15. En Ik zal Mijne grimmigheid uitgieten over Sin, d. i. Pelusium aan den Oostelijken arm van den Nijl, 2 mijlen van de Middellandse zee, de sterkte van Egypte; en Ik zal de menigte van No (
Vers 10) uitroeien.
Er worden opgeteld de beroemdste steden van Egypte, die nu in angst vergaan; de donkere dag des gerichts (Vers 3) komt.
Als de twee hoofdsteden van Beneden-Egypte aan de ene en van Opper-Egypte aan de andere zijde worden Zoan (Tonis) en No (Thebe) genoemd. Aan beide zijden des lands zal de verwoesting gelijkelijk zijn. No is volledig. No-Amon, de Ammons-stad; daarop en in `t bijzonder ook op de plaats Jer 46:25 zinspelende, zet Ezechiël aan het slot van Vers 15 #Eze Amon-No, het geruis of de menigte van No.
Ammon is niet in staat der stad haren naam te doen behouden.
In het bovendeel des lands heerste als godheid Amon, waarschijnlijk "de verborgene, " de heersende god in de hoogte, wiens kleur op de gedenktekenen het blauwe is; hij was voor Opper-Egypte, wat Phtah voor Beneden-Egypte was en wordt staande of zittende met twee hoge vederen boven het koninklijke hoofdsieraad afgebeeld.
De stad Sin is zonder twijfel, waarvoor Hiëronymus het reeds heeft verklaard, Pelusium, de grensstad in Beneden-Egypte naar het oosten; de oorspronkelijke Egyptische naam Pheromi, is in het Grieks overgezet Pelusium (van phlov, slijk); ook betekent het Hebreeuws Sin hetzelfde. Zij wordt genoemd "de sleutel van den weg, door welken men in Egypte gaat, " (men kan in het inwendige des lands niet komen, zonder deze plaats te passeren, omdat de woestijn, die tot aan de noordelijke punt 23 mijlen breed is, voor een leger bijna ontoegankelijk is), en ligt tussen moerassen, die haar nog meer dan hare sterke muren tot ene sterkte van Egypte maken; tegenwoordig ligt echter de zee vier malen verder er van verwijderd dan in de oudheid.