Jeremia 22:10-19
Koningen zijn voor God mensen, al zijn ze goden voor ons, en zij moeten "sterven als een mens, " dat blijkt uit deze verzen, waar wij een doodvonnis zien uitgesproken over twee koningen, die achtereenvolgens te Jeruzalem regeerden, twee broeders, en beide de onverschillige zonen van een vrome vader.
I. Hier is het vonnis van Sallum, die zonder twijfel dezelfde is als Joahaz, want hij is die zoon van Josia, de koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, vers 11, wat Joahaz deed, door het optreden van het volk, dat hem koning maakte, hoewel hij niet de oudste zoon was, 2 Koningen 23-30, 2 Kronieken 36:1. Onder de zonen van Josia wordt Sallum vermeld en niet Joahaz, 1 Kronieken 3:15. Misschien gaf het volk aan hem de voorkeur boven zijn oudere broeder, omdat zij dachten, dat hij een energieker, stoutmoediger jonge man was, en meer geschikt om te regeren, maar God toonde hun spoedig de dwaasheid van hun onrechtvaardigheid, en dat hij niet voorspoedig zou zijn, want binnen drie maanden kwam de koning van Egypte over hem, en voerde hem als gevangene naar Egypte, zoals God gedreigd had, Deuteronomium 28:68. Het blijkt niet, dat iemand uit het volk die gevangenschap met hem deerde. Deze geschiedenis staat in 2 Koningen 23:34 en 2 Kronieken 36:4. Hier
1. Wordt het volk bevolen hem liever te beklagen dan zijn vader Josia: "Weent niet over de dode, weent niet langer over Josia". Jeremia was zelf een oprecht rouwdrager geweest, en had het volk aangespoord, rouw over hem te dragen, 2 Kronieken 35:25, toch wil hij nu, dat zij niet meer om hem zullen rouwen, hoewel het pas drie maanden na zijn dood was, om hun tranen een andere bestemming te geven. Zij moesten bitterlijk wenen om Joahaz, die naar Egypte gegaan was, niet dat het algemeen veel aan hem verloren had, zoals aan zijn vader, maar omdat zijn lot veel beklagenswaardiger was. Josia daalde ten grave in vrede en in ere, hij was verhinderd het kwaad in deze wereld te zien komen, en weggenomen om het goede in een andere wereld te aanschouwen, en daarom "beklaagt hem niet, maar zijn ongelukkigen zoon, die waarschijnlijk leven zal en leven in schande en ellende. als een ongelukkige gevangene". Stervende heiligen mogen met recht benijd worden, en levende zondaars met recht beklaagd. En zo somber kan het vooruitzicht in de toekomst soms zijn, dat men zijn tranen, zelfs voor een Josia, zelfs voor Jezus, moet inhouden om ze te bewaren voor onszelf en voor onze kinderen, Lukas 23:28.
2. De reden, daarvoor opgegeven, is dat hij nooit uit zijn gevangenschap zal terugkeren, zoals hij en zijn volk verwachten, maar aldaar zal sterven. Zij waren traag om dat te geloven, daarom wordt het hier telkens en telkens herhaald. Hij zal nimmermeer wederkeren, vers 10. Hij zal nooit het genoegen hebben het land van zijn geboorte weer te zien, maar zal het verdriet hebben voortdurend van zijn verwoesting te horen. Hij is uit deze plaats uitgegaan, en zal daar nimmermeer wederkomen, vers 11. Maar in de plaats waarheen zij hem gevankelijk hebben weggevoerd, zal hij sterven, vers 12. Dat kwam omdat hij het goede voorbeeld van zijn vader niet volgde, en het recht van zijn oudere broeder zich aanmatigde. In Ezechiëls klaaglied over de koningen van Israël wordt deze Joahaz voorgesteld als een "jonge leeuw, die spoedig leerde roof te roven," maar gevangen werd, en in ketenen naar Egypte gebracht werd, vanwaar men verlangend zijn terugkomst verbeidde, maar tevergeefs. Zie Ezechiël 19:3-5.
