Jesaja 54:1-5
Indien wij dit toepassen op de toestand van de Joden na hun terugkeer uit de gevangenschap, is het een profetie van de aanwas van hun volk na hun vestiging in hun eigen land. Jeruzalem was geweest in de toestand van een kinderloze weduwe of een verlaten, wanhopige weduwe, meer nu wordt beloofd dat de stad opnieuw gevuld zal worden en het land weer bevolkt, dat niet alleen de bouwvallen van Jeruzalem hersteld zouden worden, Naar ook de voorsteden naar alle zijden uitgebreid en dat een grote menigte huizen op de oude fundamenten zouden gebouwd worden. Ook zouden de landerijen, die gedurende zo vele jaren door de Babylonische heidenen wederrechtelijk in bezit gehouden waren, tot hun wettige eigenaren wederkeren. God wil opnieuw haar echtgenoot zijn, en de smaad van haar gevangenschap en van het geringe getal waartoe zij ingekrompen waren, zal vergeten worden. En het moet opgemerkt worden, dat uit kracht van de oude belofte aan Abraham omtrent de toeneming van zijn zaad, zij, toen ze weer door God in gunst waren aangenomen, aanmerkelijk vermeerderden. Zij, die het eerst uit Babel wederkeerden, waren slechts twee en veertig duizend. Ezra 2:64, ongeveer een vijftiende gedeelte van hun aantal tijdens de uittocht uit Egypte, verscheidenen kwamen druppelsgewijs zich later bij die eersten voegen, maar wij mogen veronderstellen dat dit het grootste aantal was dat in een groep de terugreis ondernam. Iets meer dan vijfhonderd jaar later, kort voor de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen, werd hun aantal geschat naar het getal paaslammeren, en de nietigste berekening daarnaar, waarbij op tien personen per lam gerekend werd, hetgeen twintig zijn mocht bracht het volk tot ongeveer drie millioen personen, Josefus zegt: zeven en twintig honderd duizend, (de Bel. Jud. lib 7, cap 27).
Doch wij moeten het toepassen op de kerk Gods in het algemeen, ik bedoel het koninkrijk Gods onder de mensen, Gods stad in deze wereld, de kinderen Gods als de lichaam.
Merk op
I. De lage en vernederende staat van de godsdienst in de wereld, gedurende lange tijd voor de komst van het Christendom. De religie was gelijk een onvruchtbare die niet baarde en geen arbeid had met kinderen, gelijk een verlatene, die echtgenoot en kinderen verloren had, de kerk vond weinig belangstelling en droeg weinig vrucht. De Joden stonden werkelijk door belijdenis in huwelijksverbond met God, maar er werden slechts weinige proselieten tot hen toegevoegd, de opkomende geslachten beloofden weinig goeds, en ernstige godsdienstigheid ging onder hen gestadig achteruit. De heidenen hadden nog minder godsdienst dan de Joden, de proselieten waren verstrooid, en de kinderen van God waren gelijk de kinderen van een uiteengerukt gezin, "alom verstrooid," Johannes 11:52, zij verschenen niet en trokken in `t minst niet de aandacht.
II. De herstelling uit deze vervallen staat door de prediking van het Evangelie en de vestiging van de Christelijke kerk.
1. Velen werden bekeerd van de afgoden tot de levende God, deze waren de kinderen van de kerk, zij werden opnieuw geboren, werden deelgenoten van een nieuwe, goddelijke natuur door het woord. De kinderen van de eenzame werden meer dan de kinderen van de getrouwde, dat is: er werden meer godvrezenden gevonden in de kerk uit de heidenen, toen die gesticht werd, die vroeger verre weg en vervreemd van God geleefd hadden, dan er ooit gevonden waren in de Joodse kerk. Gods verzegelden uit de stammen Israëls zijn genummerd, Openbaring 7:4, en zij waren slechts een overblijfsel vergeleken bij de duizenden van Israël. Maar die uit de andere volken waren zo menigvuldig en zo verspreid in alle landen van de wereld, dat niemand ze tellen kon, (vers 9). Soms wordt er meer van de invloed van de genade gevonden in geslachten en plaatsen, die er slechts weinig van gezien hebben en weinig van de genademiddelen genoten hebben dan in anderen die zich onderscheiden hebberd door een levendige belijdenis, en dan zijn de kinderen van de eenzame en de vruchten van hun rechtvaardigmaking meer, dan die van de getrouwde. Zo kunnen de laatsten de eersten zijn.
Nu wordt hiervan gesproken als van een reden van grote blijdschap voor de kerk, welke opgeroepen wordt om naar aanleiding daarvan vrolijk te zingen en met gejuich geschal te maken. De toeneming van de kerk is een oorzaak van blijdschap voor al haar vrienden en sterkt hun banden. Hoe langer de kerk eenzaam en verlaten gelegen heeft, zoveel groter zal de vervoering van vreugde zijn wanneer zij de grond, die zij verloren had, begint te herwinnen en meer dan dat. Zelfs in de hemel, onder de engelen Gods, is er blijdschap over (en zondaar die zich bekeert, hoeveel te meer indien een geheel volk dat doet!) Indien de onvruchtbare vijgeboom ten slotte vrucht voortbrengt, is dat een oorzaak van vreugde voor velen.
