijd ontbonden worden, om in hetgeen hij dan teweegbrengt het laatste beslissende oordeel over zichzelf en de hele mensheid teweeg te brengen.
De engel is zonder twijfel Christus zelf, die alleen daarom als een engel voorkomt, omdat Hij hetgeen Hij hier doet in de kracht en volmacht van Zijn Vader als de Wereldregeerder volbrengt. Niemand anders dan Hij heeft de sleutel van de afgrond, aan de ster in Hoofdstuk 9:1 moest die eerst voor het bepaalde gebruik alleen worden gegeven. Bij het noemen van de duivel zijn alle namen opeengestapeld, om aan te tonen hoe noodzakelijk het in banden sluiten van hem voor een geruime tijd was geworden, als het rijk van God zich eindelijk eens op aarde vrij zal bewegen en de hele mate van de krachten en zegeningen, die daarin gelegen zijn, openbaar zal maken. Is het de tegenstander toegestaan de hele diepte van zijn helse boosheid en de hele rijkdom van zijn macht en list te ontvouwen, om de Christus van de Heere Zijn bestuur op aarde te ontrukken en heeft hij dan het hoogste, dat hij kan teweegbrengen, in de wangeboorte van een persoonlijke antichrist, die hij van de dode heeft doen opstaan en in de inspiratie van de valse profeet, die uit de Kerk zelf is voortgekomen, reeds duidelijk gemaakt, zo is het na vernietiging van deze staatsgreep nu ook billijk en recht, dat hij voor een bepaald afgemeten langere tijdruimte buiten cours wordt gezet en van de macht om iets uit te werken wordt beroofd, opdat nu ook openbaar wordt wat het rijk van God op zichzelf kan teweeg brengen bij de mensenkinderen op aarde als deze niet, zoals tot hiertoe altijd het geval was geweest, door de duivel verblind, verleid en tot een rijk van de duisternis verenigd, dat in strijd was met het rijk van het licht. Wij hebben dan hier te doen met het zogenaamde chiliasmus of duizendjarig rijk Dit is een leerstuk, in welks geschiedkundige ontwikkeling drie perioden kunnen worden onderscheiden: 1) In de eerste eeuwen, door de meest gevierde kerkleraars verdedigd, werd het een hoofdbestanddeel, zo niet van het algemene kerkelijk geloof, toch van de orthodoxie van de geleerden, totdat een diep ingrijpende omkering van de openbare toestanden en van de stemming van het harten bij de Christenen het uit de rij van de kerkelijk legitieme voorstellingen tot de plaats van de ketterij verdrong. 2) Sinds de reformatie werd het vernieuwd als lievelingsdogma van godsdienstig opgewonden sekten en dwepers, die daarheen vluchtten met hun idealen of baatzuchtige wensen, die door de tegenwoordige tijd onvervuld waren gebleven, maar werd juist daarom door de gereformeerde belijdenis terzijde gesteld en in Art. 17 van de Augsburgse Confessie met alle beslistheid verworpen. 3) Dieper in het leven van de Kerk drong het weer sinds het midden van de 18de eeuw, nadat reeds het piëtisme er meer mee verzoend was door de krachtigen steun, die de eerwaardige prelaat Johannes Albr. Bengel er aan gaf en heeft heden zonder twijfel een veelbetekenende toekomst voor zich, hoewel kerkelijke orthodoxie het in elke vorm met de ban vervolgt en men met inspanning van alle krachten dat stuk uit de Bijbel probeert weg te exegetiseren. Wij hebben bij Jesaja 65:25 en Jesaja 3:25 van zodanige schrijvers, die onvoorwaardelijk voor autoriteiten kunnen gelden, aangehaald en reeds daar de overtuiging moeten verkrijgen, dat het profetische woord van het Oude Testament ontwijfelbaar tot de aanneming van een aards rijk van de heerlijkheid nog aan het einde van deze tijd van de wereld noodzaakt. Hier nu komt het profetische woord van het Nieuwe Testament bij en wel met een zo bepaald, ondubbelzinnig getuigenis, dat de antichiliasten of tegenstanders van het aannemen van een duizendjarig rijk genoodzaakt zijn, òf het kanonische aanzien van de Openbaring an Johannes te betwijfelen en dit boek voor niet-apostolisch te verklaren, òf de hele uitlegging van dit gedeelte van de Heilige Schrift als nog veel te twijfelachtig en onzeker terzijde te schuiven. Men moet dat doen, als men ten minste niet aan de woorden van de tekst op een wijze geweld wil aandoen, dat ieder verstandig lezer met recht moet vragen, of dat nog uitlegging is of niet veeleer mishandeling en vernietiging, óf men moet het duizendjarig rijk in het verleden en het heden van de Kerk zoeken en uit de lijst van de laatste dagen wegschrappen. Wij kunnen niet begrijpen "hoe men in het belang van een vermeende correctheid van de zuivere leer ertoe kan besluiten de eerste en laatste van deze drie wegen in te slaan; want wat de eerste aangaat is het toch zeker veel correcter om niet een gedeelte van het Woord van God op te offeren en daarmee aan de negatieve kritiek het mes in de band te geven, om ten slotte ook al het andere weg te snijden. Wat het laatste aangaat, men weet niet waar men zich meer over moet verwonderen, òf over het ontzaglijk verzwakken en vervluchtigen van het woord van de profetie, òf over de ontzaglijke overwaardering van de tegenwoordige toestand, dat men het waarschijnlijk probeert te maken, dat het duizendjarig rijk en het binden van de satan, het eerste opstaan van de doden en de heerschappij van Christus over de wereld reeds in deze vorm van de Kerk openbaar zou zijn geworden. Ook de middelsten van de bovengenoemde drie wegen mogen wij niet inslaan, dat wij de uitlegging van onze plaats zouden laten rusten, al is het ook voor het praktische werk van een dienaar van het Woord aan te bevelen, dat hij de gemeente van pogingen tot verklaringen verschoont, die maar al te licht verwarring zouden kunnen aanrichten en dweperijen in de hand werken. Wij moeten echter met ons bijbelwerk tot aan het einde van de Schrift voortgaan en kunnen niet voor ondiepten omkeren, die reeds menigeen het leven hebben gekost, maar hebben de plicht op ons genomen, onze lezers met de hulp van de Heere erover te brengen. Ik stel er belang in, schrijft een uitlegger, ten opzichte van alle uitspraken van de Heilige Schrift een goed geweten te hebben, geen van die met mijn hart weg te wensen en daarom met mijn verklaring geweld aan te doen. Ik wens tot die alle mij op dezelfde wijze te plaatsen, als een natuuronderzoeker, die de voorwerpen weer en weer beschouwt, ze onder de microscoop neemt en dan getrouw bericht wat hij heeft gezien. Met een dergelijke gezindheid geven ook wij de resultaten weer van ons Schriftonderzoek en zijn er zeker van, dat op die plaats, die bij ons het chiliasme inneemt en in die vorm, waarin het hier optreedt, op generlei wijze aan de Kerk schade zal worden gedaan.
Gedurende 60 eeuwen, zo hebben we vroeger gezien, heeft die oorlogstoestand geduurd, die God eens na de zondenval tussen de slang en de vrouw en tussen het slangenzaad en het zaad van de vrouw heeft gesteld (Genesis 3:15); deze tijd van zware arbeid en strijd, waaronder het menselijk geslacht zo ontzaglijk heeft geleden, heeft de slang ten slotte nog tot die hoogte gebracht, dat er een op aarde regeerde, wiens teken juist 666 is geweest (Hoofdstuk 13:18) en heeft met deze mens van de zonde voor de tweede maal het vrouwenzaad de verzenen vermorzeld, omdat hij door deze ook de Kerk van Christus heeft omgebracht, evenals hij vroeger Hem zelf aan de kruisdood heeft overgeleverd. Nu echter het antichristische wezen, die misgeboorte van de hel, overwonnen is, heeft ook die tijd van arbeid en strijd op aarde een einde, die toestand van strijd zal ophouden en daarvoor zal een sabbat van duizend jaren volgen in het zevende duizendtal sinds de schepping van de wereld (zonder twijfel met het oog daarop, dat aan de "duizend jaren" zesduizendtallen van de wereldgeschiedenis zijn voorafgegaan, worden ze zesmaal uitdrukkelijk genoemd: Vers 2, 3, 4, 5, 6, 7). "Evenals het zevende jaar een rusttijd van een jaar voor een zevental aanbrengt, zo heeft ook de wereld duizend jaren rust voor zeven duizendtallen jaren. " zo wordt op grond van Jesaja 2:11 Psalm 92:1 en 90:4 de Joodse schriftgeleerden gezegd; en merkwaardig luidt een overlevering van de school van Elias, die zegt: zesduizend jaren bestaat de wereld, waarvan tweeduizend thohoe (tijd voor de wet), tweeduizend thora (tijd van de wet), tweeduizend Messiasdag (Messiaanse tijd); van deze laatste is echter om onze zonden, die zo groot zijn, reeds zoveel verlopen. Israël, dat aan het einde van de 19de eeuw van de Messiaanse tijd zich eindelijk bekeert en vervolgens gedurende de 20e eeuw zich openbaart als een heilige Zionsgemeente (Hoofdstuk 14:1), zal deze tijd van rust en genot gedurende het zevende duizendtal jaren van de wereld in het bijzonder genieten als een tijd van heerlijkheid. Een Kerk uit de heidenen vergaderd, zal op de bodem van onze tegenwoordige Christenheid dan niet meer aanwezig zijn, omdat de antichrist ze hier in het bereik van zijn heerschappij vernietigt, zodat alleen op de bodem van onze tegenwoordige zendingsstations in vreemde delen van de aarde nog Christelijke gemeenten zullen bestaan en daarmee het woord aan de Kerk te Filadelfia in Hoofdstuk 3:10 gegeven wordt vervuld. Aan het volk van Israël was de Sabbath gegeven tot een teken tussen hen en de Heere en tot een eeuwig verbond (Exodus 31:12) en Israëls hele tijdrekening beweegt zich om de Sabbath, zodat het naast de wekelijkse Sabbath ook een maandelijkse Leviticus 23:25, een Sabbatsjaar Leviticus 25:7 en een jubeljaar Leviticus 25:55 geeft. Vanaf het begin is het dus op het duizendtal Sabbathsjaren berekend, terwijl voor de kern uit de heidenen vergaderd deze hele orde en aanleg is weggelaten, ten teken dat voor deze het duizendtal Sabbathsjaren geen onmiddellijke betekenis heeft (vgl. het wegvallen van de derde en zevende bede van het Onze Vader in vele handschriften bij Lukas 11:2-4); deze is integendeel meteen in het achtste duizendtal, dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde brengt (Hoofdstuk 21), met haar hoop op volmaking daardoor ingeleid, dat voor haar de dag van de opstanding van Christus als achtste dag van de week Re 13:18 tot haar "dag des Heeren" is gemaakt. (Handelingen 20:7. 1 Corinthiërs 16:2 Openbaring :10). Wordt deze verhouding behoorlijk beschouwd, dan is het duidelijk, waarom het chiliasme van die tijd, dat de Kerk tot hele zelfstandigheid kwam en openlijke erkenning verkreeg, geheel uit de kring van de Christelijke leerstellingen moest uittreden en buiten deze blijven, zolang als de "tijden van de heidenen" duren, maar meteen zich weer doen gelden, als de geschiedenis van de ontwikkeling van het rijk van God hier beneden daarop uitloopt, dat Israël weer op de voorgrond treedt. Het is ook geheel consequent, dat die theologie, DIE wij kortheidshalve met de uitdrukking "ecclesiolatrie" noemen, omdat zij de Kerk als het hoogste in het rijk van de genade stelt en van Israëls voorrang niet wil weten, antichiliastisch gezind is en het aannemen van een duizendjarig rijk op iedere wijze bestrijdt. Voor de tijden, die wij tot hiertoe hebben gehad, had zij het volste recht om alle dweepachtig misbruik af te snijden. Aan de Kerk als zodanig hebben zij daardoor niets van haar heil onttrokken; want deze rust gedurende de duizendjarigen Sabbath als in het graf, evenals haar Heere op die grote Sabbath, waarvan in Lukas 23:56 gesproken wordt (vgl. Hoofdstuk 14:13) en wacht op de algemene opstanding (Vers 12). Maar verder heeft het antichiliasme geen recht. Wil men de hele Heilige Schrift en ook in het bijzonder de beloften aan Israël gegeven onder die verklaring brengen, dan moet men die, zoals wij boven zagen, òf verdraaien, òf gedeelten ervan terzijde stellen, waardoor men zichzelf ten gronde richt.
