Ezechiël 16:60-63
Na een hoogst beschamende overtuiging van zonde, en een allervreselijkste aankondiging van oordelen, wordt hier, aan het slot van het hoofdstuk aan genade gedacht, en genade bewaard voor hen, die na hen komen zullen. Evenals, toen God in Zijn toorn zwoer, dat die uit Egypte gekomen waren, Kanaän niet zouden binnengaan, Hij zei: Uw kinderen zal Ik daarin brengen, zo ook hier. En sommigen menen ook, dat wat van de terugkeer van Sodom en Samaria gezegd wordt, vers 53, 54, en van Jeruzalem met hen, een belofte is, zo kunnen wij het opvatten, als met Sodom bedoeld wordt (wat de mening van Grotius en van sommige Joodse schrijvers is) de Moabieten en de Ammonieten, de nakomelingschap van Lot, die eens te Sodom woonde, hun gevangenis werd gewend, Jeremia 48:47, 49:6, evenals die van velen van de tien stammen en die van Juda met hen. Maar deze slotverzen zijn zonder twijfel een kostelijke belofte, die ten dele vervuld werd bij de terugkeer van de boetvaardige en bekeerde Joden uit Babel, maar zou haar volledige vervulling ontvangen, wanneer het Evangelie gebracht zou zijn, "predikende bekering en vergeving van de zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem."
I. Deze genade zal haar ontstaan te danken hebben aan God Zelf, als Hij gedachtig zal wezen aan Zijn verbond met hen, vers 60. Hoewel zij Hem zo getergd hadden, en God getergd was in zo'n mate, dat men zou denken, dat van een verzoening nooit meer sprake zou kunnen zijn, "evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, dat verbond, dat Ik met u maakte in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal het weer oprichten. Of schoon gij het verbond gebroken hebt, vers 59, zal Ik het gedenken en opnieuw doen bloeien." Zie hoe grote troost en zegen het voor ons is, dat het Gode behaagt met ons te handelen op de weg van een verbond, want aldus worden Zijn weldadigheden gewisse weldadigheden en eeuwig, Jeremia 55:3, en zolang deze wortel krachtig blijft in de grond, zolang is er verwachting voor een boom, al wordt hij afgehouwen, dat zijn scheut niet zal ophouden. Wij vinden nergens, dat zij Hem aan het verbond herinneren, "maar ex mero motu, louter uit eigen beweging," gedenkt Hij het, zoals Hij beloofd had, Leviticus 26:42 "Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond en aan het land. Hij, die ons gebiedt steeds indachtig te zijn aan het verbond, zal het zonder twijfel Zelf altijd gedenken, het Woord, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten, en dat blijft in van de eeuwigheid."
II. Voor deze genade zullen zij toebereid en bekwaam worden gemaakt, vers 61. Gij zult aan uw wegen gedenken, uw boze wegen, God zal er u aan doen denken, God zal ze voor uw aangezicht stellen, en gij zult beschaamd zijn. Gods goede werk begint in ons en houdt gelijke tred met Zijn goedgunstigheid jegens ons. Als Hij Zijn verbond gedenkt ter wille van ons, wil Hij onze zonden niet gedenken tegen ons, en daarom doet Hij ons aan onze zonden denken tegen ons zelf. En als wij ons slechts daartoe willen laten brengen, dan kunnen wij niet anders dan beschaamd zijn, dat onze wegen zo krom en verkeerd geweest zijn, en dat wij er op gewandeld hebben, tegen Gods wil, en als wij zover gekomen zijn, dan zijn wij volkomen voorbereid, de eer en de troost van een bezegelde vergiffenis en een gesloten vrede te ontvangen.
III. De genade zelf, die God voor hen bewaard heeft.
1. Hij zal hen opnemen in Zijn verbond, vers 60. Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten, en wederom vers 62 :Ik zal Mijn verbond met u oprichten, opnieuw oprichten, en vaster dan ooit. Het is een onuitsprekelijke troost voor alle waarlijk boetvaardigen, dat het genadeverbond in elk opzicht zo wel geordend is, dat wij niet uit het verbond verstoten worden door iedere overtreding in het verbond, want dat is onschendbaar.