II. Hier is het vonnis van Jojakim, die hem opvolgde. Wij weten niet, of hij meer recht op de kroon had dan Sallum, want, hoewel hij ouder was dan zijn voorganger, schijnt er nog een andere zoon van Josia geweest te zijn, ouder dan hij en Johanan genoemd, 1 Kronieken 3:15. Maar wij weten, dat hij niet beter regeerde, en het hem niet beter verging, ten slotte. Hier hebben wij:
1. De getrouwe bestraffing van zijn zonden. Voor een bijzonder persoon is het niet gepast tot een koning te zeggen: Gij goddeloze, maar een profeet, die een boodschap van God heeft pleegt verraad, als hij zijn last niet volbrengt, hoe onaangenaam die wezen mag, en zelfs als hij aan koningen gericht is. Jojakim wordt hier niet van afgoderij beticht, en waarschijnlijk had hij Uria, de profeet, nog niet ter dood gebracht (zoals wij lezen, dat hij later deed, Hoofdstuk 26:22, 2, want dan zou het hem hier aangezegd zijn, maar de misdaden, waarvoor hij hier berispt wordt, zijn:
a. Trots, en liefde tot pracht en praal, alsof alles wet een koning troeft te doen, niets anders was dan een vertoon van grootheid maken, en goed te doen zijn minste zorg was. Hij moest zich een statig paleis bouwen, "een zeer hoog huis, en doorluchtige opperzalen, vers 14. hij houwt zich vensteren uit naar de laatste mode, misschien schuiframen zoals wij hebben". De kamers moeten een zoldering van cederhout hebben, de kostbaarste soort van hout. Zijn huis moet een even goed dak en beschot hebben als de tempel zelf anders bevalt het hem niet, 1 Koningen 6:15, 76. Ja, nog sterker, het moet geverfd worden met menie, die rood kleurt, of, als sommigen lezen, met indigo, dat blauw kleurt. Zonder twijfel is het vorsten en groten geoorloofd te bouwen, te verfraaien, en hun huizen te meubileren, zoals hun waardigheid toekomt, maar Hij, die weet wat in `s mensen hart omgaat, wist, dat Jojakim het deed in de trots van zijn hart, die tot zonde tot grote zonde maakt, wat op zichzelf geoorloofd is. Daarom, die hun huizen vergroten en ze weelderiger inrichten, mogen wel toezien op de toestand van hun gemoed, terwijl zij dat doen, en nauwlettend waken tegen elke uiting van ijdelheid. Maar wat bijzonder verkeerd was in Jojakims geval, was, dat hij het deed, terwijl hij wel moest bemerken, beide door het woord van God en door Zijn leiding, dat goddelijke oordelen over hem in aantocht waren. De eerste drie jaren regeerde hij met verlof en toestemming van de koning van Egypte, en de volgende met verlof en toestemming van de koning van Babel, en toch begeert hij, die niet meer is dan een onderkoning, in gebouwen en meubilair te wedijveren met de grootste monarchen. Zie hoe aanmatigend hij is in dit besluit "Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen," ik ben besloten, ik wil, wie mij ook het tegendeel aanraadt. Het is de gewone dwaasheid van zinkende regeringen, dat zij begeren een vertoon van macht te scheppen. Velen hebben onvernederde harten onder vernederende leidingen, en tonen zich het hooghartigst, als God bezig is ze omlaag te brengen. Dat is twisten met onze Maken
b. Vleselijke zekerheid en vertrouwen op zijn rijkdom, die afhankelijk was van de voortduring van zijn voorspoed, alsof zijn berg nu vast stond, zodat hij nimmer bewogen kon worden. Hij meende, dat hij onafgebroken en zonder stoornis moest regeren, omdat hij zich had bedekt met cederhout, vers 15, alsof dat te fraai was om te beschadigen en te sterk om doorbroken te worden, en alsof God zelf niet, uit medelijden, zo'n statig huis kon overgeven om verbrand te worden. Zo kwamen de discipelen van Christus, toen Hij van de verwoesting van de tempel sprak, tot Hem, om Hem te laten zien, wat een prachtig gebouw het was, Mattheus 23:38,24:1. Vreselijk bedriegen zichzelf die menen, dat hun tegenwoordige voorspoed een blijvende zekerheid is, en dromen, dat ze regeren, omdat zij cederhout boven hun hoofd hebben. Alleen in zijn eigen waan is "des rijken goed een stad van zijn sterkte."