Wij hebben reeds bij de verklaring van de profeet Ezechiël ons duidelijk gemaakt, hoe het komt, dat juist bij Israël, dat volk, zolang verstokt en de zaligheid in Christus vijandig, de Heere eindelijk gelukt is een gemeente te vormen, zoals Hij die begeert en zoals die Hem echt is tot een eer voor de wereld (Efeze 5:27) en zoals die gemeente in Hoofdstuk 14:1, voor ogen is gesteld. Zij is de vrouw van het Lam, die zich bereid heeft voor den dag van de bruiloft en waaraan gegeven is zich te bekleden met rein en fijn lijnwaad. Nadat zij dan in de 20ste eeuw de tempel is geweest, waarvan een water is uitgegaan, om de wateren van de Dode zee gezond te maken (Ezechiel 47:1) en nadat zij voor die Kerk, die door de vijf wijze maagden wordt afgebeeld (Mattheus 25:1) het "leven uit de doden" is geworden (Romeinen 11:15), terwijl de andere Kerk, door 5 dwaze maagden afgebeeld, de antichrist en diens profeet heeft opgeleverd, waarop dan de antichristische tijd van de verschrikking de Kerk, die vernieuwd is en door de uit Babel afgezonderden (Hoofdstuk 18:4 v.) vermeerderd is, voor deze wereld vernietigde en in het graf bedolf (Hoofdstuk 13:7, 15), wordt zij zelf, de vroeger genoemde bruid van het Lam, wonderbaar gered van de aanval van de antichrist en diens legerschaar (Hoofdstuk 19:11) en nu wordt, na de vernietiging van geen datgene haar deel, wat haar beloofd was, de tijd van de verkwikking voor het aangezicht van de Heere. Nu wordt over haar gebracht al wat God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten vanaf het begin van de wereld aan (Handelingen 3:20 v.). Nog wordt de Satan zelf niet op de laatste, meest beslissende wijze gevonnisd en eveneens in de poel van vuur geworpen, zoals reeds met het dier en de valse profeet heeft plaats gehad (Hoofdstuk 19:20). De werken van de Heere worden nu eenmaal trapsgewijze vervuld; de dood, die een drievoudig werk aan ons doet, namelijk lichaam en ziel van elkaar scheidt, het lichaam tot stof en as maakt, en de ziel overgeeft aan die, die het geweld van de dood heeft (Hebreeën 2:14), neemt Hij in de gevolgen van het einde naar voren voor ons weg. Die ten gevolge neemt Hij in de eerste plaats bij het sterven de ziel in Zijn handen, vervolgens herstelt Hij op de jongste dag het lichaam, dat uit stof en as nieuw en verheerlijkt opstaat en verenigt Hij daarmee de ziel. Op dezelfde wijze oordeelt Hij ook van het einde naar voren Zijn vijanden en stort eerst het beest en de valse profeet in de poel van vuur, om vervolgens pas op de laatste dag ook de duivel daarin neer te werpen en de dood en de hel met allen, die niet worden gevonden in het boek des levens, hem na te werpen (Vers 10, 11 v.). Gebonden wordt echter de Satan reeds na afloop van de zesduizend jaren van arbeid en strijd voor het zevende duizendtal en zo vast in de afgrond gesloten, dat hij in deze tijdelijke en aardse wereld niets meer kan uitrichten. Men zou de geschiedenis van Israël in haar hele verloop van het begin tot het einde volgens de zeven beden van het Onze Vader kunnen beschrijven: de eerste bede omvat de tijd vóór Christus van Abrahams roeping aan, door wet en profetie, totdat Christus verschijnt en daarmee de tweede bede wordt vervuld. Het werk van Christus is de tijd van de derde bede (Johannes 1:51). En als nu evenwel Israël zich verstokt en het rijk van God heeft verstoten, dan is toch die hele tijd van zijn verwerping de wonderbaarste bevestiging van de vierde bede door het bewaren van het volk (Hoofdstuk 12:6), totdat de vijfde bede vervuld wordt met de wederaanneming tot genade (Hoofdstuk 11:11 v.). Voordat echter de tijd van de zevende bede kan intreden (Hoofdstuk 21:4; 22:1) moet eerst de zesde worden vervuld en dat juist is de bedoeling van het duizendjarig rijk met het binden van de Satan. Wij smeken toch in die bede, dat Gods ons behoedt en onderhoudt, opdat ons de duivel, de wereld en ons eigen vlees niet bedriegen noch verleiden tot verkeerd geloof, wanhoop en andere grote ellenden en zonden, maar zolang deze tijd duurt zullen wij ons moeten vergenoegen erbij te voegen: "en al is het, dat wij daarmee worden bestreden, wij toch eindelijk winnen en overwinnen mogen. " Zou het nu de Heere niet mogelijk zijn, nog iets groter voor deze tijd van de wereld te verschaffen? Ja, maar ook weer in het op elkaar volgen van achteren naar voren. In Hoofdstuk 14:1-5 heeft Hij Zijn Zionsgemeente verlost van de macht van het vlees en in de woorden: deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; en in hun mond is geen bedrog gevonden", worden ons mensen beschreven, die door het vlees niet worden aangevallen, omdat de Geest Zich geheel van hen heeft meester gemaakt (Galaten 5:16, 24). Ook de wereld viel deze gemeente niet meer aan, zij was geheel en al voor deze omsloten, zoals ons het gezicht van de tempel in Ezechiel 40 heeft getoond. Nu moet ook de duivel, zoals hij het met de krijgstocht van de antichrist tegen Jeruzalem heeft beproefd (Hoofdstuk 19:11 vv.), gedurende de grote sabbath periode niets meer tegen de gemeente kunnen doen, hij wordt daarom in de afgrond gesloten. Daarentegen, evenals vroeger in de periode van de antichrist vlees, wereld en duivel zich hebben aaneengesloten tot een zo gevaarlijke zeshonderd zesenzestig, dat, als het mogelijk was, ook de uitverkorenen tot de duivelen zouden hebben kunnen worden verleid, moeten nu alle goede machten zich verenigen tot een zo vriendelijk lokkende en hartveroverende kracht, dat, zo het mogelijk was allen, die verder tot het rijk van God worden geroepen, ook tot uitverkorenen zouden moeten worden. Nu is de een van de drie machten die geheiligde Zionsgemeente zelf, die noch vlek noch rimpel heeft noch iets dergelijks en met geheel hun wezen in sterke mate die macht uitoefent over de harten van degenen, die daarbuiten zijn, die voorafbeelding reeds bij de apostolische Kerk te voorschijn trad (Handelingen 2:14-47). Van de beide andere machten wordt in het volgende gesproken.
De duivel, die sinds bijna 6000 jaren onder de voor een geschapen geest schier onbegrijpelijke lankmoedigheid van God, ten nadele van de zaak van de Heere, aan zijn euvelmoed de teugel viert, wordt nu gevangen genomen, en naar de afgrond verbannen. De wereldregeringswijsheid van de Allerhoogste in deze zes jaarduizenden van Zijn lankmoedigheid is onnaspeurbaar en ondoorgrondelijk. Met groot geduld draagt God de vaten van de toorn, totdat het boze voor het gericht is rijp geworden, totdat van de zijde van Zijn barmhartigheid en genade ook tegenover de boze en zijn schaar alles is geschied, om hen tot ommekeer te nopen, of wel tot het oordeel toe te bereiden. God zag, als de Ongeschapene, wel in Zijn wijsheid het gevolg vooruit, maar dit moest zich in het rijk van de geschapen geesten eerst volgens de wetten van de vrije zelfbestemming, aan alle redelijke wezens voorgeschreven, ontwikkelen; zo openbaart de tijd wat van eeuwigheid in het hart van God verborgen en in de schatkamers van Zijn wijsheid verzegeld was. Hij staat aan het rijk van de duisternis, dat onder de mensen een menigte van aanhangers telt (Johannes 3:19), zoveel toe, dat het Zijn rijk, door Jezus Christus gegrondvest, dat aan de Vader Zijn Zoon, aan de Zoon het leven gekost heeft, door de duivel en zijn medestanders tot op twee gemeenten uitgeroeid wordt, wier vernietiging Hij door Zijn tussenkomst vanuit de hemel verhoedt. Dat dan de lankmoedigheid van God uitgeput, het werelduurwerk afgelopen en Zijn raadsbesluit van het kluwen van de eeuwigheid losgewonden is, wordt door alle engelen en volmaakte geesten ingezien. Een hogere macht dan de zijn treedt dus tegen de duivel op, want gerechtigheid en gericht zijn de zuilen van Gods troon. "De zieke man" aan de Eufraat is reeds gestorven; de moeder van de gruwelen en hoererij en van deze aarde is reeds uitgeroeid en verbrand; de antichrist en de valse profeet zijn in de vuurpoel geworpen; hun schaar, de Christushaters en heiligen-slachters, zijn de gieren tot een aas geworden; tenslotte wordt nu Christus' hoofdvijand, de duivel met de zijn in de afgrijzing-wekkende kerkerholen van de afgrond opgesloten; verwaaid zijn alle rijken van de draak als stof op de dorsvloer; eindelijk wordt ook zijn onzichtbaar rijk met wortel en tak uitgeroeid en elk spoor daarvan met de bezem van het verderf van de aarde weggevaagd.
