Psalm 9:1-11
Het opschrift van deze psalm geeft een zeer onzeker geluid betreffende de gelegenheid waarbij hij geschreven werd. Hij is op muth-labben, hetgeen volgens sommigen verwijst naar de dood van Goliath, volgens anderen van Nabal, en wederom anderen van Absalom. Maar ik neig er toe om te denken dat het slechts de een of andere melodie of een muziekinstrument betekent, waarop of met begeleiding waarvan deze psalm gezongen moest worden, en dat de vijanden, in wier nederlaag hij hier juicht, de Filistijnen zijn en de andere naburige volken, die zijn vestiging op de troon tegenstonden, die hij in het begin van zijn regering beoorloogde en tenonder bracht, 2 Samuël 5:8.
In deze verzen:
I. Wekt David zich op om God te loven voor Zijn goedertierenheden en de grote dingen, die Hij onlangs voor hem en zijn regering gedaan heeft, vers 2, 3. God verwacht dankbare lof van hen, voor wie Hij wonderen gedaan heeft. Als wij God op welbehaaglijke wijze willen loven dan moeten wij Hem loven in oprechtheid met ons hart, en niet alleen met onze lippen, levendig en vurig zijn in het vervullen van die plicht, met ons gehele hart. Als wij God danken voor een bijzondere zegen, dan moeten wij naar aanleiding daarvan ook vorige weldaden en zegeningen gedenken, en aldus al Zijn wonderen vertellen. Heilige vreugde is het leven van dankbare lof, zoals dankbare lof de taal is van heilige vreugde, in U zal ik mij verblijden en van vreugde opspringen. Wat er ook gebeurt om ons blijde te maken, onze blijdschap moet eindigen in God alleen, ik zal mij in U verblijden, niet zozeer in de gave als wel in de Gever. Aan blijdschap en lof wordt op gepaste wijze uiting gegeven door het zingen van psalmen. Als God getoond heeft dat Hij boven de trotse vijanden van Zijn kerk is, dan moet dit voor ons een aanleiding zijn om Hem eer te geven als de Allerhoogste. De triomfen van de Verlosser behoren de triomfen te zijn van de verlosten. Zie Openbaring 12:10, 19:5, 15:3, 4.
II. Hij erkent de almachtige kracht van God, waartegen de sterksten en stoutmoedigsten van Zijn vijanden niet bestand zijn, vers 4.
1. Zij zijn genoodzaakt achterwaarts te keren, hun beleid en hun moed falen hun, zodat zij niet voorwaarts kunnen of durven gaan in hun ondernemingen, maar zich in allerijl terugtrekken.
2. Als zij eens achterwaarts gekeerd zijn, vallen zij en vergaan, zelfs hun terugtocht zal hun verderf zijn, en zij kunnen zich niet meer redden door te vluchten. Als Haman begint te vallen voor Mordechai's aangezicht, dan is hij verloren, dan zal hij niet meer tegen hem overmogen, zie Esther 6:13.
3. De tegenwoordigheid van de Heere en de heerlijkheid van Zijn macht zijn voldoende voor het verderf van Zijn en Zijns volks vijanden. Dat wordt wel zeer gemakkelijk gedaan wat iemand doet door zijn blote tegenwoordigheid, daarmee beschaamt God Zijn vijanden en verdoet hen, zodanig is Zijn tegenwoordigheid. Dit werd vervuld toen op het een woord van onze Heere Jezus: "Ik ben het," Zijn vijanden achterwaarts gingen en ter aarde vielen, Johannes 18:6, Hij zou hen terzelfder tijd hebben kunnen doen omkomen. 4. Als de vijanden van Gods kerk te schande gemaakt worden, dan moeten wij dit toeschrijven aan de kracht, niet van de werktuigen maar van Zijn aangezicht, dat is: van Zijn tegenwoordigheid en er Hem al de eer van geven.
III. Hij geeft God de eer van Zijn gerechtigheid door ten zijnen behoeve te verschijnen, vers 5. Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan, mijn rechtvaardige zaak, toen zij behandeld moest worden hebt Gij gezeten op de troon, recht doende.
Merk op:
1. God zit op de troon des gerichts, Hem komt het toe om de geschillen te beslechten, uitspraak te doen, als er beroep wordt gedaan recht te doen aan de verongelijkte of benadeelde, en die onrecht doen te straffen, want Hij heeft gezegd: Mijn is de wraak.