c. Sommigen menen, dat hij hier beticht wordt van heiligschennis en van het beroven van Gods huis om zijn eigen huis op te sieren en te verfraaien. "Hij houwt zich Mijne vensteren uit, (staat in de kanttekening) wat sommigen verstaan alsof hij vensters uit de tempel had genomen om die in zijn eigen paleis te plaatsen, en ze dan geverfd met menie (zoals daar volgt), opdat men het niet zou ontdekken, maar denken, dat ze bij het paleis hoorden. Zij bedriegen en verderven zichzelf ten laatste, die zich denken te verrijken door God en Zijn huis te beroven, en hoe zij het ook mogen vermommen, God ontdekt het.
d. Hij wordt hier beticht van afpersing, onderdrukking, geweldenarij en onrechtvaardigheid. Hij bouwde zijn huis met ongerechtigheid, met geld, onrechtvaardig verkregen, en bouwstoffen, waar hij niet eerlijk aangekomen was, en misschien op grond, verkregen, zoals Achab Naboths wijngaard verkreeg. En, omdat hij boven zijn middelen ging, bedroog hij de werklieden met het loon, wat een van die zonden is, waarvan het geschrei doordringt "tot in de oren van de Heere Zebaoth," Jakobus 5:4. God neemt kennis van het onrecht, door de grootsten onder de mensen hun armen knechten en werklieden aangedaan, en zal `t rechtvaardiglijk vergelden hem die geen billijk loon wil geven aan de zodanigen, die hij in zijn dienst heeft, maar "zijns naasten dienst om niet gebruikt." De grootsten onder de mensen moeten de geringsten beschouwen als hun naasten en dienovereenkomstig rechtvaardig jegens hen zijn, en hen liefhebben als zichzelve. Jojakim was een onderdrukker, niet alleen als hij bouwde, maar ook in de uitoefening van zijn bestuur. Hij deed geen recht, maakte er geen gewetenszaak van om onschuldig bloed te vergieten als dat dieper, kon om het doel van zijn eerzucht, hebzucht of wraakzucht te bereiken. "Hij was een en al onderdrukking en geweld, niet alleen in zijn bedreigingen, maar ook in zijn daden, en als hij zich een of andere onrechtvaardigheid in `t hoofd had gezet, kan niets hem tegenhouden, maar hij ging er mee door". En wat op de bodem van dat alles lag, dat was gierigheid, de liefde tot geld, "die de wortel is van alle kwaad. Uw ogen en UW hart zijn niet dan op uw geldgierigheid, " daarop waren zij gericht en op niets anders. Bij gierigheid wandelt het hart de ogen achterna, daarom wordt zij genoemd: "de begeerlijkheid van de ogen," 1 Johannes 2:16, Job 31:7. "Het is uw ogen laten vliegen op hetgene dat niets is," Spreuken 23:5. De ogen en het hart zijn dan tot gierigheid, als de rijkdom van deze wereld het enige doel en de enige liefde is, en waar dat zo is, is de verzoeking groot tot moord, onderdrukking, en alle soorten van geweld en schelmerij.
