Markus 4:21-34
De lessen, die onze Heiland ons hier door gelijkenissen en overdrachtelijke uitdrukkingen wil leren, zijn:
I. Dat zij, die goed zijn, zich de verplichtingen voor ogen moeten stellen, waaronder zij zijn, om goed te doen, dat is, evenals in de vorige gelijkenis, om vrucht voort te brengen. God verwacht van ons een dankbare wedervergelding van Zijne gaven aan ons, en een nuttig gebruik van Zijne gaven in ons, want, vers 21, Komt ook de kaars opdat zij onder de korenmaat of onder het bed gezet worde? Neen, maar opdat zij op den kandelaar gezet worde. De apostelen waren gesteld om het Evangelie te ontvangen, niet alleen voor henzelven, maar tot welzijn van anderen, om het hun mede te delen. Alle Christenen moeten, gelijk zij gaven ontvangen hebben, ze bedienen aan de anderen. Gaven der genade maken den mens als ene kaars, als de lamp des Heeren, Spreuken 20:27, ontstoken door den Vader der lichten. De uitnemendsten zijn toch slechts kaarsen, armoedige lichten in vergelijking met de Zon der gerechtigheid. Ene kaars geeft slechts licht in een kleinen omtrek, en slechts gedurende een kleinen tijd, en zij wordt gemakkelijk uitgeblust, en al brandende verteert zij zichzelve. Velen, die als kaarsen branden, stellen zich onder een bed, of onder een korenmaat, zij tonen zelven geen genade en bedienen haar ook niet aan anderen, zij hebben bezittingen en doen er geen goed mede, zij hebben lijf en leden en gezonde zinnen, vernuft en geleerdheid wellicht, maar niemand heeft er nut of voordeel van, zij hebben geestelijke gaven, maar gebruiken ze niet, als een kaarsje in een urn, branden zij slechts voor zich zelven. Zij, die als kaarsen zijn aangestoken, moeten zich op een kandelaar stellen, dat is: zij moeten gebruik maken van alle gelegenheden om goed te doen, als degenen, die geschapen zijn tot eer en heerlijkheid Gods, en tot den dienst van de gemeenschap, waarvan zij leden zijn. Wij zijn niet voor ons zelven geboren. De reden, hiervoor gegeven is, dat er niets verborgen is, dat niet geopenbaard zal worden, vers 22. Er is in niemand een schat van gaven en genade neergelegd dan met het doel om meegedeeld te worden. Het Evangelie is gene geheimenis, gemaakt voor de apostelen, om te worden verborgen, maar om aan geheel de wereld te worden bekend gemaakt. Hoewel Christus de gelijkenissen voor Zijne discipelen in het bijzonder heeft verklaard, was het toch met de bedoeling, om ze in het algemeen nuttiger te maken. Zij werden onderwezen, opdat zij zouden onderwijzen, en het is een algemene regel, dat de bediening des Geestes aan een iegelijk gegeven is, om er voor zich zelven en anderen voordeel mede te doen.
II. Het is voor hen, die het woord des Evangelies horen, van groot gewicht en belang, om acht te geven op hetgeen zij horen en er een goed gebruik van te maken, omdat er hun wel of hun wee van afhangt. Wat Hij tevoren gezegd heeft, zegt Hij wederom: Zo iemand oren heeft om te horen, die hore, vers 23. Laat hem het Evangelie van Christus horen, maar dit is niet genoeg, er wordt bijgevoegd, vers 24, Ziet wat gij hoort, geeft er nauwkeurig acht op. Overweegt hetgeen gij hoort. Wat wij horen zal ons geen goed doen, tenzij wij er over nadenken. Zij inzonderheid die anderen moeten onderwijzen, behoren zelf zeer nauwkeurig acht te geven op de dingen Gods, kennis te nemen van de boodschap, die zij hebben te brengen, ten einde het met juistheid en nauwkeurigheid te doen. Wij moeten ook acht geven op hetgeen wij horen, door alle dingen te onderzoeken, ten einde het goede te kunnen behouden. Wij moeten voorzichtig zijn en wel toezien, opdat wij niet worden bedrogen. Bedenkt, om aan deze waarschuwing kracht bij te zetten, dat 1. Gelijk wij handelen met God, zo zal God handelen met ons, Met wat mate gij meet, zal u gemeten worden. Indien gij getrouwe dienstknechten voor Hem zijt, dan zal Hij een getrouw Meester voor u wezen: bij den oprechte houdt Hij zich oprecht.