2. Wij zijn er zeker van dat Gods oordeel naar waarheid is, en dat in Hem geen ongerechtigheid is. Verre zij het van God het recht te verkeren. Indien het ons toeschijnt dat er enige onregelmatigheid is in de tegenwoordige beslissingen van de voorzienigheid, kunnen deze inplaats van ons geloof aan Gods gerechtigheid aan het wankelen te brengen toch dienen om ons geloof aan het toekomend oordeel te bevestigen, dat alles in orde zal brengen.
3. Wie ook een rechtvaardige benadeelde zaak moge verlaten, wij kunnen er zeker van zijn dat de rechtvaardige God haar zal voorstaan en afdoen, nooit zal toelaten dat zij terneder geworpen wordt.
IV. Hij verhaalt met blijdschap de triomfen van de God des hemels over al de machten van de hel en laat die triomfen gepaard gaan met zijn lof, vers 6. God was op drieerlei wijze met Zijn macht en gerechtigheid opgetreden tegen de heidenen en goddelozen, die vijanden waren van de koning, die God nu onlangs op Zijn heilige berg Zion gevestigd had.
1. Hij had hen bestraft. "Gij hebt de heidenen gescholden, hebt hun merkbare bewijzen gegeven van Uw misnoegen op hen." Dit deed Hij, voordat Hij hen verdelgde, opdat zij zich door de bestraffingen van de Voorzienigheid nog zouden laten waarschuwen. ten einde aldus hun verderf te voorkomen.
2. Hij had hen afgesneden. Gij hebt de goddelozen verdaan. De goddelozen zijn getekend voor het verderf en sommigen worden tot gedenktekenen gesteld van Gods wrekende gerechtigheid en verwoestende macht en kracht in deze wereld.
3. Hij had hen begraven in vergetelheid en had hun naam voor eeuwig uitgedelgd, opdat zij nooit met eerbied of achting herdacht zouden worden.
V. Hij triomfeert over de vijand tegen wie God aldus verschijnt, vers 7. Gij hebt steden uitgeroeid. Hetzij: Gij, o vijand, hebt onze steden verwoest, in uw bedoeling en verbeelding tenminste," of: "Gij, o God, hebt hun steden uitgeroeid door de verwoesting, die over hun land gebracht is." Het kan in beide betekenissen genomen worden, want de psalmist wil de vijand doen weten: 1. Dat hun verderf rechtvaardig is, en dat God slechts met hen afrekende voor al het kwaad dat zij gedaan en bedoeld hebben tegen Zijn volk. De boosaardige, kwellende naburen van Israël, zoals de Filistijnen, de Moabieten en Ammonieten, de Edomieten en de Syriërs hadden invallen bij hen gedaan (toen er geen koning in Israël was om hun krijgen te voeren) en hun steden verwoest en gedaan wat zij konden om ook de gedachtenis van hun naam te doen vergaan, maar nu was het rad omgekeerd, hun verwoesten van Israël was tot een einde gekomen, zij zullen nu ophouden met roven en plunderen, en moeten zelf beroofd en verwoest worden, les. 33:1.
2. Dat het een algehele verwoesting is, een verwoesting, die voor altijd een einde aan hen zal maken, zodat zelfs de gedachtenis aan deze steden met haar vergaan zal. Zo verwoestend is de tijd, en veel meer nog, zulke verwoestingen worden door de rechtvaardige oordelen Gods over de zondaren gebracht, dat grote en volkrijke steden in zulke puinhopen zijn verkeerd dat zelfs de gedachtenis er aan vergaan is, en zij, die ze gezocht hebben, de plaats niet meer konden vinden waar zij gestaan hebben. Maar wij zien uit naar een staat, die betere fundamenten heeft.
Vl. Hij vertroost zichzelf en anderen in God, en verlustigt zich:
1. Met de gedachte aan Zijn eeuwig bestaan. Op deze aarde zien wij niets dat duurzaam is, sterke steden zelfs liggen begraven onder puin en zijn vergeten, maar de Heere zal in eeuwigheid ziften, vers 8. Er is geen verandering in Zijn bestaan, Zijn gelukzaligheid, Zijn macht en volmaaktheid zijn buiten het bereik van de verenigde machten van hel en aarde, deze kunnen een einde maken aan onze vrijheden, onze voorrechten, ons leven, maar onze God is nog dezelfde, en is gezeten over de watervloed onbewogen, ongestoord, Psalm 29:10 :93:2.
