23. Dit, wat gij verkondigd hebt omtrent het welgelukken van de onderneming van Babels koning, zal hun, tegen wie de krijgstocht Zich in de eerste plaats richt, den mannen van Juda en Jeruzalen, in hun ogen als een ijdel, een vals waarzeggen zijn, omdat zij menen, dat de heiligste eden Gods hun ter zijde staan. Zij denken, dat de Heere in ieder geval voor hen zal strijden en in grote wonderen Zich aan Zijn volk zal verheerlijken en hun valse profeten versterken hen in hunnen waan. Er zijn ook redenen om te vertrouwen, daar zij met eden beëedigd zijn onder hen, daar de Egyptenaren en andere omliggende volken zich met eden tot hulp hebben verbonden; maar hij, Nebukadnezar, zal der ongerechtigheid gedenken, dat zij een eed van trouw aan hem hebben verbroken en daardoor alle beloften Gods, die zij zeker voor zich hadden, hebben verzondigd en van zijne zijde zal hij voortgaan, opdat zij gegrepen worden en hun stad worde verwoest.
In het Hebreeuws klinken deze woorden weer evenals in, 10, 13 zeer kort en duister; zij worden daarom door de uitleggers zeer verschillend verklaard. Ene andere dan wij gaven naar onze Staten-overzetters, geeft Dächsel, die het "met eden beëedigd zijn onder hen" uitlegt, als zwoer hun de koning, dat hij een woord Gods had, en vermaande hij hen, dat zij zouden ophouden zich te verzetten tegen God, die met hem was, terwijl zij, gelijk eens Josia (2 Kronieken 35:20) de woorden des konings niet zouden gehoorzamen. "De Joden zullen de waarheid, die den koning van Babel is geworden, voor bedrog houden; zij zullen menen, dat het hun nooit zou kunnen zijn toegelegd, om Jeruzalem te veroveren, maar hij, denkende aan de misdaad van de verbreking des eeds, brengt tevens de misdaad van het verbreken van den eed aan den Heere gegeven in herinnering, en heeft als werktuig ter wrake daarover de zekerheid voor zich, dat hij ze zal winnen en voor den tegen hem misdreven eedbreuk in sterke mate zal straffen. Nog moet ene verdere gedachte, die in het woord "waarzeggen" ligt, worden opgemerkt, daar het terug ziet op de waarzegging in, 22. De bedreiging, reeds dikwijls uit den mond der Profeten Gods gehoord omtrent den gehelen ondergang van Jeruzalem, hebben zij altijd maar als ene bedrieglijke, heidense waarzegging behandeld. Daarom zal nu die, welke zeker in de eerste plaats ene zodanige was, zal dat den koning van Babel ten dele geworden orakel, hetwelk hem naar Jeruzalem wijst, tot ene volle profetische waarheid worden. Onder andere omstandigheden zouden zij volkomen recht hebben, om zulk waarzeggen voor vals te houden, daar zij echter de Goddelijke voorzegging steeds voor vals hebben gehouden, en zich niet tot bekering hebben laten dringen, zal het valse nu toch het juiste zijn. Door deze gedachte wordt ook de diepe betekenis van het gezegde in Vers 21, ons geheel duidelijk. "
Door anderen wordt het weer verklaard, dat de Joden, die van Zedekia's, opstand niets wisten, deze niet konden geloven, dat zij met ede aan Nebukadnezar verbonden waren, en dus ook den ondergang van Jeruzalem onmogelijk achtten.