2. Naar wij de talenten, die ons zijn toevertrouwd, gebruiken, zullen wij ze vermeerderen. Als wij gebruik maken van onze kennis tot eer van God en tot welzijn van anderen, dan zal zij merkbaar toenemen, zoals opgeslagen koopwaren vermeerderen door omzetting: u, die hoort, zal meer toegelegd worden, zo wie heeft, dien zal gegeven worden, vers 25. Indien de discipelen datgene aan de kerk overgeven, hetwelk zij van den Heere hebben ontvangen, dan zullen zij meer ingeleid worden in de verborgenheid des Heeren. Gaven en talenten nemen toe door beoefend te worden, en God heeft beloofd de hand des vlijtigen te zegenen.
3. Als wij hetgeen wij hebben niet gebruiken, dan verliezen wij het. Van hem, die niet heeft-die geen goed doet met wat hij heeft, en het dus tevergeefs heeft, en is alsof hij het niet had-zal genomen worden ook dat hij heeft. Een talent te begraven is misbruik te maken van vertrouwen, en staat gelijk met verbeuren, en gaven en talenten roesten als zij niet worden gebruikt.
III. Het goede zaad van het Evangelie, gezaaid in de wereld en gezaaid in het hart, zal trapsgewijze, maar zonder gerucht of gedruis wondervolle uitwerkselen hebben, vers 26 en verder. Alzo is het koninkrijk Gods, alzo is het Evangelie, als het gezaaid is en ontvangen is, als zaad in goede aarde.
1. Het zal uitspruiten, hoewel het verloren scheen, begraven onder de aardkluiten, zal het er zich toch een weg doorheen banen. Het zaad, in de aarde geworpen, zal uitspruiten. Laat het woord van Christus slechts de plaats in de ziel hebben, die het behoort te hebben, en het zal zich tonen als de wijsheid, die van boven is, in een goeden levenswandel. Als een akker met koren is bezaaid. hoe spoedig zal daarvan de oppervlakte dan gans anders uitzien! Hoe vrolijk en lieflijk is hij om aan te zien, als hij met groen bedekt is!
2. De landman kan er gene beschrijving van geven, hoe het opkomt, het is een der verborgenheden van de natuur, het sproot uit en werd lang, hij zelf wist niet hoe, vers 27. Hij ziet dat het gegroeid is, maar hij kan niet zeggen hoe het groeide, of wat de oorzaak en de methode van dit groeien was. Zo weten wij niet hoe de Geest door het woord ene verandering teweegbrengt in het hart, wij weten het niet, evenmin als wij het waaien van den wind kunnen verklaren, waarvan wij het geluid horen, zonder te weten vanwaar hij komt of waar hij heengaat. Buiten allen twijfel, de verborgenheid der Godzaligheid is groot, hoe God is geopenbaard in het vlees, en geloofd is in de wereld. 1 Timotheus 3:16.
3. Als de landman het zaad gezaaid heeft, doet hij niets om het te doen uitspruiten. Hij slaapt en staat op, nacht en dag, hij gaat slapen des nachts, hij staat op in den morgen, en misschien denkt hij niet eens aan het koren, dat hij gezaaid heeft, of ziet hij er niet naar, maar gaat uit op zijn vermaak of op zijne zaken, en toch brengt de aarde vanzelf vrucht voort, overeenkomstig den gewonen loop der natuur en door de medewerkende kracht van den God der natuur. Aldus wordt het woord der genade, als het ontvangen is in geloof, in het hart een werk der genade, en de predikers dragen daar niets toe bij. De Geest Gods draagt het voort, als zij slapen en geen werk kunnen doen, Job 33:15, 16, of als zij opstaan om ander werk te verrichten. De profeten zullen niet in eeuwigheid leven, maar het woord, dat zij prediken, doet zijn werk als zij in hun graf zijn, Zacheria 1:5, 6. De dauw, waardoor het zaad opkomt, wacht naar geen man, noch verbeidt mensenkinderen. Micha 5:6.
4. Het groeit trapsgewijze, eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar, vers 28. Als het ontsproten is, zal het opwassen, de natuur zal haar loop hebben, en evenzo ook de genade. Christus' invloed in de wereld en in het hart is, en zal zijn, een toenemende invloed, en hoewel het begin gering is, het laatste zal zeer vermeerderd worden. Hoewel gij niet het lichaam zaait, dat worden zal, maar een bloot graan, zal God toch aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam geven. Hoewel het in het eerst slechts een teder kruid is, dat door de vorst bedorven of door den voet vertreden kan worden, zal het toch groeien en tot aar worden. en eindelijk tot het volle koren in de aar. God zet Zijn werk voort, onmerkbaar en zonder gedruis, maar onweerstaanbaar en zonder te falen.