2. Wat al zijn zonden verzwaarde, was, dat hij de zoon was van een goede vader, die hem een goed voorbeeld gegeven had, als hij dat maar gevolgd had, vers 15, 16:Heeft niet uw vader gegeten en gedronken? Terwijl Jojakim zijn huis vergrootte en verlichtte, heeft hij waarschijnlijk met minachting gesproken van zijn vader, omdat die zich tevreden stelde met zo'n gering en ongeschikt huis, beneden de grootheid van een souverein vorst en hem bespot als iemand met weinig verbeeldingskracht, weinig opgewektheid en die het niet over zijn hart kon krijgen zijn geld uit te geven, noch veel gaf om zijn fatsoen, dat wat zijn vader beviel, beviel hem niet, maar God zegt hem door de profeet dat, al had hij geen lust om te bouwen, hij een man was van een uitmuntend karakter, en een beter man, dan hij was, en beter zorgde voor zichzelf en zijn familie. De kinderen, die de ouderwetsheid van hun ouders verachten, bezitten in de regel weinig van hun goede eigenschappen. Jeremia zegt hem:
a. Dat hem bevolen wordt zijn plicht te doen naar al wat zijn vader gedaan had: "Hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, " hij deed nooit een van zijn onderdanen onrecht, onderdrukte ze nooit, en legde hun geen lasten op, maar was nauwlettend in `t ontzien van al hun rechten en hun eigendommen. Ja, niet alleen misbruikte hij zijn macht niet tot ondersteuning van het onrecht, maar hij gebruikte ze tot handhaving van het recht. "Hij heeft de rechtzaak des ellendige en nooddruftige gericht," was bereid om naar de zaak van de geringste van zijn onderdanen te horen en hem recht te doen. De zorg van overheden moet zijn, niet de handhaving van hun grootheid en het nemen van hun gemak, maar om goed te doen, niet alleen om de armen zelf niet te onderdekken, maar om de onderdrukten te verdedigen.
b. Dat zijns vaders voorspoed een aanmoediging is voor hem om zijn plicht te doen.
Ten eerste, God nam hem aan: "Is dat niet mij te kennen? spreekt de Heere." Bleek daar niet duidelijk uit, dat hij God recht kende, en Hem vereerde, en bijgevolg door Hem gekend, en erkend werd? De rechte kennis van God bestaat in het doen van onze plicht, in `t bijzonder de plicht van onze plaats en stand in de wereld.
Ten tweede, hij zelf genoot er de voorrechten van. "Heeft hij niet gegeten en gedronken, matig en opgeruimd, zoveel als nodig was om hem bekwaam te maken voor zijn werk, tot sterkte en niet tot drinkerij," Prediker 10:17. Hij at en dronk en deed recht, hij deed niet (zoals Jojakim en zijn vorsten misschien deden) drinken, de inzettingen vergeten, en de rechtzaak van alle verdrukten veranderen. Hij at en dronk, dat is, God zegende hem met overvloed, en hij had er zelf het voordeel en het genoegen van en gaf zijn vrienden feestelijke partijen, was zeer gastvrij en liefdadig. Jojakims trots was het, dat hij een prachtig huis gebouwd had, maar Josia's ware lof was, dat hij een goed huis gehouden had. Veeltijds hebben zij, die de grootste neiging voelen tot pracht en praal, de minste ware edelmoedigheid, want, om hun buitensporige uitgaven te dekken, moeten zij wel uitzuinigen op de gastvrijheid, mildheid jegens de armen, ja op de gerechtigheid zelf. Het is beter met Josia in een ouderwets huis te wonen, en goed te doen, dan met Jojakim in een statig huis te wonen, en zijn schulden onbetaald te laten. Josia deed recht en gerechtigheid, en het ging hem wel, vers 15, en in vers 16 wordt het herhaald. Hij leefde zeer goed, zijn eigen onderdanen en al zijn naburen achtten hem, en hij was voorspoedig in al wat hij deed. Zolang wij wel doen, kunnen wij verwachten, dat het ons wel zal gaan. Deze Jojakim wist, dat zijn vader ondervonden had, dat de weg van de plicht die van de voorspoed was, en toch wilde hij niet in zijn voetstappen wandelen. Dat onze godzalige ouders de godsdienst staande hielden in hun dagen en ons dat aanbevalen om hun ervaring van de voorrechten daarvan, moest ons verplichten om die in stand te houden in onze dagen. Zij zeiden ons, dat zij bevonden hadden, dat de beloften, "die de godzaligheid heeft des tegenwoordigen levens," vervuld zijn geworden en dat godsdienst en vroomheid gunstig zijn voor uiterlijke voorspoed. Zodat wij niet te verontschuldigen zijn, als wij ons van die goede weg afkeren.