Het oogmerk van de verschijning van de Heere Jezus op aarde was, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou; opdat Hij eerst de sterke zou binden en daarna zijn huis beroven; opdat Hij teniet doen zou degene, die het geweld van de dood had, dat is de duivel; opdat Hij de overheden en de machten uitgetogen hebbende, die in het openbaar ten toon stellen en over hen triomferen zou. Hij is het, die de grote draak, de oude slang, die genoemd wordt duivel en satan, de verleider van de hele wereld, op de aarde werpt. Hier nu wordt door Hem dat boze wezen, hetwelk als vorst van deze wereld een viertal namen draagt, in de hel geworpen; want nadat de heerschappij van de God vijandelijke wereldmacht in de overwinning over de tien koningen door middel van de oordelen van God en de uitbreiding van de Kerk ten onder is gebracht en nadat de Germaanse volken hun vijandschap tegen God, tegen de Heere Jezus en Zijn Kerk verlaten en het juk van Christus opgenomen hebben, is de heidense wereldheerschappij (het beest) van de aarde verdwenen en daarmee aan satan de gelegenheid benomen om de mensen afvallig te maken. Van nu af zenden de volken, die de Heiland erkennen, de bede op: "leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze", waardoor de boze vijand wordt aangeduid. In plaats van, zoals tot hiertoe, zich door dezen te willen laten verleiden en gewillig het oor te lenen aan zijn verraderlijke inblazingen, roepen zij God aan, die niemand verzoekt, opdat Hij hen beveiligt tegen de aanslagen van degene, die listig is en machtig. En de getrouwe God laat niet toe, dat de draak met zijn verleiding tot afval van het waar geloof en de ware Kerk de gelovigen bespringt. Thans, nu de volken onderdanig zijn aan hun rechtmatige Heer en God, Schepper en Verlosser, moet de boze van hen vluchten. Slechts over hen, die God verachten, oefent deze zijn macht uit. Maar de aarde waakte en had gedurende de duizend jaren en vandaar beveiliging tegen de heerschappij van de zielenmoorders. Het tijdvak van duizend jaren wordt zes maal genoemd. Deze nadrukkelijke herhaling van dat getal is een bepaalde aanduiding, dat het in eigenlijke zin moet worden opgevat. Hoewel nu het juiste jaar niet kan worden opgegeven, waarin door de ten onder brenging van de tien koningen een einde is gemaakt aan de heidense wereldheerschappij, zoals het ook in de aard van de volksverhuizing ligt, dat zo'n bepaalde tijdsaanwijzing onmogelijk is, zo kan men toch nauwelijks ergens het aanvangspunt van die duizend jaren geschikter plaatsen, dan op het Kerstfeest van het jaar 800. Op die dag kan men het Christelijke keizerrijk in het Westen als gevestigd beschouwen, omdat toen paus Leo III in de Pieterskerk te Rome de Rooms-keizerlijke kroon op het hoofd van de Frankische koning Karel de Grote plaatste. Het volk juichte deze kroning toe en beschouwde van dat ogenblik af die vorst als een door God zelf aangestelden gebieder. Uit Vers 7 zien wij, dat de satan bij het einde van de duizend jaren weer wordt losgelaten. Maar hij draagt daar de naam van draak niet meer, maar die van duivel en satan; want zijn hoedanigheid als "draak", dat is als de Leviathan in de zee van de volkeren, heeft voor altijd een einde genomen, omdat het beest (de heidense wereldheerschappij) in de poel van vuur geworpen is, om op aarde nooit meer enige schade te kunnen aanrichten. Wanneer de vijandschap van de goddelozen tegen de Heere Jezus opnieuw uitbreekt in de aanstaande dagen, die wij tegemoet gaan, dan treedt die vervolging niet weer op in het karakter van een heidense wereldmacht; maar zij zal zich dan op een geheel andere wijze en in een en gans andere vorm openbaren. De lotgevallen van de wereld vinden zich in het klein afgespiegeld in die van afzonderlijke mensen. Lieve lezer! wanneer u door de boze lusten van uw eigen vlees ten kwade wordt verlokt, weet dat als u de zonde over u wilt laten heersen en u door de boze geest wilt laten verleiden, deze ook macht over u heeft en u onderwerpt aan zijn heerschappij. Maar keert u uit het land van uw vreemdelingschap terug tot Hem, die de waarachtige Gebieder van uw leven is; staat u in het geloof, wakend en biddend, dan boeit de Heere Jezus de satan, dat deze geen macht over u heeft en werpt hem geketend in de hel. Maar als dat ook in u niet gevonden wordt, kan de verleider voor u niet geboeid worden. Dan echter is voor u het duizendjarig rijk daar, het rijk van gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest en in dat rijk blijft u, zolang u volhardt in geloven, waken en bidden. Maar wee u! wanneer u opnieuw afvalt van het allerheiligst geloof in de Zoon van God, wanneer u het bloed van het Nieuwe Verbond onrein acht en de geest van de genade smaadheid aandoet! Dan was het laatste erger dan het eerste. Dan zou de boze heengaan en nemen met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf en ach! wat zou het zijn, als wij, nadat wij door de kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen van de wereld ontvlucht zijn, in deze weer ingewikkeld en erdoor overwonnen werden. God behoedt ons daartegen! Toen de Heere de bezetenen Gadarener genas, baden Hem de duivelen, dat Hij hun niet gebieden zou in de afgrond heen te varen. Zij bemerkten zo, wat hun bij de eerste toekomst van Christus te wachten stond. Maar toen was het ook nog te vroeg geweest om hen in de afgrond te werpen. Volgens een ander evangelisch bericht riepen zij: "Jezus, U Zoon van God! wat hebben wij met U te doen? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd! " Hieruit blijkt, dat de duivels hun tijd hebben gekend. Hetgeen zij toen vooruitzagen, dat wordt hier voorgesteld als ten zijnen tijde tegenwoordig. De satan wordt in de afgrond geworpen en daarin gesloten. En zoals eens de steen verzegeld werd, die voor het graf van Jezus gewenteld was en eens het zegel van koning Darius de toegang tot de spelonk van de leeuwen en hun vermeende prooi, Daniël, had afgesloten, evenzo wordt hier de hel, de gevangenis van de satan, gesloten en verzegeld, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, zoals hij vroeger gedaan had ten tijde van de heidense wereldheerschappij, toen hij aanhitste tot de strijd tegen het Lam en de heiligen. Door het woord "volken" worden hier aangeduid de natiën in tegenstelling met het Joodse volk, hetzij zij nog heidenen zijn, hetzij zij tot de Christelijke Kerk behoren. Daar de heidense heerschappij op aarde gedurende die duizend jaren door een Christelijke vervangen is, aanschouwt dit tijdvak geen zulke bloedige vervolgingen meer, als de Kerk vroeger van de Romeinsen staat en van de Germaanse volken te lijden heeft gehad. Maar na die duizend jaren wordt de boze weer los en verleidt de volken van de aarde opnieuw tot een openlijk heidendom, tot een heilloos ongeloof en een nieuwe, bittere strijd tegen de Heere Jezus en Zijn Kerk. Uit de opgegeven tijdsbepaling volgt, dat wij het einde van deze duizend jaren reeds achter ons hebben. De tijd is zo reeds voorbij, dat de Kerk op aarde heerste en door de natiën erkend en begunstigd werd. In de volgende verzen is dus afgeschilderd het tijdvak, waarin wij leven, het ontbonden zijn van de satan uit zijn gevangenis; en opnieuw gaat hij als een verslindend roofdier uit, om de volken uit de vier winden bijeen te zamelen.
Nu wordt de voltooiing van de gemeente van de Heere beschreven, na al het lijden en strijden, dat zij tot dusverre heeft verdragen. Er is geen reden, om de duizend jaar anders te verstaan dan van een omstreeks zo lange, nog toekomende periode. In dat tijdperk houden de verzoekingen van de satan op en de gemeente van Christus verheft zich tot vroeger ongekenden bloei. Daaraan zullen de uitverkoren knechten van Christus (alle Christenen worden niet gezegd) door de opwekking van hun lichaam deelnemen; maar dat Christus of Zijn heiligen dus ook lichamelijk op aarde zullen heersen, dat wordt niet gezegd en is ook in strijd met Jezus' eigen verklaringen aangaande Zijn terugkomst. Tot deze bloeiende toestand van de Kerk behoren een rijke volheid van de over haar uitgestorte Heilige Geest en een overvloed van goddelijke genadegaven in de gemeente, de overwinnende strijd tegen het kwade, dat nog op aarde bestaat en vooral de heiliging van alle maatschappelijke betrekkingen, zowel van kunst en wetenschap, als van handel en bedrijf onder de mensen. In de beide eigenaardige kentekenen van deze tijd, dat "de satan gebonden is en de heiligen met Christus regeren", is geen spoor van vleselijke voorstellingen, zoals Joden en dwaalleraars ze hebben toegevoegd aan het verminkte beeld van het duizendjarig rijk, dat de vromen en heiligen een wereldrijk zouden bezitten, welk denkbeeld door de Augsb. Conf. art. 17 verworpen wordt. Daarentegen is deze leer, welbegrepen wordende, hoogst weldadig, omdat zij ons alles, wat tot bevordering en voltooiing van de Kerk op aarde geschiedt, ja, al wat van de mensen heerschappij over de natuur begunstigt en vermeerdert, als geen vergeefse arbeid leert beschouwen. De aardse gemeente is geen nachtverblijf voor enkele naar de hemel reizende Christenen. Haar leraars en dienaars planten en begieten niet alleen daarom, opdat uit haar hof enkele bloemen voor de gemeente daarboven geplukt zouden worden. Hun onderzoeken en bidden, hun bouwen en afbreken, hun bewaken en dichten van Sions bressen voltooit reeds in deze wereld langzamerhand een behuizing van God in de geest, waarin Gods aardse gaven niet meer schandelijk in eigen eerzucht en zondige genietingen worden ontwijd, waarin alle uitvindingen en ontdekkingen van de mensen en de daarmee verworven heerschappij over de natuur, God en van Zijn gemeente op aarde dienen zullen. Zo schijnt ons dan geen vooruitgang in kunst en wetenschap, geen bevordering en begunstiging van de gemeenschap onder de mensen als onheilig of onverschillig; dat alles, wij geloven het zeker, zal eenmaal de bestemming vervullen, waartoe God het geroepen heeft. "In die tijd zal op het tuig van de paarden geschreven staan: "de heiligheid van de Heere en de potten in het huis van de Heere zullen zijn als de bekkens voor het altaar. Want alle potten, zo in Jeruzalem als Juda, zullen de Heere Zebaoth heilig zijn; zodat allen, die offeren willen, zullen komen en ze nemen en daarin koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de Heere Zebaoth, in die tijd" (Zacharia 14:20, 21). Maar hoe belangrijk ook voor de opwekking en besturing van de Christelijke hoop de leer van dit boek is, zo scherp moet zij ook in het oog gevat worden, opdat men niet aan de anderen kant tot dwalingen vervalt. Reeds vroegere profetieën hebben ons doen zien, wat een vreselijke macht van verderf die bijna algemene heerschappij van de goddeloosheid deze jongste overwinning van de Kerk zal voorafgaan. Hoewel daarom al een enkele zaak van hetgeen op aarde geschied is, of iets wat de mensen zich hebben weten te verwerven, vergeefs heeft bestaan, zo is toch vóór de overwinning van de antichrist op geen algemene, uitwendig verre om zich grijpende zegepraal van het ware Christendom te hopen. Voorts zal Christus' duizendjarig rijk in een aardse en daarom toch nog onvolkomen gemeente van Christus bestaan. De tegenstelling van hemel en aarde ("Mt 5:35" en "Heb 4:1 zal nog blijven voortduren (vgl. Hoofdstuk 21). Evenals in de mens, in het bijzonder ook na zijn bekering, de strijd van de geest met het vlees nog wordt voortgezet, ja, zoals die dan pas echt begint, zo zal die ook in de gemeente, over het geheel genomen, nog aanhouden. Onder de kinderen van de rijken zullen nog kinderen van de boosheid zijn. Er zal overheid en huwelijk zijn, de arbeid zal worden verricht in het zweet des aangezichts, het schepsel zal niet vrij zijn van de dienst van de vergankelijkheid. Nog zal de prediking het volk roepen en vermanen; nog de Christelijke gemeente `s Heeren dood verkondigen, totdat Hij komt (1 Corinthiërs 11:26). Een hele voltooiing in onszelf, zonder te zijn één geworden met de hemel, kan er voor ons aards bestaan niet wezen; en zoals er van de kleinste zondige besmetting van de enkele mensen tot zijn volledige heiligmaking een geweldige plotselinge overgang moet zijn, naardien er geen langzaam overgaan en oplossen van zonde in heiligheid mogelijk is, zo moet ook nog door de jongste strijd in de laatste overwinning de gemeente van haar hoogste aardse voltooiing tot haar alhele verheerlijking geleid worden. Juist daarom komt de tijd, wanneer ook deze heerlijkheid van het duizendjarig rijk vergaat en de macht van de satan zich weer op de ontzettendste wijze openbaart; maar dan alleen om overal toch te worden overwonnen. In hoeverre deze laatste gebeurtenis zich ook tot in de onzichtbare wereld uitstrekt en de grote verheerlijking van de aarde en haar één-worden met de hemel voorbereidt, dat is slechts enigermate aangeduid door haar plaatsing vóór het jongste gericht en de verheerlijking van hemel en aarde (Hoofdstuk 21).