5. Het komt eindelijk tot volkomenheid, vers 29. Als de vrucht zich voordoet, dat is: als zij rijp is en gereed om in des eigenaars hand overgegeven te worden, dan zendt hij de sikkel daarin. Hiermede wordt aangeduid: a, Dat Christus thans den dienst aanneemt, die Hem met een oprecht hart en uit een goed beginsel gedaan wordt. Van de vrucht des Evangelies, plaats hebbende en werkende in de ziel, oogst Christus eer in voor zich zelven, Johannes 4:35.
b. Dat Hij hen belonen zal in het eeuwige leven. Als zij, die het Evangelie op de rechte wijze hebben aangenomen, hun loop hebben voleindigd, dan komt de oogst, wanneer zij als tarwe in Gods schuur gebracht zullen worden, Mattheus 13:30, als een korenhoop in zijn tijd.
IV. Het werk der genade is bij den aanvang gering, maar wordt ten laatste groot en aanzienlijk, vers 30-32. Waarbij zullen wij het koninkrijk Gods vergelijken, zoals het nu door den Messias wordt opgericht? Hoe zal Ik er u het bestemde plan van doen begrijpen? Christus spreekt als bij zich zelven overleggende, hoe Hij dit door een gepaste gelijkenis zal ophelderen? Waarbij zullen wij het koninkrijk Gods vergelijken? Zullen wij het vergelijken bij iets van de zon, of van de wentelingen der maan? Neen, de vergelijking is ontleend aan deze aarde, het is als een mostaardzaad. Tevoren had Hij het vergeleken bij gezaaid zaad, hier bij dat zaad, waarmee Hij bedoelde aan te tonen:
1. Dat het begin van het Evangelie-koninkrijk zeer klein zal zijn, gelijk aan het minste van alle zaden. Toen er een Christelijke kerk voor God in de aarde gezaaid was, was zij geheel vervat in ene enkele kamer, en het getal der namen was slechts honderd twintig, Handelingen 1:15, gelijk de kinderen Israël's, toen zij afgingen naar Egypte, slechts zeventig zielen waren. Het werk der genade in de ziel is, bij den aanvang, slechts de dag der kleine dingen, een wolk, niet groter dan eens mans hand. Nooit zijn zo grote dingen ondernomen door zo onbeduidend een handvol als het onderwijzen der volken door den dienst der apostelen, noch was ooit een werk, dat in zo grote heerlijkheid zou eindigen, uit zo zwakke beginselen voortgekomen, als het werk der genade. Wie heeft mij dezen gegenereerd?
2. Dat de voltooiing er van zeer groot zal zijn, Wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden. Het Evangelie-koninkrijk in de wereld zal toenemen en zich uitbreiden tot aan de verst-afgelegen volken der aarde, en bestaan blijven tot aan de laatste eeuwen van den tijd. De kerk heeft grote takken gemaakt, sterke, krachtige takken, die zich wijd uitspreiden en vruchtbaar zijn. Het werk der genade in de ziel heeft grote voortbrengselen, nu reeds terwijl het nog in groei is, wat zal het zijn als het volmaakt zal wezen in den hemel. Het verschil tussen een mostaardzaadje en een groten boom is onbeduidend, vergeleken bij het verschil tussen een pas- bekeerde op aarde en een verheerlijkten heilige in den hemel, Johannes 12:24. Na de gelijkenissen aldus in bijzonderheden vermeld te hebben, besluit de gewijde geschiedschrijver met dit algemeen bericht van Christus' prediking: "Door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het woord, vers 33, waarschijnlijk bedoelende ons te verwijzen naar het uitvoerige bericht van de gelijkenissen van die soort, dat wij bij Mattheus hebben gehad, Mattheus 13.. Hij sprak in gelijkenissen, naar dat zij het horen konden. Hij ontleende Zijne gelijkenissen aan dingen, waarmee zij gemeenzaam bekend waren, geschikt voor hun bevatting, en Hij sprak ze, of droeg ze voor, in eenvoudige bewoordingen, zich neerbuigende tot hun bevattingsvermogen. Hoewel Hij hen niet inleidde in de verborgenheid der gelijkenissen, was toch Zijne wijze van uitdrukking gemakkelijk te begrijpen en licht te onthouden, om door de herdenking er van gesticht te kunnen worden. Maar voor het ogenblik heeft Hij zonder gelijkenis niet tot hen gesproken, vers 34. De heerlijkheid des Heeren was bedekt door ene wolk, en God spreekt tot ons in de taal van de kinderen der mensen, opdat wij, hoewel niet dadelijk bij het begin, maar toch langzamerhand en trapsgewijze, Zijne bedoeling verstaan. De discipelen zelf hebben de woorden van Christus later verstaan, terwijl zij in het eerst de betekenis er van niet gevat hebben. Maar deze gelijkenissen heeft Hij hun verklaard in het bijzonder. Wij kunnen niet anders dan wensen dat wij die verklaring hadden, zoals wij die van de gelijkenis van den zaaier hebben, maar dit was niet zo nodig omdat, als de kerk uitgebreid zal zijn, die uitbreiding ons deze gelijkenissen als vanzelf zal verklaren.