2. De grenzen van de kerk worden veel verder uitgestrekt dan ooit tevoren, vers 2,3.
a. Hier wordt verondersteld dat de tegenwoordige toestand van de kerk is een tabernakel staat, zij woont in tenten, gelijk de erfgenamen van de belofte van de ouden dag, Hebreeën 11:9. Haar woning is gering en beweeglijk en niet bestand tegen storm. De stad, de blijvende stad, wordt bewaard voor hiernamaals. Een tent wordt spoedig opgenomen en opgerold, zo kan de kandelaar van de voorrechten van de kerk spoedig van haar plaats geweerd worden, Openbaring 2:5, en indien het Gode behaagt ergens anders gezet worden.
b. Of schoon het een tabernakel staat is, kan ze dikwijls merkwaardig voor toeneming vatbaar zijn, en als het gezin vermeerdert, zij het desnoods in een tent zo was het in de eerste tijd van de verkondiging des Evangelies, het was de taak van de apostelen om alle volken te onderwijzen, om de tenten van de kerk wijd uit te strekken, en het Evangelie te prediken waar de naam van Christus nog niet genoemd was, Romeinen 15:20. Zij moesten het Evangelie brengen in plaatsen en landen, die tot nu toe vreemd er aan waren, en daardoor de koorden lang maken en de plaats van de tent verwijden, op dat zij meerderen zou kunnen bevatten. Daarom moesten de pinnen vast ingeslagen worden, ten einde het gewicht van de vergrote gordijnen te kunnen dragen. Hoe meer de kerk in aantal toeneemt, des te meer moet er gezorgd worden dat zij versterkt worden tegen dwalingen en bederf en dat haar zeven pilaren krachtig zijn, Spreuken 9:1.
c. Het was een bewijs van de goddelijke macht, die het Evangelie vergezelde, dat het Evangelie in alle plaatsen met macht wies en de overhand nam, Handelingen 19:20. Het brak voort als de wateren aan de rechter- en aan de linkerhand, dat is: aan alle zijden het Evangelie verspreidde zich over de gehele wereld, er waren oosterse en westerse kerken. Het zaad van de kerk erfde de heidenen, en de steden, die eenzaam geweest waren, dat is, die verstoken geweest waren van de kennis en verering van de ware God, werden nu bewoond, de godsdienst werd er gevestigd en de naam van Christus beleden.
3. Dat was de vertroosting en de eer van de kerk, vers 4. Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, gelijk vroeger, door de bekrompenheid uwer grenzen en het kleine aantal van uw kinderen, hetgeen uw vijanden u voor de voeten wierpen, gij zult de schaamte van uw jonkheid vergeten, want er zal geen reden meer zijn voor zulke verwijten. Het was de smaadheid van de Christelijke godsdienst in zijn jeugd, dat geen van de vorsten en overheden van deze wereld hem wilden omhelzen, en dat hij alleen aangenomen en beleden werd door een veracht hoopje mensen. Maar later werden de volken onderwezen, het keizerrijk werd Christelijk en toen was de smaadheid van de jeugd vergeten.
4. Dit was te danken aan de betrekking waarin God tot de kerk stond als haar echtgenoot vers 6. Uw Maker is uw man. De gelovigen worden gezegd met Christus gehuwd te zijn opdat zij Gode vruchten dragen zouden, Romeinen 7:4. Zo is de kerk aan hem gehuwd opdat zij een heilig zaad voor God moge voortbrengen en opleiden, dat hem tot in geslachten zal aangerekend worden. Jezus Christus is de maker van Zijn kerk, door wie zij tot een volk gevormd wordt-haar Verlosser, door wie zij uit de gevangenschap geleid wordt, uit de dienstbaarheid van de zonde, de ergste van alle slavernijen. Dat betekent dat Hij haar getrouwd heeft.
a. Hij is de Heere van de heirscharen, die onweerstaanbare macht bezit, onbeperkte heerschappij en een eeuwig koninkrijk heeft. Koningen zijn heren van enkele legerscharen en ondervinden dat er andere heren van andere heirscharen zijn, even machtig als zij, maar God is de Heere van alle heirscharen.
b. Hij is de Heilige Israëls, dezelfde die de belangen van de oud-testamentische kerk bestuurde: en de Middelaar van het met haar gemaakte verbond. De beloften aan het Israël van het nieuwe verbond gegeven, zijn even rijk en zeker als die aan het oud-testamentische Israël gedaan, want hij die onze Verlosser is, is de Heilige Israëls.
c. Hij zal de God van de hele aardbodem genoemd worden, als God en als Middelaar, want Hij is de erfgenaam van alle dingen. Hij zal zo genoemd worden wanneer alle einden van de aarde het heil van onze God gezien hebben, de gehele aarde zal Hem haar God noemen en aan Hem deelhebber. Lange tijd is Hij op bijzondere wijze de God van Israël genoemd, maar nu is de middelmuur des afscheidsels tussen Joden en heidenen afgebroken, nu zal Hij de God van de gehele aardbodem genoemd worden, ook daar waar Hij, gelijk te Athene, een onbekende God was.