Bijbelstudie
Boeken
2 Koningen 20
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
1
IN
1
die dagen
a
werd Hizkía krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE:
2
Geef bevel aan uw huis, want
3
gij zult sterven, en niet leven.
2
Toen
4
keerde hij zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den HEERE, zeggende:
3
Och HEERE, gedenk toch dat ik voor Uw aangezicht
5
in waarheid en met een
6
volkomen hart gewandeld en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkía
7
weende gans zeer.
4
Het gebeurde nu als Jesaja uit het
8
middelvoorhof
nog
niet gegaan was, dat het woord des HEEREN tot hem geschiedde, zeggende:
5
Keer weder en zeg tot Hizkía, den voorganger Mijns volks: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien. Zie, Ik zal u gezond maken; aan den derden dag zult gij opgaan in het huis des HEEREN;
6
En Ik zal vijftien jaar tot uw dagen
9
toedoen, en
10
zal u uit de hand des konings van Assyrië verlossen, mitsgaders deze stad; en Ik zal deze stad beschermen
11
om Mijnentwil en
12
om Mijns knechts Davids wil.
7
Daarna zeide Jesaja: Neemt een klomp vijgen. En zij namen ze en legden ze op de zweer; en hij werd
13
genezen.
8
Hizkía nu
14
had gezegd tot Jesaja: Welk is het teken, dat de HEERE mij gezond maken zal, en dat ik op den derden dag in des HEEREN huis zal opgaan?
9
En Jesaja zeide: Dit zal u een teken van den HEERE zijn, dat de HEERE het woord dat Hij gesproken heeft, doen zal:
15
Zal de
16
schaduw tien
17
graden
18
voorwaarts gaan of tien graden
19
achterwaarts keren?
10
Toen zeide Jehizkía: Het is der schaduw
20
licht, tien graden nederwaarts te gaan; neen, maar dat de schaduw tien graden achterwaarts kere.
11
En Jesaja, de profeet, riep den HEERE aan; en Hij deed de schaduw tien graden achterwaarts keren in de graden dewelke zij nederwaarts gegaan was, in de
21
graden van Achaz'
zonnewijzer
.
12
Te dien tijde
22
zond Beródach
23
Báladan, de zoon van Báladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkía; want hij had gehoord dat Hizkía krank geweest was.
13
En Hizkía
24
hoorde naar
25
hen en hij toonde hun zijn ganse
26
schathuis, het zilver en het goud, en de specerijen en de beste olie, en zijn
27
wapenhuis en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn ganse heerschappij, dat hij hun niet toonde.
14
Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkía, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd en vanwaar zijn zij tot u gekomen? En Hizkía zeide: Zij zijn uit verren lande gekomen, uit Babel.
15
En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkía zeide: Zij hebben alles gezien wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb.
16
Toen zeide Jesaja tot Hizkía: Hoor
28
des HEEREN woord.
17
Zie, de dagen komen,
29
dat al wat in uw huis is en wat uw vaderen tot dezen dag toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt de HEERE.
18
Daartoe
30
zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij
31
hovelingen zijn in het paleis des konings van Babel.
19
Maar Hizkía zeide tot Jesaja: Het woord des HEEREN dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij:
32
Zou het niet, naardien vrede en waarheid in mijn dagen wezen zal?
20
Het overige nu der geschiedenissen van Hizkía, en al zijn macht, en hoe hij den
33
vijver en den watergang gemaakt heeft, en water in de stad
34
gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
21
En Hizkía ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.