2. Hij zal de heidenen in kerkelijke gemeenschap met hen brengen, vers 62. "Gij zult uw zusters aannemen, de heidense. volken, die om u heen zijn, die groter en die kleiner zijn dan gij, oude en nieuwe volken, en Ik zal u deze geven tot dochteren, zij zullen gefundeerd gevoed, onderwezen en opgevoed worden door dat Evangelie, dat Woord des Heeren, dat uit Zion en uit Jeruzalem zal uitgaan, zodat alle naburen Jeruzalem moeder zullen noemen, omdat de kerk daar blijft, en het Jeruzalem, dat van boven is, zullen erkennen als ons aller moeder, Galaten 4:26. Zij zullen u tot dochters zijn, maar niet uit uw verbond, niet door het verbond van de verbijzondering, niet als proselieten van de Joodse godsdienst en onderworpen aan het juk van de godsdienstige voorschriften van de wet, maar bekeerd met u tot de christelijken godsdienst." "Niet uit uw verbond kan ook betekenen, niet op de voorwaarden, die gij hun als overwonnen volk, als gevangenen en vazallen naar willekeur zoudt kunnen opleggen" (want zulk een heerschappij hopen de vleselijke Joden over de volken te zullen voeren), "neen, zij zullen u tot dochters zijn uit Mijn verbond, het genadeverbond met u en hen tezamen gemaakt, als een verbond tussen drie partijen". Ik zal een vader, een gemeenschappelijk vader zijn, beide voor Joden en heidenen, en zo zullen zij elkanders zusters worden. "En, als gij hen zult aannemen, zult gij beschaamd zijn over uw wegen, waarin gij hen gelijkvormig geworden waart. Gij zult blozen, als gij een van hen aanziet, en u herinnert, hoeveel slechter gij ten dage van uw afval waart dan de heidenen."
IV. De vruchten en resultaten hiervan zullen zijn,
1. God zal hierdoor verheerlijkt worden, vers 62:"Gij zult weten, dat Ik de Heere ben. Het zal hierdoor bekend worden, dat de God van Israël de Heere is, een God van macht, en getrouw aan Zijn verbond, en gij zult het weten, gij, die tot nu toe geleefd hebt alsof gij het niet wist en niet geloofde"." Dikwijls was het in toorn gezegd: Gij zult weten, dat Ik de Heere ben, gij zult het weten tot uw schade, hier wordt het in genade gezegd: Gij zult het weten tot uw vertroosting, en het is een van de kostbaarste beloften van het nieuwe verbond, dat God met ons gemaakt heeft, dat allen Hem zullen kennen van hun kleinste af tot hun grootste toe.
2. Zij zullen er te nederiger en te ootmoediger door worden, vanwege hun zonde, vers 63 "Opdat gij u te meer schaamt bij de herinnering aan alle verkeerdheid, die gij gedaan hebt, en uzelf verwijten doet en u duizendmaal dwaas plichtvergeten en ondankbaar noemt en uw mond niet meer opent om God tegen te spreken, Hem te berispen, of over Hem te klagen, maar voor altijd zwijgt en gehoorzaamt vanwege uw schande." Die op de rechte wijze hun zonden gedachtig zijn zullen er waarlijk beschaamd over zijn, en die waarlijk beschaamd zijn over hun zonden zullen alle reden hebben om geduldig en stom te zijn onder hun beproevingen en hun mond niet te openen tegen wat God doet. Maar wat het meest opmerkelijke is, dat dit alles zijn zal, "wanneer Ik voor u verzoening doen zal, spreekt de Heere Heere." Het is de genadige oprechtheid van de waarlijk boetvaardigen, dat, hoe klaarder bewijzen en hoe vollediger voorbeelden zij hebben van Gods verzoening met hen, zij des te meer smart en schaamte gevoelen, dat zij God ooit beledigd hebben. God is in Jezus Christus met ons verzoend, Hij is onze vrede, en het is door Zijn kruis, dat wij verzoend zijn, en in Zijn Evangelie, dat God de wereld met Zichzelf verzoent. De overweging hiervan meest machtig zijn, onze harten te doen smelten van godzalige smart over de zonde. Dat is zich bekeren, omdat "het koninkrijk van de hemelen nabij gekomen is." Nadat de verloren zoon de kus ontvangen had, waardoor hij zeker was, dat zijn vader met hem verzoend was, schaamde hij zich en wist met zichzelf geen raad, en zei: "Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u." En hoe meer onze schaamte over de zonde toeneemt door de bevinding van de vergevende genade, te meer zal onze troost in God toenemen