Psalm 24:1-2
1. Hier is Gods volstrekt recht van eigendom in dit deel van de schepping, waarin ons lot gelegen is, vers 1. Wij moeten niet denken dat de hemel, namelijk de hemel alleen, des Heeren is met de talloze, schitterende bewoners ervan en dat deze aarde, omdat zij zo klein en onbeduidend een deel is van de schepping, en op zo groten afstand is geplaatst van het koninklijk paleis hierboven, veronachtzaamd is, en dat Hij er geen belang in stelt. Neen, zelfs de aarde is van Hem, en hoewel Hij de troon van Zijn heerlijkheid in de hemelen heeft bevestigd, heerst toch Zijn koninkrijk over alles, en zelfs de wormen van deze aarde zijn niet beneden Zijn kennisneming, of buiten Zijn heerschappij.
A. Toen God deze aarde aan de kinderen van de mensen heeft gegeven, heeft Hij zich toch Zijn recht van eigendom erin voorbehouden, en aan hen het bezit ervan gegeven als vruchtgebruikers. De aarde is des Heeren, mitsgaders haar volheid, de mijnen, die in haar ingewanden verborgen zijn, zelfs de rijkste ervan, de vruchten, die Zij voortbrengt, al de dieren van het woud en het vee op duizend bergen, onze landerijen en huizen en al de verbeteringen, die door de vlijt en de kunst van de mens op aarde gemaakt zijn het is alles het Zijne. In het rijk van de genade worden die dingen wel als nietig beschouwd, want zij zijn ijdelheid van de ijdelheden, een niets voor de ziel, maar in het rijk van de voorzienigheid zijn zij een volheid. "Het aardrijk is vol van Gods schatten," Psalm 104:24, en dat is ook de grote ruime zee. Al de delen al de landstreken van de aarde zijn des Heeren allen zijn zij onder Zijn oog, allen zijn in Zijn hand zodat een kind van God, overal waar hij heengaat, zich hiermede kan vertroosten, dat hij niet van zijns Vaders grond afgaat. Hetgeen ons van de aarde en haar voortbrengselen ten deel valt, is ons slechts geleend, het is des Heeren, wat tegenover de gehele wereld ons eigendom is, is het niet tegenover Zijn aanspraken. Hetgeen het verst van ons verwijderd is, zoals hetgeen de paden van de zeeën doorwandelt, of op de bodem ervan verborgen ligt, is des Heeren, en Hij weet waar het te vinden.
B. Het bewoonbare deel van de aarde is in zeer bijzonderen zin des Heeren, Spreuken 8:31, "de wereld en die daarin wonen." Ook wij zijn niet van ons zelf, ons lichaam en onze ziel behoren ons niet toe. Alle zielen zijn van Mijn, zegt God, want Hij is de formeerder van ons lichaam, en de Vader van onze geest. Onze tong is niet onze, zij moet Hem ten diepste staan. Zelfs diegenen van de kinderen van de mensen zijn van Hem, die Hem niet kennen noch hun betrekking tot Hem erkennen. Nu wordt dit hier te pas gebracht om aan te tonen dat, hoewel het Gode genadiglijk behaagt om de toewijding en diensten aan te nemen van Zijn eigen verkoren volk, vers 3-5 het niet is omdat Hij ze nodig heeft, of er door bevoordeeld kan worden, want de aarde is van Hem en al wat er op of in is, Exodus 19:5, Psalm 50:12. Het moet ook toegepast worden op de heerschappij, die Christus als Middelaar heeft over de uiterste einden van de aarde, die Hem tot Zijn bezitting zijn gegeven. De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen in Zijn handen gegeven, macht over alle vlees. De apostel heeft deze Schriftuurplaats tweemaal aangehaald in zijn rede over hetgeen de afgoden geofferd is, 1 Corinthiers 10:26, 28. Indien het in het vleeshuis verkocht wordt, eet het, en vraag niet, onderzoek niet, want de aarde is des Heeren het is het goede schepsel Gods en gij hebt er recht op, maar zo iemand u zegt: het is een afgod geofferd, laat er van af, eet het niet, want de aarde is des Heeren, en er is behalve dat nog genoeg. Dit is een goede reden, waarom wij tevreden behoren te wezen met ons deel in de wereld en anderen het hun niet moeten benijden, de aarde is des Heeren, en mag Hij met het Zijne niet doen, wat Hij wil, aan sommigen meer er van geven, en aan anderen minder, naar het Hem behaagt? 2. Waar dit Zijn eigendomsrecht op gegrond is: de aarde is van Hem door een onbetwistbaar recht, want Hij heeft haar gegrond op de zeeën en gevestigd op de rivieren, vers 2. Zij is de Zijne, want,
a. Hij heeft haar gemaakt, haar geformeerd, haar gegrond en geschikt gemaakt voor de mens om er op te wonen. De stof is van Hem, want Hij heeft haar uit het niets gemaakt, de vorm is de Zijne, want Hij heeft haar gemaakt naar de eeuwigen raad en de denkbeelden van Zijn eigen Geest. Hijzelf heeft haar gemaakt, en Hij heeft haar voor zichzelf gemaakt, zodat Hij er de enige, algehele en volstrekte eigenaar van is, en niemand kan ons een recht op enig deel ervan verlenen, dan door, vanwege en onder Hem, zie Psalm 89:12, 13.
b. Hij maakte haar, zoals niemand anders haar kon maken, zij is het schepsel van de Almacht, want zij is gegrond op de zeeën, op de vloeden, een zwak, onvast fundament (zou men zo zeggen) om er de aarde op te bouwen, en toch, als het van de Almacht behaagt, zal het dienen om het gewicht van deze aarde te dragen. Aan de wateren, die haar in het eerst bedekten en haar ongeschikt maakten om door de mens bewoond te worden, werd geboden onder haar te gaan, zodat het droge gezien werd, en aldus zijn zij er als het fundament van, zie Psalm 104:8, 9.
c. Hij houdt haar in stand, Hij heeft haar gevestigd, vastgesteld, zodat, hoewel het éne geslacht gaat en het andere komt, de aarde staat in eeuwigheid Prediker 1-:4. En Zijn voorzienigheid is een voortgezette schepping, Psalm 119:90. De fundering van de aarde op de vloeden moet ons er aan herinneren hoe glibberig en onzeker alle aardse dingen zijn, hun grondslag is niet slechts zand, maar water, daarom is het onze dwaasheid om er op te bouwen.