3. Hier hebben wij Jojakims vonnis getrouwelijk aangezegd, vers 18, 19. Wij mogen veronderstellen, dat het met het grootste levensgevaar was, dat Jeremia hier de schandelijker dood van Jojakim voorspelde, maar "alzo zegt de Heere van hem, en daarom zegt hij aldus.
a. Hij zal onbetreurd sterven, hij zal zich zo gehaat maken door zijn onderdrukking en wreedheid, dat allen, die hem kennen, blij zullen zijn van hem te scheiden, en niemand zal hem de eer aandoen, een traan om hem te laten, terwijl zijn vader, die "recht en gerechtigheid deed, algemeen betreurd werd, en Zedekia wordt beloofd, dat hij betreurd zal worden bij zijn dood, want hij gedroeg zich beter dan Jojakim gedaan had", Hoofdstuk 34:5. Zijn verwanten zullen hem niet betreuren, zelfs niet met de gewone uitingen van smart, zelfs bij de begrafenis van de geringste, waarbij men riep: "Och mijn broeder, of och zuster!" Zijn onderdanen zullen hem niet betreuren, en niet luide klagen, zoals men gewoon was bij de graven van zijn vorsten: "Och heer, of och zijn majesteit! "Het is treurig voor iemand om zo te leven, dat, als hij sterft, niemand er spijt van heeft, dat hij van hem moet scheiden. Ja, b. Hij zal onbegraven blijven. Dit is erger dan het voorafgaande. Zelfs die geen tranen hebben om de begrafenis van de doden te eren zouden ze graag willen begraven om ze niet te moeten zien, maar "Jojakim zal begraven worden met een ezelsbegrafenis, dat is hij zal in `t geheel geen begrafenis hebben, maar zijn dood lichaam zal in een gracht geworpen worden of op een mesthoop, men zal hem slepen en daarhenen werpen, ver weg van de poorten van Jeruzalem. In de geschiedenis van Jojakim, 2 Kronieken 36:6, wordt gezegd, dat Nebukadnezar hem met twee koperen ketenen bond om hem te voeren naar Babel, en in Ezechiël 19:9, dat hij in gesloten bewaring gesteld werd, opdat zij hem brachten tot de koning van Babel." Maar het is waarschijnlijk, dat hij als gevangene stierf, voordat hij naar Babel gevoerd werd, zoals het plan was, misschien stierf hij van smart, of verhaastte hij zijn einde, in de trots van zijn hart, en werd hem om die reden een betamelijke begrafenis geweigerd, zoals men zelfmoordenaars onder ons pleegt te doen. Josefus zegt, dat Nebukadnezar hem doodde te Jeruzalem, en zijn lijk aldus liet liggen, ergens op grote afstand "van de poorten van Jeruzalem." En er wordt gezegd, dat hij "ontsliep met zijn vaderen," 2 Koningen 24:6. Toen hij zichzelf een statig huls bouwde, bestemde hij ongetwijfeld een statig graf voor zichzelf, maar zie, hoe hij teleurgesteld werd. Die zich opheffen met groten trots worden gewoonlijk bewaard voor een of andere grote schande, tijdens hun leven of na hun dood.