Enigen nemen deze duizend jaren voor de hele tijd van de eerste komst van Christus tot Zijn tweede, zoals dit woordje duizend een zeker getal voor een onzeker somwijlen betekent in de Schriftuur (Psalm 91:7, 105:8 Maar als Vers 7, 8 de satan nog na deze duizend jaren wordt losgelaten, dan kan het niet wel bestaan, zoals ook niet het voelen van enige anderen, die deze duizend jaren willen eindigen vóór de komst van de antichrist. Er wordt in Vers 4 binnen deze duizend jaren ook melding gemaakt van enigen, die het beest en zijn beeld niet hebben aangebeden. Zo moet vóór het einde van de duizend jaren de antichrist ook geweest zijn. Hierin beginnen anderen de binding van de satan, dat bij de volkeren niet meer en meer verleidt van de tijd, dat Christus door de predikatie van het heilig Evangelie en de kracht van Zijn Geest door Zijn Apostelen de heidense volkeren in de wereld alom tot bekering heeft gebracht, dat over de tijd van de verwoesting van Jeruzalem en de uitroeiing van de Joden, dat is over het jaar 70 meest is volbracht. Zij eindigen in de tijd van paus Gregorius VII, die een sterk instrument van de duivel is geweest om het antichristendom op het hoogste te brengen en alle volkeren hem te doen aanbidden, die over het jaar 1070 heeft gezeten. Hoewel enigen om de vervolgingen, die de satan nog meer dan 250 jaren na de verwoesting van Jeruzalem tegen de Christenen heeft verwekt, deze duizend jaren wat later begonnen, namelijk van de tijden van Constantijn en brengen die terug tot over het jaar 1300 toen niet alleen de antichrist de staat van de Christenen meer en meer heeft doen vervallen toen Bonifacius de achtste over dit Rijk heeft geregeerd. Ook zijn de Turken en Tartaren meest gaande gemaakt van de satan, om de Christenvolken in het Oosten en Westen ten onder te brengen en vele koninkrijken en Christen kerken uit te roeien, niet alleen in Azië, maar ook in Afrika en Europa, zoals haar tegenwoordige gestalte uitwijst.
Al is de duivel ten uiterste boos, zo heeft hij toch geen macht om zijn boosheid naar zijn wil uit te voeren; al wat hij gedaan heeft en doet, is enkel door toelating van de Heere Jezus en dat met bepaling van trap en tijd. De duivelen vrezen voor de afgrond, daarom baden zij de Heere Jezus, dat Hij hen daarheen niet wilde bannen. Nu werd hij gegrepen, gebonden, in de afgrond geworpen, daarin gesloten en verzegeld en dat tot die einde, opdat hij de volkeren niet meer verleiden zou; hij is een mensenmoordenaar, hij zaait ketterijen, hij verblindt de zinnen van de ongelovigen, heerst over hen, houdt ze in zijn strikken gevangen en bestrijdt de gelovigen op allerlei wijzen; maar nu zou hem dat afgesneden worden en dat voor de tijd van duizend jaren, een eigenlijke en bepaalde tijd van duizend jaren of daarover, zolang totdat de duizend jaren geëindigd zouden zijn en niet langer; want daarna moet hij een kleine tijd ontbonden worden. Dat is niet zo te verstaan, alsof er in die tijd van duizend jaren volstrekt geen duivelen meer op de aarde zouden zijn; hij zal altijd als een briesende leeuw omgaan, zoekend wie hij mocht verslinden, maar het doelt op het openbaren; hij zal geen openbare staande partij tegen de Kerk kunnen uitmaken, zoals hij deed, eerst door de Heidense keizers en daarna door de antichrist en na de duizend jaren weer doen zal door Gog en Magog. Wanneer de duizend jaren van de binding van de satan begonnen en of zij eentijdig zijn met de duizendjarige heersing van de heiligen, zullen wij een weinig beneden tonen.
Dit is nu niet moeilijk te begrijpen wat de duizendjarige tijd van de binding van de satan is en waar die begint en eindigt. Men weet toch wanneer Christus door de prediking van het Evangelie en de kracht van de Geest uit de hemel afgekomen is, namelijk, toen hij door Zijn Geest uit de hoogte Zijn discipelen aanstelde tot krachtige verkondigers van Zijn Evangelie en vernietiging van het rijk van de hel. Zijn werk werd door deze en hun navolgers toen gelukkig begonnen, zodat de Satan meteen met geweldige hand gegrepen werd, dat hij het Joodse volk niet langer in de oude dwalingen houden kon; noch de overige wereld naar zijn vorige wijze met zijn godsspraken en huichelarijen bedriegen. In vervolg van tijd werd dit meerdere volvoerd, waartoe het binden, werpen, sluiten, verzegelen behoren en wel zodanig, dat de satan in weerwil van zijn tegenspartelingen, ten tijde van Constantijn, het hele Westerse en Oosterse Rijk, dat voornaamste en meest uitgebreide over de wereld, Christen moest zien worden en hij dus niet meer als voorheen zeer machtige en talrijke volkeren kon verleiden. Dit duurde geruime tijd, totdat men in het Oosten en in het Westen afviel van de zuiverheid van het geloof, de ouden haat tegen Christus en Zijn geloofsleer weer hervatte en de wereldstaat van die beide delen bevestigd had. Zo worden we tot de elfde eeuw geleid, toen het antichristische rijk wonderlijk opgeschoten en bevestigd is in het Westen door Sylvester II en het Turkse gebied in het Oosten het verst uitgebreid is door het vangen van de Roomse keizer Diogenes, het innemen van Antiochië, het vermeesteren van Azië en het verwoesten van de Aziatische kerken, waarop de heilige oorlog gevolgd is. Men werpt hier niet tegen, dat de heidense afgoderij en vervolging bijna drie eeuwen van deze duizend jaren kracht gehad hebben, of dat de onze gewoon zijn de nieuwe antichristische en Mohammedaanse goddeloosheid van de zevende eeuw af te leiden, of dat in de drie tusseneeuwen de satan zich niet min krachtig werkzaam betoond heeft in de Roomse wereld door ketterijen en bijgelovigheden, evenals daarbuiten door de heidense afgoderijen. Want hiertegen heeft men die twee zaken vast te houden, die voorafgegaan zijn: 1. Dat hier geen volslagen binding voorkomt, waardoor alle verleiding ophoudt, maar een bepaalde en zodanige bij alle en hele volken, niet zoals voorheen gevangen houdt. 2. Dat in de binding en evenzo in de ontbinding, vijf verschillende trappen te erkennen zijn en op een tijdvolging toe te passen, zodat het duizend jaargetal begint van de aanvankelijke binding en in de voltrokken ontbinding eindigt; hoedanige tekening ook van te voren in twaalf honderd zestig jaren waar te nemen was, zodat dan drie eeuwen van de voorafgaande en verminderde en weer drie of vier eeuwen van de aangroeiende en vermeerderde macht van de satan met dit zinnebeeld wel overeenkomen, evenals het ook zeker is, dat de bederving van de beide werelddelen in de zevende eeuwen slechts begon, als men er de volgende eeuwen bij vergelijkt. Die met de reformatie beginnen merken niet op, dat hier op de eerste tijden van de neerwerping van de satan gezien wordt en dat die vermindering van zijn macht zo groot niet was.
Er zijn er, die zeggen dat deze duizend jaren al ten volle voorbij zijn en beginnen die bij vier perioden (evenals Pudeaux degenen van dat voelen optelt). Enigen beginnen die van Christus geboorte en eindigen in paus Sylvester, een tovenaar. Anderen maken een aanvang daarvan van Christus' dood en eindigen in Benedictus de Derde, die door de duivel de hals gebroken is. Sommigen beginnen die van de verwoesting van Jeruzalem en zo eindigen zij in Gregorius de Zevende of Hildebrandt in het jaar 1034. De meesten beginnen ze van Konstantijns regering af, doende die gelijktijdig zijn met het uitwerpen van de satan uit de hemel (Hoofdstuk 12:9, 10) en eindigen die in het jaar 1300 in Bonifacius de Achtste, wanneer de oorlogen tegen de Waldenzen begonnen. Anderen zeggen, dat deze duizend jaren nog geheel toekomend zijn, verschillen ook van elkaar, en zijn van vier gevoelens. Sommigen (gelijk de oude Chiliasten) zeggen, dat ze na de dag des oordeels zullen komen. Anderen willen dat zij beginnen zullen na de uitgieting van de schalen en dat zij de dag des oordeels zullen insluiten, zoals als Archer en Alstedius. Enigen oordelen dat zij beginnen en lopen zouden onder de zevende schaal na de verbreking van het beest in een tussenpoos van tijd vóór het einde van de wereld en vóór het opstaan van Gog en Magog, evenals Medus en enige anderen. Eindelijk hebben sommigen gesteld, dat die duizend jaren een lopende tijd zijn, terwijl het oordeel gehouden zal worden, zodat die jaren zouden volgen op Christus' komst ten oordeel, evenals Tyllingast; ook schijnen de voorgaanden in hun verklaringen hiervan niet veel te verschillen.
Men moet de duizend jaren beginnen met de tijden dat het rijk van het beest eindigt en denke dus aan die langen tijd van vrede en voorspoed van de Kerk en die gelukkigen staat van haar op aarde, waarvan de profeten zo heerlijk spreken en waarvan het stilzwijgen in de hemel (Hoofdstuk 8:1) van een half uur het zinnebeeld was.
