Leviticus 26:40-46
Het hoofdstuk besluit met genaderijke beloften van de hernieuwing van Gods gunst over hen na hun berouw en hun bekering, opdat zij niet- tenzij dan door hun eigen schuld-zullen uitteren om hun ongerechtigheid. Zie, en aanschouw met bewondering de rijkdom van Gods genade jegens een volk, dat met hardnekkigheid Gods oordelen heeft weerstaan, en er niet aan dacht om zich te onderwerpen, vóór het toppunt van nood en ellende was gekomen. Maar "keert gijlieden weer" "tot de sterkte, gij gebondenen die daar hoopt," Zacheria 9:12. Hoe slecht de zaken ook staan, er kan verandering komen ten goede. Daar is hoop voor Israël.
Merk op:
I. Hoe het berouw beschreven wordt, dat hen voor deze genade ontvankelijk zou maken, vers 40, 41. Er worden drie zaken voor genoemd:
1. Belijdenis, waardoor zij eer moeten toekennen aan God, en schande aan zichzelf. Er moet een belijdenis zijn van zonde, hun eigen zonden en die van hun vaderen, waarvan zij de schuld moeten betreuren, omdat zij er de straf voor gevoelen, teneinde aldus de erfenis des toorns teniet te doen. Zij moeten in hun belijdenis de zonde in haar slechtste aard voorstellen, namelijk als een wandelen in tegenheid met God, dat is het zondige van de zonde, het ergste er van, en dat wij in ons berouw zeer bijzonder moeten betreuren. Er moet ook een belijdenis wezen van toorn, zij moeten de werktuigen, de ondergeschikte oorzaken, van hun benauwdheid voorbijzien, en belijden dat God in tegenheid met hen heeft gewandeld en aldus met hen gehandeld heeft naar hun zonden. Zodanig een belijdenis vinden wij bij Daniël, even voor de dageraad van hun bevrijding, Hoofdstuk 9, en evenzo bij Ezra Hoofdstuk 9 en Nehemia, Hoofdstuk 9.
2. Berouw en droefheid naar God om de zonde, zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt. Een onboetvaardig, ongelovig, onverootmoedigd hart wordt een onbesneden hart genoemd, het hart van een heiden, die een vreemdeling is voor God, veeleer dan het hart van een Israëliet, in verbond met Hem. De ware besnijdenis is "de" "besnijdenis des harten," Romeinen 2:29,, zonder welke de besnijdenis van het vlees van geen nut is, Jeremia 9:26. Nu werd in het berouw over de zonde dit onbesneden hart gebogen, dat is: het werd in waarheid verbroken en bedroefd om de zonde. Een gebogen, verootmoedigd hart onder verootmoedigende omstandigheden, bereidt voor op verlossing en ware vertroosting.
3. Onderworpenheid aan Gods gerechtigheid in al Zijn handelingen, zo zij dan aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen hebben, vers 41, en wederom in vers 43, dat is, indien zij God rechtvaardigen en zichzelf veroordelen, de straf geduldig dragen, als hetgeen zij wèl verdiend hebben, en nauwgezet aan het doel er van beantwoorden, als hetgeen door God wel beraamd is, haar aannemen als een vriendelijkheid, als een geneesmiddel, en haar gebruiken, dan zijn zij wezenlijk boetvaardig.
II. Hoe de genade beschreven wordt, die zij op hun berouw zullen verkrijgen.
1. Zij zullen niet verlaten worden. Hoewel zij Mijne rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, vers 43, 44. Hij spreekt als een tedere Vader die het niet van zich kan verkrijgen een zoon, die zeer tergend is geweest, te onterven. "Hoe zou Ik u" "overgeven," Hosea 11:8, 9. Totdat Hij zich de fundamenten had gelegd van een kerk in de heidenwereld, was de Joodse kerk niet geheel verlaten of verworpen.
2. Zij zullen gedacht worden. Ik zal aan het land gedenken met gunst, die gegrond is op de voorafgaande belofte: Ik zal gedenken aan Mijn verbond, vers 42, en herhaald is in vers 45. God wordt gezegd Zijn verbond te gedenken, als Hij er de belofte van vervult zuiver en alleen om ter wille van Zijn getrouwheid, niet omdat er iets in ons is, dat ons in Zijn gunst aanbeveelt, maar omdat Hij Zijn woord gestand wil doen. Dat is de pleitgrond van de kerk: "Aanschouw het verbond," Psalm 74:20. Hij zal het verbond gedenken, hetwelk van zo'n aard is, dat het plaats laat voor berouw en vergeving belooft op berouw, en de Middelaar van het verbond, die beloofd was aan Abraham Izak en Jakob, en in de volheid des tijds was gezonden in gedachtenis aan dat heilig verbond. Het woord verbond is driemaal herhaald, om te kennen te geven, dat God er steeds aan indachtig is, en wil dat ook wij er aan indachtig zijn zullen. Ook worden de personen, met wie het verbond gemaakt is, op ongewone wijze genoemd, per modum ascensus-in de opgaande lijn, beginnende met Jakob, om hen trapsgewijze op te voeren tot de oudste belofte, die aan de vader van de gelovigen gedaan was, aldus wordt Hij gezegd, Micha 7:20, de trouw te houden met Jakob, en de goedertierenheid met Abraham. Hij zal om hunnentwil vers 45 I), niet om de wille van hun verdiensten maar hun ten beste, gedenken het verbonds met de voorouders, en uit dien hoofde hun vriendelijkheid betonen, hoewel zij het ten enenmale onwaardig zijn, daarom wordt van hen gezegd, dat zij, "aangaande de verkiezing, beminden zijn om van de vaderen wil," Romeinen 11:28. Als zij, die in een weg van zonde in tegenheid hebben gewandeld met God, in oprecht berouw tot Hem weerkeren, dan zal Hij, hoewel in een weg van oordeel met hen in tegenheid gewandeld hebbende, in een weg van bijzondere goedertierenheid tot hen terugkeren, ingevolge het verbond van de verlossing en genade. Niemand is zo bereid om zich te bekeren, als God bereid is om te vergeven op berouw en bekering, door Christus, die gegeven is tot een verbond.
Eindelijk. Er wordt gezegd, dat dit de wetten zijn, die de Heere gegeven heeft tussen zich en tussen de kinderen Israëls, vers 46. Zijn gemeenschap met Zijn kerk wordt onderhouden door Zijn wet. Hij openbaart niet slechts Zijn heerschappij over hen, maar Zijn gunst jegens hen, door hun Zijn wet te geven, en zij betonen niet slechts hun heilige vreze, maar hun heilige liefde, door haar waar te nemen, en aldus is zij tussen hen meer gemaakt als een verbond dan als een wet, want Hij trekt met mensenzelen.