2. Met de gedachten aan Zijn vrijmacht beide in de regering en in het oordeel. Hij heeft Zijn troon bereid, heeft hem vastgesteld door Zijn oneindige wijsheid en Zijn onveranderlijke raad. Als de macht van de vijanden van de kerk dreigend is, en haar zaken in treurige toestand zijn, dan is het de steun en troost van de Godvruchtigen dat God thans de wereld regeert en haar weldra zal oordelen.
3. Met de gedachten aan Zijn rechtvaardigheid en gerechtigheid in Zijn regering en bestuur. Iederen dag doet Hij alles, en op de laatste dag zal Hij alles doen, overeenkomstig de eeuwige, onveranderlijke regelen van de billijkheid, vers 9. Hij zal de wereld richten, alle personen en alle geschillen, zal het volk recht toebedelen, hun lot beide in deze en de toekomende staat bepalen in gerechtigheid en rechtmatigheid, zodat er zelfs geen schijn van aanleiding is tot tegenwerping of tegenspraak ervan.
4. Met de gedachte aan de bijzondere gunst die God Zijn eigen volk toedraagt, en de bijzondere bescherming, die Hij over hen uitstrekt. De Heere, die in eeuwigheid zal zitten, is hun eeuwige sterkte en beschermer. Hij, die de wereld richt, zal hun gewis recht doen, als zij te eniger tijd geschaad of benauwd worden, vers 10, Hij zal een hoog vertrek zijn voor de verdrukte, een hoog vertrek in tijden van benauwdheid. Het is het lot van Gods volk verdrukt te zijn in deze wereld en moeilijke tijden te beleven. God zal misschien niet terstond voor hen verschijnen als hun bevrijder en wreker, maar in het midden van hun benauwdheid kunnen zij door het geloof de toevlucht nemen tot Hem als hun hoog vertrek, en steunen op Zijn macht en belofte voor hun veiligheid, zodat hun geen wezenlijk kwaad gedaan kan worden. 5. Met de gedachte aan de lieflijke voldoening en gemoedsrust, welke gesmaakt worden door hen, die God tot hun hoog vertrek hebben gesteld, vers 11. "Die Uw naam kennen, zullen op U vertrouwen, zoals ik op U vertrouwd heb", (want de genade Gods is dezelfde in al de heiligen) "en dan zullen zij bevinden, zoals ik het ondervonden heb, dat Gij niet verlaat degenen, die U zoeken, want de gunst Gods is dezelfde jegens al de heiligen." Hoe meer wij God kennen, hoe meer wij op Hem vertrouwen. Zij, die Hem kennen als een God van oneindige wijsheid, zullen Hem verder vertrouwen dan zij Hem kunnen zien, Job 35:14, zij, die Hem kennen als een God van almachtige kracht, zullen op Hem vertrouwen als het vertrouwen op schepselen faalt en zij niets anders hebben om op te vertrouwen, 2 Kronieken 20:12, en zij, die Hem kennen als een God van oneindige genade en goedertierenheid, zullen op Hem vertrouwen "al zou Hij hen doden", Job 13:15. Zij, die Hem kennen als een God van onkreukbare waarheid en trouw, zullen zich verheugen in Zijn woord van belofte, en daarop steunen, al wordt de vervulling ook vertraagd en al schijnen de tussenkomende omstandigheden er ook in tegenspraak mee te zijn. Zij, die Hem kennen als de Vader van de geesten en een eeuwige Vader, zullen Hem hun ziel toevertrouwen, als hun hoogste, hun voornaamste zorg, en ten allen tijde tot aan het einde op Hem vertrouwen. Hoe meer op God vertrouwd wordt, hoe meer Hij wordt gezocht. Als wij op God vertrouwen, zullen wij Hem zoeken door getrouw en vurig bidden, en door een standvastige voortdurende zorg om ons Hem welbehaaglijk te maken in geheel onze levenswandel. God heeft nooit, en zal nooit, hen verlaten of verstouten, die Hem zoeken en op Hem vertrouwen. Hoewel Hij hen beproeft, laat Hij hen toch niet zonder troost, hoewel Hij hen voor een tijd schijnt te verlaten, zal Hij hen toch met eeuwige ontferming weer tot zich vergaderen.