3. En Hij wierp hem in de afgrond en sloot hem daarin, door de deur achter hem te sluiten en verzegelde die boven hem. Hij plaatste een zegel op de deur, om hem des te onherroepelijker in de bodemloze diepte als zijn gevangenis te houden, opdat hij de volken niet meer, zoals hij had gedaan, zolang hij nog ongehinderd zijn werk op aarde kon doen, verleiden zou en de heidenen, die in de catastrofen van de vorige geschiedenis niet ook waren ingewikkeld (Hoofdstuk 13:3), niet zou bewegen om het rijk van God aan te vallen, ten einde de gang daarvan tegen te houden of te storen en de ontwikkeling ervan te verderven of te verontreinigen. Dit zou duren totdat de duizend jaren geëindigd zouden zijn, zodat nu een grote sabbat van duizend jaren voor de wereld komen zou. En daarna als die duizend jaren zijn voorbij gegaan, moet hij volgens het raadsbesluit van God nog eenmaal een kleine tijd ontbonden worden, om in hetgeen hij dan teweegbrengt het laatste beslissende oordeel over zichzelf en de hele mensheid teweeg te brengen.
De engel is zonder twijfel Christus zelf, die alleen daarom als een engel voorkomt, omdat Hij hetgeen Hij hier doet in de kracht en volmacht van Zijn Vader als de Wereldregeerder volbrengt. Niemand anders dan Hij heeft de sleutel van de afgrond, aan de ster in Hoofdstuk 9:1 moest die eerst voor het bepaalde gebruik alleen worden gegeven. Bij het noemen van de duivel zijn alle namen opeengestapeld, om aan te tonen hoe noodzakelijk het in banden sluiten van hem voor een geruime tijd was geworden, als het rijk van God zich eindelijk eens op aarde vrij zal bewegen en de hele mate van de krachten en zegeningen, die daarin gelegen zijn, openbaar zal maken. Is het de tegenstander toegestaan de hele diepte van zijn helse boosheid en de hele rijkdom van zijn macht en list te ontvouwen, om de Christus van de Heere Zijn bestuur op aarde te ontrukken en heeft hij dan het hoogste, dat hij kan teweegbrengen, in de wangeboorte van een persoonlijke antichrist, die hij van de dode heeft doen opstaan en in de inspiratie van de valse profeet, die uit de Kerk zelf is voortgekomen, reeds duidelijk gemaakt, zo is het na vernietiging van deze staatsgreep nu ook billijk en recht, dat hij voor een bepaald afgemeten langere tijdruimte buiten cours wordt gezet en van de macht om iets uit te werken wordt beroofd, opdat nu ook openbaar wordt wat het rijk van God op zichzelf kan teweeg brengen bij de mensenkinderen op aarde als deze niet, zoals tot hiertoe altijd het geval was geweest, door de duivel verblind, verleid en tot een rijk van de duisternis verenigd, dat in strijd was met het rijk van het licht. Wij hebben dan hier te doen met het zogenaamde chiliasmus of duizendjarig rijk Dit is een leerstuk, in welks geschiedkundige ontwikkeling drie perioden kunnen worden onderscheiden: 1) In de eerste eeuwen, door de meest gevierde kerkleraars verdedigd, werd het een hoofdbestanddeel, zo niet van het algemene kerkelijk geloof, toch van de orthodoxie van de geleerden, totdat een diep ingrijpende omkering van de openbare toestanden en van de stemming van het harten bij de Christenen het uit de rij van de kerkelijk legitieme voorstellingen tot de plaats van de ketterij verdrong. 2) Sinds de reformatie werd het vernieuwd als lievelingsdogma van godsdienstig opgewonden sekten en dwepers, die daarheen vluchtten met hun idealen of baatzuchtige wensen, die door de tegenwoordige tijd onvervuld waren gebleven, maar werd juist daarom door de gereformeerde belijdenis terzijde gesteld en in Art. 17 van de Augsburgse Confessie met alle beslistheid verworpen. 3) Dieper in het leven van de Kerk drong het weer sinds het midden van de 18de eeuw, nadat reeds het piëtisme er meer mee verzoend was door de krachtigen steun, die de eerwaardige prelaat Johannes Albr. Bengel er aan gaf en heeft heden zonder twijfel een veelbetekenende toekomst voor zich, hoewel kerkelijke orthodoxie het in elke vorm met de ban vervolgt en men met inspanning van alle krachten dat stuk uit de Bijbel probeert weg te exegetiseren. Wij hebben bij Jesaja 65:25 en Jesaja 3:25 van zodanige schrijvers, die onvoorwaardelijk voor autoriteiten kunnen gelden, aangehaald en reeds daar de overtuiging moeten verkrijgen, dat het profetische woord van het Oude Testament ontwijfelbaar tot de aanneming van een aards rijk van de heerlijkheid nog aan het einde van deze tijd van de wereld noodzaakt. Hier nu komt het profetische woord van het Nieuwe Testament bij en wel met een zo bepaald, ondubbelzinnig getuigenis, dat de antichiliasten of tegenstanders van het aannemen van een duizendjarig rijk genoodzaakt zijn, òf het kanonische aanzien van de Openbaring an Johannes te betwijfelen en dit boek voor niet-apostolisch te verklaren, òf de hele uitlegging van dit gedeelte van de Heilige Schrift als nog veel te twijfelachtig en onzeker terzijde te schuiven. Men moet dat doen, als men ten minste niet aan de woorden van de tekst op een wijze geweld wil aandoen, dat ieder verstandig lezer met recht moet vragen, of dat nog uitlegging is of niet veeleer mishandeling en vernietiging, óf men moet het duizendjarig rijk in het verleden en het heden van de Kerk zoeken en uit de lijst van de laatste dagen wegschrappen. Wij kunnen niet begrijpen "hoe men in het belang van een vermeende correctheid van de zuivere leer ertoe kan besluiten de eerste en laatste van deze drie wegen in te slaan; want wat de eerste aangaat is het toch zeker veel correcter om niet een gedeelte van het Woord van God op te offeren en daarmee aan de negatieve kritiek het mes in de band te geven, om ten slotte ook al het andere weg te snijden. Wat het laatste aangaat, men weet niet waar men zich meer over moet verwonderen, òf over het ontzaglijk verzwakken en vervluchtigen van het woord van de profetie, òf over de ontzaglijke overwaardering van de tegenwoordige toestand, dat men het waarschijnlijk probeert te maken, dat het duizendjarig rijk en het binden van de satan, het eerste opstaan van de doden en de heerschappij van Christus over de wereld reeds in deze vorm van de Kerk openbaar zou zijn geworden. Ook de middelsten van de bovengenoemde drie wegen mogen wij niet inslaan, dat wij de uitlegging van onze plaats zouden laten rusten, al is het ook voor het praktische werk van een dienaar van het Woord aan te bevelen, dat hij de gemeente van pogingen tot verklaringen verschoont, die maar al te licht verwarring zouden kunnen aanrichten en dweperijen in de hand werken. Wij moeten echter met ons bijbelwerk tot aan het einde van de Schrift voortgaan en kunnen niet voor ondiepten omkeren, die reeds menigeen het leven hebben gekost, maar hebben de plicht op ons genomen, onze lezers met de hulp van de Heere erover te brengen. Ik stel er belang in, schrijft een uitlegger, ten opzichte van alle uitspraken van de Heilige Schrift een goed geweten te hebben, geen van die met mijn hart weg te wensen en daarom met mijn verklaring geweld aan te doen. Ik wens tot die alle mij op dezelfde wijze te plaatsen, als een natuuronderzoeker, die de voorwerpen weer en weer beschouwt, ze onder de microscoop neemt en dan getrouw bericht wat hij heeft gezien. Met een dergelijke gezindheid geven ook wij de resultaten weer van ons Schriftonderzoek en zijn er zeker van, dat op die plaats, die bij ons het chiliasme inneemt en in die vorm, waarin het hier optreedt, op generlei wijze aan de Kerk schade zal worden gedaan.
Gedurende 60 eeuwen, zo hebben we vroeger gezien, heeft die oorlogstoestand geduurd, die God eens na de zondenval tussen de slang en de vrouw en tussen het slangenzaad en het zaad van de vrouw heeft gesteld (Genesis 3:15); deze tijd van zware arbeid en strijd, waaronder het menselijk geslacht zo ontzaglijk heeft geleden, heeft de slang ten slotte nog tot die hoogte gebracht, dat er een op aarde regeerde, wiens teken juist 666 is geweest (Hoofdstuk 13:18) en heeft met deze mens van de zonde voor de tweede maal het vrouwenzaad de verzenen vermorzeld, omdat hij door deze ook de Kerk van Christus heeft omgebracht, evenals hij vroeger Hem zelf aan de kruisdood heeft overgeleverd. Nu echter het antichristische wezen, die misgeboorte van de hel, overwonnen is, heeft ook die tijd van arbeid en strijd op aarde een einde, die toestand van strijd zal ophouden en daarvoor zal een sabbat van duizend jaren volgen in het zevende duizendtal sinds de schepping van de wereld (zonder twijfel met het oog daarop, dat aan de "duizend jaren" zesduizendtallen van de wereldgeschiedenis zijn voorafgegaan, worden ze zesmaal uitdrukkelijk genoemd: Vers 2, 3, 4, 5, 6, 7). "Evenals het zevende jaar een rusttijd van een jaar voor een zevental aanbrengt, zo heeft ook de wereld duizend jaren rust voor zeven duizendtallen jaren. " zo wordt op grond van Jesaja 2:11 Psalm 92:1 en 90:4 de Joodse schriftgeleerden gezegd; en merkwaardig luidt een overlevering van de school van Elias, die zegt: zesduizend jaren bestaat de wereld, waarvan tweeduizend thohoe (tijd voor de wet), tweeduizend thora (tijd van de wet), tweeduizend Messiasdag (Messiaanse tijd); van deze laatste is echter om onze zonden, die zo groot zijn, reeds zoveel verlopen. Israël, dat aan het einde van de 19de eeuw van de Messiaanse tijd zich eindelijk bekeert en vervolgens gedurende de 20e eeuw zich openbaart als een heilige Zionsgemeente (Hoofdstuk 14:1), zal deze tijd van rust en genot gedurende het zevende duizendtal jaren van de wereld in het bijzonder genieten als een tijd van heerlijkheid. Een Kerk uit de heidenen vergaderd, zal op de bodem van onze tegenwoordige Christenheid dan niet meer aanwezig zijn, omdat de antichrist ze hier in het bereik van zijn heerschappij vernietigt, zodat alleen op de bodem van onze tegenwoordige zendingsstations in vreemde delen van de aarde nog Christelijke gemeenten zullen bestaan en daarmee het woord aan de Kerk te Filadelfia in Hoofdstuk 3:10 gegeven wordt vervuld. Aan het volk van Israël was de Sabbath gegeven tot een teken tussen hen en de Heere en tot een eeuwig verbond (Exodus 31:12) en Israëls hele tijdrekening beweegt zich om de Sabbath, zodat het naast de wekelijkse Sabbath ook een maandelijkse Leviticus 23:25, een Sabbatsjaar Leviticus 25:7 en een jubeljaar Leviticus 25:55 geeft. Vanaf het begin is het dus op het duizendtal Sabbathsjaren berekend, terwijl voor de kern uit de heidenen vergaderd deze hele orde en aanleg is weggelaten, ten teken dat voor deze het duizendtal Sabbathsjaren geen onmiddellijke betekenis heeft (vgl. het wegvallen van de derde en zevende bede van het Onze Vader in vele handschriften bij Lukas 11:2-4); deze is integendeel meteen in het achtste duizendtal, dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde brengt (Hoofdstuk 21), met haar hoop op volmaking daardoor ingeleid, dat voor haar de dag van de opstanding van Christus als achtste dag van de week Re 13:18 tot haar "dag des Heeren" is gemaakt. (Handelingen 20:7. 1 Corinthiërs 16:2 Openbaring :10). Wordt deze verhouding behoorlijk beschouwd, dan is het duidelijk, waarom het chiliasme van die tijd, dat de Kerk tot hele zelfstandigheid kwam en openlijke erkenning verkreeg, geheel uit de kring van de Christelijke leerstellingen moest uittreden en buiten deze blijven, zolang als de "tijden van de heidenen" duren, maar meteen zich weer doen gelden, als de geschiedenis van de ontwikkeling van het rijk van God hier beneden daarop uitloopt, dat Israël weer op de voorgrond treedt. Het is ook geheel consequent, dat die theologie, DIE wij kortheidshalve met de uitdrukking "ecclesiolatrie" noemen, omdat zij de Kerk als het hoogste in het rijk van de genade stelt en van Israëls voorrang niet wil weten, antichiliastisch gezind is en het aannemen van een duizendjarig rijk op iedere wijze bestrijdt. Voor de tijden, die wij tot hiertoe hebben gehad, had zij het volste recht om alle dweepachtig misbruik af te snijden. Aan de Kerk als zodanig hebben zij daardoor niets van haar heil onttrokken; want deze rust gedurende de duizendjarigen Sabbath als in het graf, evenals haar Heere op die grote Sabbath, waarvan in Lukas 23:56 gesproken wordt (vgl. Hoofdstuk 14:13) en wacht op de algemene opstanding (Vers 12). Maar verder heeft het antichiliasme geen recht. Wil men de hele Heilige Schrift en ook in het bijzonder de beloften aan Israël gegeven onder die verklaring brengen, dan moet men die, zoals wij boven zagen, òf verdraaien, òf gedeelten ervan terzijde stellen, waardoor men zichzelf ten gronde richt.
Wij hebben reeds bij de verklaring van de profeet Ezechiël ons duidelijk gemaakt, hoe het komt, dat juist bij Israël, dat volk, zolang verstokt en de zaligheid in Christus vijandig, de Heere eindelijk gelukt is een gemeente te vormen, zoals Hij die begeert en zoals die Hem echt is tot een eer voor de wereld (Efeze 5:27) en zoals die gemeente in Hoofdstuk 14:1, voor ogen is gesteld. Zij is de vrouw van het Lam, die zich bereid heeft voor den dag van de bruiloft en waaraan gegeven is zich te bekleden met rein en fijn lijnwaad. Nadat zij dan in de 20ste eeuw de tempel is geweest, waarvan een water is uitgegaan, om de wateren van de Dode zee gezond te maken (Ezechiel 47:1) en nadat zij voor die Kerk, die door de vijf wijze maagden wordt afgebeeld (Mattheus 25:1) het "leven uit de doden" is geworden (Romeinen 11:15), terwijl de andere Kerk, door 5 dwaze maagden afgebeeld, de antichrist en diens profeet heeft opgeleverd, waarop dan de antichristische tijd van de verschrikking de Kerk, die vernieuwd is en door de uit Babel afgezonderden (Hoofdstuk 18:4 v.) vermeerderd is, voor deze wereld vernietigde en in het graf bedolf (Hoofdstuk 13:7, 15), wordt zij zelf, de vroeger genoemde bruid van het Lam, wonderbaar gered van de aanval van de antichrist en diens legerschaar (Hoofdstuk 19:11) en nu wordt, na de vernietiging van geen datgene haar deel, wat haar beloofd was, de tijd van de verkwikking voor het aangezicht van de Heere. Nu wordt over haar gebracht al wat God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten vanaf het begin van de wereld aan (Handelingen 3:20 v.). Nog wordt de Satan zelf niet op de laatste, meest beslissende wijze gevonnisd en eveneens in de poel van vuur geworpen, zoals reeds met het dier en de valse profeet heeft plaats gehad (Hoofdstuk 19:20). De werken van de Heere worden nu eenmaal trapsgewijze vervuld; de dood, die een drievoudig werk aan ons doet, namelijk lichaam en ziel van elkaar scheidt, het lichaam tot stof en as maakt, en de ziel overgeeft aan die, die het geweld van de dood heeft (Hebreeën 2:14), neemt Hij in de gevolgen van het einde naar voren voor ons weg. Die ten gevolge neemt Hij in de eerste plaats bij het sterven de ziel in Zijn handen, vervolgens herstelt Hij op de jongste dag het lichaam, dat uit stof en as nieuw en verheerlijkt opstaat en verenigt Hij daarmee de ziel. Op dezelfde wijze oordeelt Hij ook van het einde naar voren Zijn vijanden en stort eerst het beest en de valse profeet in de poel van vuur, om vervolgens pas op de laatste dag ook de duivel daarin neer te werpen en de dood en de hel met allen, die niet worden gevonden in het boek des levens, hem na te werpen (Vers 10, 11 v.). Gebonden wordt echter de Satan reeds na afloop van de zesduizend jaren van arbeid en strijd voor het zevende duizendtal en zo vast in de afgrond gesloten, dat hij in deze tijdelijke en aardse wereld niets meer kan uitrichten. Men zou de geschiedenis van Israël in haar hele verloop van het begin tot het einde volgens de zeven beden van het Onze Vader kunnen beschrijven: de eerste bede omvat de tijd vóór Christus van Abrahams roeping aan, door wet en profetie, totdat Christus verschijnt en daarmee de tweede bede wordt vervuld. Het werk van Christus is de tijd van de derde bede (Johannes 1:51). En als nu evenwel Israël zich verstokt en het rijk van God heeft verstoten, dan is toch die hele tijd van zijn verwerping de wonderbaarste bevestiging van de vierde bede door het bewaren van het volk (Hoofdstuk 12:6), totdat de vijfde bede vervuld wordt met de wederaanneming tot genade (Hoofdstuk 11:11 v.). Voordat echter de tijd van de zevende bede kan intreden (Hoofdstuk 21:4; 22:1) moet eerst de zesde worden vervuld en dat juist is de bedoeling van het duizendjarig rijk met het binden van de Satan. Wij smeken toch in die bede, dat Gods ons behoedt en onderhoudt, opdat ons de duivel, de wereld en ons eigen vlees niet bedriegen noch verleiden tot verkeerd geloof, wanhoop en andere grote ellenden en zonden, maar zolang deze tijd duurt zullen wij ons moeten vergenoegen erbij te voegen: "en al is het, dat wij daarmee worden bestreden, wij toch eindelijk winnen en overwinnen mogen. " Zou het nu de Heere niet mogelijk zijn, nog iets groter voor deze tijd van de wereld te verschaffen? Ja, maar ook weer in het op elkaar volgen van achteren naar voren. In Hoofdstuk 14:1-5 heeft Hij Zijn Zionsgemeente verlost van de macht van het vlees en in de woorden: deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; en in hun mond is geen bedrog gevonden", worden ons mensen beschreven, die door het vlees niet worden aangevallen, omdat de Geest Zich geheel van hen heeft meester gemaakt (Galaten 5:16, 24). Ook de wereld viel deze gemeente niet meer aan, zij was geheel en al voor deze omsloten, zoals ons het gezicht van de tempel in Ezechiel 40 heeft getoond. Nu moet ook de duivel, zoals hij het met de krijgstocht van de antichrist tegen Jeruzalem heeft beproefd (Hoofdstuk 19:11 vv.), gedurende de grote sabbath periode niets meer tegen de gemeente kunnen doen, hij wordt daarom in de afgrond gesloten. Daarentegen, evenals vroeger in de periode van de antichrist vlees, wereld en duivel zich hebben aaneengesloten tot een zo gevaarlijke zeshonderd zesenzestig, dat, als het mogelijk was, ook de uitverkorenen tot de duivelen zouden hebben kunnen worden verleid, moeten nu alle goede machten zich verenigen tot een zo vriendelijk lokkende en hartveroverende kracht, dat, zo het mogelijk was allen, die verder tot het rijk van God worden geroepen, ook tot uitverkorenen zouden moeten worden. Nu is de een van de drie machten die geheiligde Zionsgemeente zelf, die noch vlek noch rimpel heeft noch iets dergelijks en met geheel hun wezen in sterke mate die macht uitoefent over de harten van degenen, die daarbuiten zijn, die voorafbeelding reeds bij de apostolische Kerk te voorschijn trad (Handelingen 2:14-47). Van de beide andere machten wordt in het volgende gesproken.
De duivel, die sinds bijna 6000 jaren onder de voor een geschapen geest schier onbegrijpelijke lankmoedigheid van God, ten nadele van de zaak van de Heere, aan zijn euvelmoed de teugel viert, wordt nu gevangen genomen, en naar de afgrond verbannen. De wereldregeringswijsheid van de Allerhoogste in deze zes jaarduizenden van Zijn lankmoedigheid is onnaspeurbaar en ondoorgrondelijk. Met groot geduld draagt God de vaten van de toorn, totdat het boze voor het gericht is rijp geworden, totdat van de zijde van Zijn barmhartigheid en genade ook tegenover de boze en zijn schaar alles is geschied, om hen tot ommekeer te nopen, of wel tot het oordeel toe te bereiden. God zag, als de Ongeschapene, wel in Zijn wijsheid het gevolg vooruit, maar dit moest zich in het rijk van de geschapen geesten eerst volgens de wetten van de vrije zelfbestemming, aan alle redelijke wezens voorgeschreven, ontwikkelen; zo openbaart de tijd wat van eeuwigheid in het hart van God verborgen en in de schatkamers van Zijn wijsheid verzegeld was. Hij staat aan het rijk van de duisternis, dat onder de mensen een menigte van aanhangers telt (Johannes 3:19), zoveel toe, dat het Zijn rijk, door Jezus Christus gegrondvest, dat aan de Vader Zijn Zoon, aan de Zoon het leven gekost heeft, door de duivel en zijn medestanders tot op twee gemeenten uitgeroeid wordt, wier vernietiging Hij door Zijn tussenkomst vanuit de hemel verhoedt. Dat dan de lankmoedigheid van God uitgeput, het werelduurwerk afgelopen en Zijn raadsbesluit van het kluwen van de eeuwigheid losgewonden is, wordt door alle engelen en volmaakte geesten ingezien. Een hogere macht dan de zijn treedt dus tegen de duivel op, want gerechtigheid en gericht zijn de zuilen van Gods troon. "De zieke man" aan de Eufraat is reeds gestorven; de moeder van de gruwelen en hoererij en van deze aarde is reeds uitgeroeid en verbrand; de antichrist en de valse profeet zijn in de vuurpoel geworpen; hun schaar, de Christushaters en heiligen-slachters, zijn de gieren tot een aas geworden; tenslotte wordt nu Christus' hoofdvijand, de duivel met de zijn in de afgrijzing-wekkende kerkerholen van de afgrond opgesloten; verwaaid zijn alle rijken van de draak als stof op de dorsvloer; eindelijk wordt ook zijn onzichtbaar rijk met wortel en tak uitgeroeid en elk spoor daarvan met de bezem van het verderf van de aarde weggevaagd.
Het oogmerk van de verschijning van de Heere Jezus op aarde was, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou; opdat Hij eerst de sterke zou binden en daarna zijn huis beroven; opdat Hij teniet doen zou degene, die het geweld van de dood had, dat is de duivel; opdat Hij de overheden en de machten uitgetogen hebbende, die in het openbaar ten toon stellen en over hen triomferen zou. Hij is het, die de grote draak, de oude slang, die genoemd wordt duivel en satan, de verleider van de hele wereld, op de aarde werpt. Hier nu wordt door Hem dat boze wezen, hetwelk als vorst van deze wereld een viertal namen draagt, in de hel geworpen; want nadat de heerschappij van de God vijandelijke wereldmacht in de overwinning over de tien koningen door middel van de oordelen van God en de uitbreiding van de Kerk ten onder is gebracht en nadat de Germaanse volken hun vijandschap tegen God, tegen de Heere Jezus en Zijn Kerk verlaten en het juk van Christus opgenomen hebben, is de heidense wereldheerschappij (het beest) van de aarde verdwenen en daarmee aan satan de gelegenheid benomen om de mensen afvallig te maken. Van nu af zenden de volken, die de Heiland erkennen, de bede op: "leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze", waardoor de boze vijand wordt aangeduid. In plaats van, zoals tot hiertoe, zich door dezen te willen laten verleiden en gewillig het oor te lenen aan zijn verraderlijke inblazingen, roepen zij God aan, die niemand verzoekt, opdat Hij hen beveiligt tegen de aanslagen van degene, die listig is en machtig. En de getrouwe God laat niet toe, dat de draak met zijn verleiding tot afval van het waar geloof en de ware Kerk de gelovigen bespringt. Thans, nu de volken onderdanig zijn aan hun rechtmatige Heer en God, Schepper en Verlosser, moet de boze van hen vluchten. Slechts over hen, die God verachten, oefent deze zijn macht uit. Maar de aarde waakte en had gedurende de duizend jaren en vandaar beveiliging tegen de heerschappij van de zielenmoorders. Het tijdvak van duizend jaren wordt zes maal genoemd. Deze nadrukkelijke herhaling van dat getal is een bepaalde aanduiding, dat het in eigenlijke zin moet worden opgevat. Hoewel nu het juiste jaar niet kan worden opgegeven, waarin door de ten onder brenging van de tien koningen een einde is gemaakt aan de heidense wereldheerschappij, zoals het ook in de aard van de volksverhuizing ligt, dat zo'n bepaalde tijdsaanwijzing onmogelijk is, zo kan men toch nauwelijks ergens het aanvangspunt van die duizend jaren geschikter plaatsen, dan op het Kerstfeest van het jaar 800. Op die dag kan men het Christelijke keizerrijk in het Westen als gevestigd beschouwen, omdat toen paus Leo III in de Pieterskerk te Rome de Rooms-keizerlijke kroon op het hoofd van de Frankische koning Karel de Grote plaatste. Het volk juichte deze kroning toe en beschouwde van dat ogenblik af die vorst als een door God zelf aangestelden gebieder. Uit Vers 7 zien wij, dat de satan bij het einde van de duizend jaren weer wordt losgelaten. Maar hij draagt daar de naam van draak niet meer, maar die van duivel en satan; want zijn hoedanigheid als "draak", dat is als de Leviathan in de zee van de volkeren, heeft voor altijd een einde genomen, omdat het beest (de heidense wereldheerschappij) in de poel van vuur geworpen is, om op aarde nooit meer enige schade te kunnen aanrichten. Wanneer de vijandschap van de goddelozen tegen de Heere Jezus opnieuw uitbreekt in de aanstaande dagen, die wij tegemoet gaan, dan treedt die vervolging niet weer op in het karakter van een heidense wereldmacht; maar zij zal zich dan op een geheel andere wijze en in een en gans andere vorm openbaren. De lotgevallen van de wereld vinden zich in het klein afgespiegeld in die van afzonderlijke mensen. Lieve lezer! wanneer u door de boze lusten van uw eigen vlees ten kwade wordt verlokt, weet dat als u de zonde over u wilt laten heersen en u door de boze geest wilt laten verleiden, deze ook macht over u heeft en u onderwerpt aan zijn heerschappij. Maar keert u uit het land van uw vreemdelingschap terug tot Hem, die de waarachtige Gebieder van uw leven is; staat u in het geloof, wakend en biddend, dan boeit de Heere Jezus de satan, dat deze geen macht over u heeft en werpt hem geketend in de hel. Maar als dat ook in u niet gevonden wordt, kan de verleider voor u niet geboeid worden. Dan echter is voor u het duizendjarig rijk daar, het rijk van gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest en in dat rijk blijft u, zolang u volhardt in geloven, waken en bidden. Maar wee u! wanneer u opnieuw afvalt van het allerheiligst geloof in de Zoon van God, wanneer u het bloed van het Nieuwe Verbond onrein acht en de geest van de genade smaadheid aandoet! Dan was het laatste erger dan het eerste. Dan zou de boze heengaan en nemen met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf en ach! wat zou het zijn, als wij, nadat wij door de kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen van de wereld ontvlucht zijn, in deze weer ingewikkeld en erdoor overwonnen werden. God behoedt ons daartegen! Toen de Heere de bezetenen Gadarener genas, baden Hem de duivelen, dat Hij hun niet gebieden zou in de afgrond heen te varen. Zij bemerkten zo, wat hun bij de eerste toekomst van Christus te wachten stond. Maar toen was het ook nog te vroeg geweest om hen in de afgrond te werpen. Volgens een ander evangelisch bericht riepen zij: "Jezus, U Zoon van God! wat hebben wij met U te doen? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd! " Hieruit blijkt, dat de duivels hun tijd hebben gekend. Hetgeen zij toen vooruitzagen, dat wordt hier voorgesteld als ten zijnen tijde tegenwoordig. De satan wordt in de afgrond geworpen en daarin gesloten. En zoals eens de steen verzegeld werd, die voor het graf van Jezus gewenteld was en eens het zegel van koning Darius de toegang tot de spelonk van de leeuwen en hun vermeende prooi, Daniël, had afgesloten, evenzo wordt hier de hel, de gevangenis van de satan, gesloten en verzegeld, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, zoals hij vroeger gedaan had ten tijde van de heidense wereldheerschappij, toen hij aanhitste tot de strijd tegen het Lam en de heiligen. Door het woord "volken" worden hier aangeduid de natiën in tegenstelling met het Joodse volk, hetzij zij nog heidenen zijn, hetzij zij tot de Christelijke Kerk behoren. Daar de heidense heerschappij op aarde gedurende die duizend jaren door een Christelijke vervangen is, aanschouwt dit tijdvak geen zulke bloedige vervolgingen meer, als de Kerk vroeger van de Romeinsen staat en van de Germaanse volken te lijden heeft gehad. Maar na die duizend jaren wordt de boze weer los en verleidt de volken van de aarde opnieuw tot een openlijk heidendom, tot een heilloos ongeloof en een nieuwe, bittere strijd tegen de Heere Jezus en Zijn Kerk. Uit de opgegeven tijdsbepaling volgt, dat wij het einde van deze duizend jaren reeds achter ons hebben. De tijd is zo reeds voorbij, dat de Kerk op aarde heerste en door de natiën erkend en begunstigd werd. In de volgende verzen is dus afgeschilderd het tijdvak, waarin wij leven, het ontbonden zijn van de satan uit zijn gevangenis; en opnieuw gaat hij als een verslindend roofdier uit, om de volken uit de vier winden bijeen te zamelen.
Nu wordt de voltooiing van de gemeente van de Heere beschreven, na al het lijden en strijden, dat zij tot dusverre heeft verdragen. Er is geen reden, om de duizend jaar anders te verstaan dan van een omstreeks zo lange, nog toekomende periode. In dat tijdperk houden de verzoekingen van de satan op en de gemeente van Christus verheft zich tot vroeger ongekenden bloei. Daaraan zullen de uitverkoren knechten van Christus (alle Christenen worden niet gezegd) door de opwekking van hun lichaam deelnemen; maar dat Christus of Zijn heiligen dus ook lichamelijk op aarde zullen heersen, dat wordt niet gezegd en is ook in strijd met Jezus' eigen verklaringen aangaande Zijn terugkomst. Tot deze bloeiende toestand van de Kerk behoren een rijke volheid van de over haar uitgestorte Heilige Geest en een overvloed van goddelijke genadegaven in de gemeente, de overwinnende strijd tegen het kwade, dat nog op aarde bestaat en vooral de heiliging van alle maatschappelijke betrekkingen, zowel van kunst en wetenschap, als van handel en bedrijf onder de mensen. In de beide eigenaardige kentekenen van deze tijd, dat "de satan gebonden is en de heiligen met Christus regeren", is geen spoor van vleselijke voorstellingen, zoals Joden en dwaalleraars ze hebben toegevoegd aan het verminkte beeld van het duizendjarig rijk, dat de vromen en heiligen een wereldrijk zouden bezitten, welk denkbeeld door de Augsb. Conf. art. 17 verworpen wordt. Daarentegen is deze leer, welbegrepen wordende, hoogst weldadig, omdat zij ons alles, wat tot bevordering en voltooiing van de Kerk op aarde geschiedt, ja, al wat van de mensen heerschappij over de natuur begunstigt en vermeerdert, als geen vergeefse arbeid leert beschouwen. De aardse gemeente is geen nachtverblijf voor enkele naar de hemel reizende Christenen. Haar leraars en dienaars planten en begieten niet alleen daarom, opdat uit haar hof enkele bloemen voor de gemeente daarboven geplukt zouden worden. Hun onderzoeken en bidden, hun bouwen en afbreken, hun bewaken en dichten van Sions bressen voltooit reeds in deze wereld langzamerhand een behuizing van God in de geest, waarin Gods aardse gaven niet meer schandelijk in eigen eerzucht en zondige genietingen worden ontwijd, waarin alle uitvindingen en ontdekkingen van de mensen en de daarmee verworven heerschappij over de natuur, God en van Zijn gemeente op aarde dienen zullen. Zo schijnt ons dan geen vooruitgang in kunst en wetenschap, geen bevordering en begunstiging van de gemeenschap onder de mensen als onheilig of onverschillig; dat alles, wij geloven het zeker, zal eenmaal de bestemming vervullen, waartoe God het geroepen heeft. "In die tijd zal op het tuig van de paarden geschreven staan: "de heiligheid van de Heere en de potten in het huis van de Heere zullen zijn als de bekkens voor het altaar. Want alle potten, zo in Jeruzalem als Juda, zullen de Heere Zebaoth heilig zijn; zodat allen, die offeren willen, zullen komen en ze nemen en daarin koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de Heere Zebaoth, in die tijd" (Zacharia 14:20, 21). Maar hoe belangrijk ook voor de opwekking en besturing van de Christelijke hoop de leer van dit boek is, zo scherp moet zij ook in het oog gevat worden, opdat men niet aan de anderen kant tot dwalingen vervalt. Reeds vroegere profetieën hebben ons doen zien, wat een vreselijke macht van verderf die bijna algemene heerschappij van de goddeloosheid deze jongste overwinning van de Kerk zal voorafgaan. Hoewel daarom al een enkele zaak van hetgeen op aarde geschied is, of iets wat de mensen zich hebben weten te verwerven, vergeefs heeft bestaan, zo is toch vóór de overwinning van de antichrist op geen algemene, uitwendig verre om zich grijpende zegepraal van het ware Christendom te hopen. Voorts zal Christus' duizendjarig rijk in een aardse en daarom toch nog onvolkomen gemeente van Christus bestaan. De tegenstelling van hemel en aarde ("Uit 5:35" en "Heb 4:1 zal nog blijven voortduren (vgl. Hoofdstuk 21). Evenals in de mens, in het bijzonder ook na zijn bekering, de strijd van de geest met het vlees nog wordt voortgezet, ja, zoals die dan pas echt begint, zo zal die ook in de gemeente, over het geheel genomen, nog aanhouden. Onder de kinderen van de rijken zullen nog kinderen van de boosheid zijn. Er zal overheid en huwelijk zijn, de arbeid zal worden verricht in het zweet des aangezichts, het schepsel zal niet vrij zijn van de dienst van de vergankelijkheid. Nog zal de prediking het volk roepen en vermanen; nog de Christelijke gemeente `s Heren dood verkondigen, totdat Hij komt (1 Corinthiërs 11:26). Een hele voltooiing in onszelf, zonder te zijn één geworden met de hemel, kan er voor ons aards bestaan niet wezen; en zoals er van de kleinste zondige besmetting van de enkele mensen tot zijn volledige heiligmaking een geweldige plotselinge overgang moet zijn, naardien er geen langzaam overgaan en oplossen van zonde in heiligheid mogelijk is, zo moet ook nog door de jongste strijd in de laatste overwinning de gemeente van haar hoogste aardse voltooiing tot haar alhele verheerlijking geleid worden. Juist daarom komt de tijd, wanneer ook deze heerlijkheid van het duizendjarig rijk vergaat en de macht van de satan zich weer op de ontzettendste wijze openbaart; maar dan alleen om overal toch te worden overwonnen. In hoeverre deze laatste gebeurtenis zich ook tot in de onzichtbare wereld uitstrekt en de grote verheerlijking van de aarde en haar één-worden met de hemel voorbereidt, dat is slechts enigermate aangeduid door haar plaatsing vóór het jongste gericht en de verheerlijking van hemel en aarde (Hoofdstuk 21).
Enigen nemen deze duizend jaren voor de hele tijd van de eerste komst van Christus tot Zijn tweede, zoals dit woordje duizend een zeker getal voor een onzeker somwijlen betekent in de Schriftuur (Psalm 91:7, 105:8 Maar als Vers 7, 8 de satan nog na deze duizend jaren wordt losgelaten, dan kan het niet wel bestaan, zoals ook niet het voelen van enige anderen, die deze duizend jaren willen eindigen vóór de komst van de antichrist. Er wordt in Vers 4 binnen deze duizend jaren ook melding gemaakt van enigen, die het beest en zijn beeld niet hebben aangebeden. Zo moet vóór het einde van de duizend jaren de antichrist ook geweest zijn. Hierin beginnen anderen de binding van de satan, dat bij de volkeren niet meer en meer verleidt van de tijd, dat Christus door de predikatie van het heilig Evangelie en de kracht van Zijn Geest door Zijn Apostelen de heidense volkeren in de wereld alom tot bekering heeft gebracht, dat over de tijd van de verwoesting van Jeruzalem en de uitroeiing van de Joden, dat is over het jaar 70 meest is volbracht. Zij eindigen in de tijd van paus Gregorius VII, die een sterk instrument van de duivel is geweest om het antichristendom op het hoogste te brengen en alle volkeren hem te doen aanbidden, die over het jaar 1070 heeft gezeten. Hoewel enigen om de vervolgingen, die de satan nog meer dan 250 jaren na de verwoesting van Jeruzalem tegen de Christenen heeft verwekt, deze duizend jaren wat later begonnen, namelijk van de tijden van Constantijn en brengen die terug tot over het jaar 1300 toen niet alleen de antichrist de staat van de Christenen meer en meer heeft doen vervallen toen Bonifacius de achtste over dit Rijk heeft geregeerd. Ook zijn de Turken en Tartaren meest gaande gemaakt van de satan, om de Christenvolken in het Oosten en Westen ten onder te brengen en vele koninkrijken en Christen kerken uit te roeien, niet alleen in Azië, maar ook in Afrika en Europa, zoals haar tegenwoordige gestalte uitwijst.
Al is de duivel ten uiterste boos, zo heeft hij toch geen macht om zijn boosheid naar zijn wil uit te voeren; al wat hij gedaan heeft en doet, is enkel door toelating van de Heere Jezus en dat met bepaling van trap en tijd. De duivelen vrezen voor de afgrond, daarom baden zij de Heere Jezus, dat Hij hen daarheen niet wilde bannen. Nu werd hij gegrepen, gebonden, in de afgrond geworpen, daarin gesloten en verzegeld en dat tot die einde, opdat hij de volkeren niet meer verleiden zou; hij is een mensenmoordenaar, hij zaait ketterijen, hij verblindt de zinnen van de ongelovigen, heerst over hen, houdt ze in zijn strikken gevangen en bestrijdt de gelovigen op allerlei wijzen; maar nu zou hem dat afgesneden worden en dat voor de tijd van duizend jaren, een eigenlijke en bepaalde tijd van duizend jaren of daarover, zolang totdat de duizend jaren geëindigd zouden zijn en niet langer; want daarna moet hij een kleine tijd ontbonden worden. Dat is niet zo te verstaan, alsof er in die tijd van duizend jaren volstrekt geen duivelen meer op de aarde zouden zijn; hij zal altijd als een briesende leeuw omgaan, zoekend wie hij mocht verslinden, maar het doelt op het openbaren; hij zal geen openbare staande partij tegen de Kerk kunnen uitmaken, zoals hij deed, eerst door de Heidense keizers en daarna door de antichrist en na de duizend jaren weer doen zal door Gog en Magog. Wanneer de duizend jaren van de binding van de satan begonnen en of zij eentijdig zijn met de duizendjarige heersing van de heiligen, zullen wij een weinig beneden tonen.
Dit is nu niet moeilijk te begrijpen wat de duizendjarige tijd van de binding van de satan is en waar die begint en eindigt. Men weet toch wanneer Christus door de prediking van het Evangelie en de kracht van de Geest uit de hemel afgekomen is, namelijk, toen hij door Zijn Geest uit de hoogte Zijn discipelen aanstelde tot krachtige verkondigers van Zijn Evangelie en vernietiging van het rijk van de hel. Zijn werk werd door deze en hun navolgers toen gelukkig begonnen, zodat de Satan meteen met geweldige hand gegrepen werd, dat hij het Joodse volk niet langer in de oude dwalingen houden kon; noch de overige wereld naar zijn vorige wijze met zijn godsspraken en huichelarijen bedriegen. In vervolg van tijd werd dit meerdere volvoerd, waartoe het binden, werpen, sluiten, verzegelen behoren en wel zodanig, dat de satan in weerwil van zijn tegenspartelingen, ten tijde van Constantijn, het hele Westerse en Oosterse Rijk, dat voornaamste en meest uitgebreide over de wereld, Christen moest zien worden en hij dus niet meer als voorheen zeer machtige en talrijke volkeren kon verleiden. Dit duurde geruime tijd, totdat men in het Oosten en in het Westen afviel van de zuiverheid van het geloof, de ouden haat tegen Christus en Zijn geloofsleer weer hervatte en de wereldstaat van die beide delen bevestigd had. Zo worden we tot de elfde eeuw geleid, toen het antichristische rijk wonderlijk opgeschoten en bevestigd is in het Westen door Silvester II en het Turkse gebied in het Oosten het verst uitgebreid is door het vangen van de Roomse keizer Diogenes, het innemen van Antiochië, het vermeesteren van Azië en het verwoesten van de Aziatische kerken, waarop de heilige oorlog gevolgd is. Men werpt hier niet tegen, dat de heidense afgoderij en vervolging bijna drie eeuwen van deze duizend jaren kracht gehad hebben, of dat de onze gewoon zijn de nieuwe antichristische en Mohammedaanse goddeloosheid van de zevende eeuw af te leiden, of dat in de drie tusseneeuwen de satan zich niet min krachtig werkzaam betoond heeft in de Roomse wereld door ketterijen en bijgelovigheden, evenals daarbuiten door de heidense afgoderijen. Want hiertegen heeft men die twee zaken vast te houden, die voorafgegaan zijn: 1. Dat hier geen volslagen binding voorkomt, waardoor alle verleiding ophoudt, maar een bepaalde en zodanige bij alle en hele volken, niet zoals voorheen gevangen houdt. 2. Dat in de binding en evenzo in de ontbinding, vijf verschillende trappen te erkennen zijn en op een tijdvolging toe te passen, zodat het duizend jaargetal begint van de aanvankelijke binding en in de voltrokken ontbinding eindigt; hoedanige tekening ook van te voren in twaalf honderd zestig jaren waar te nemen was, zodat dan drie eeuwen van de voorafgaande en verminderde en weer drie of vier eeuwen van de aangroeiende en vermeerderde macht van de satan met dit zinnebeeld wel overeenkomen, evenals het ook zeker is, dat de bederving van de beide werelddelen in de zevende eeuwen slechts begon, als men er de volgende eeuwen bij vergelijkt. Die met de reformatie beginnen merken niet op, dat hier op de eerste tijden van de neerwerping van de satan gezien wordt en dat die vermindering van zijn macht zo groot niet was.
Er zijn er, die zeggen dat deze duizend jaren al ten volle voorbij zijn en beginnen die bij vier perioden (evenals Pudeaux degenen van dat voelen optelt). Enigen beginnen die van Christus geboorte en eindigen in paus Silvester, een tovenaar. Anderen maken een aanvang daarvan van Christus' dood en eindigen in Benedictus de Derde, die door de duivel de hals gebroken is. Sommigen beginnen die van de verwoesting van Jeruzalem en zo eindigen zij in Gregorius de Zevende of Hildebrandt in het jaar 1034. De meesten beginnen ze van Konstantijns regering af, doende die gelijktijdig zijn met het uitwerpen van de satan uit de hemel (Hoofdstuk 12:9, 10) en eindigen die in het jaar 1300 in Bonifacius de Achtste, wanneer de oorlogen tegen de Waldenzen begonnen. Anderen zeggen, dat deze duizend jaren nog geheel toekomend zijn, verschillen ook van elkaar, en zijn van vier gevoelens. Sommigen (gelijk de oude Chiliasten) zeggen, dat ze na de dag des oordeels zullen komen. Anderen willen dat zij beginnen zullen na de uitgieting van de schalen en dat zij de dag des oordeels zullen insluiten, zoals als Archer en Alstedius. Enigen oordelen dat zij beginnen en lopen zouden onder de zevende schaal na de verbreking van het beest in een tussenpoos van tijd vóór het einde van de wereld en vóór het opstaan van Gog en Magog, evenals Medus en enige anderen. Eindelijk hebben sommigen gesteld, dat die duizend jaren een lopende tijd zijn, terwijl het oordeel gehouden zal worden, zodat die jaren zouden volgen op Christus' komst ten oordeel, evenals Tyllingast; ook schijnen de voorgaanden in hun verklaringen hiervan niet veel te verschillen. Men moet de duizend jaren beginnen met de tijden dat het rijk van het beest eindigt en denke dus aan die langen tijd van vrede en voorspoed van de Kerk en die gelukkigen staat van haar op aarde, waarvan de profeten zo heerlijk spreken en waarvan het stilzwijgen in de hemel (Hoofdstuk 8:1) van een half uur het zinnebeeld was.