Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 11
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
TOEN hief mij
1
de Geest op, en bracht mij tot de
2
Oostpoort van het huis des HEEREN, dewelke ziet oostwaarts; en zie, aan de deur der poort waren
3
vijf en twintig mannen; en in het midden van hen zag ik
4
Jaäzánja, den zoon van Azzur, en
5
Pelátja, den zoon van Benája,
6
vorsten des volks.
2
En
7
Hij zeide tot mij: Mensenkind, dezen zijn de mannen die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad
8
raden in deze stad;
3
Die zeggen: Men moet geen huizen
9
nabij bouwen;
10
deze
stad
11
zou
12
de pot en wij het vlees zijn.
4
Daarom, profeteer tegen hen; profeteer, o mensenkind.
5
Zo
13
viel dan de Geest des HEEREN op mij en
14
Hij zeide tot mij: Zeg: Zo zegt de HEERE:
15
Alzo zegt gijlieden, o huis
16
Israëls, want Ik weet elkeen der
17
dingen die in uw geest opklimmen.
6
18
Gij hebt
19
uw verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en gij hebt derzelver straten met de verslagenen vervuld.
7
Daarom, zo zegt de Heere HEERE:
20
Uw verslagenen, die gij in het midden derzelve nedergelegd hebt, die zijn het vlees, en deze
stad
is de pot; maar ulieden zal Ik uit het midden
21
derzelve
22
doen uitgaan.
8
Gijlieden hebt het
23
zwaard gevreesd, en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt de Heere HEERE.
9
Ook zal Ik ulieden uit het midden derzelve doen uitgaan, en Ik zal u overgeven in de hand
24
der vreemden; en Ik zal
25
recht onder u doen.
10
Gij zult
26
door het zwaard vallen; in de
27
landpale Israëls zal Ik u
28
richten, en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.
11
Deze
stad
zal ulieden niet tot
29
een pot zijn, en gij zult in het midden derzelve
30
niet
tot vlees zijn;
31
in de landpale Israëls
32
zal Ik u richten.
12
En gij zult weten dat Ik de HEERE ben, omdat gij in Mijn inzettingen niet gewandeld en Mijn rechten niet gedaan hebt, maar naar de
33
rechten der heidenen die rondom u zijn, gedaan hebt.
13
Het geschiedde nu als ik
34
profeteerde, dat Pelátja, de zoon van Benája, stierf. Toen
35
viel ik neder op mijn aangezicht, en riep met
36
luider stem en zeide: Ach Heere HEERE,
37
zult Gij gans een voleinding maken met het overblijfsel Israëls?
14
Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
15
Mensenkind,
38
het zijn uw
39
broederen, uw
40
broederen, de mannen
41
uwer maagschap, en het ganse huis Israëls,
ja
, dat
42
ganse, tot welke de inwoners van Jeruzalem
43
gezegd hebben:
44
Maakt u verre af van den HEERE, ditzelve land is ons tot een erfbezitting gegeven.
16
Daarom, zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik
45
hen ver onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, nochtans zal Ik hun een
46
weinig
tijds
tot een Heiligdom zijn
47
in de landen waarin zij gekomen zijn.
17
Daarom, zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Ja,
48
Ik zal ulieden vergaderen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, en
49
Ik zal u het land Israëls geven.
18
En zij zullen daarheen komen, en al deszelfs
50
verfoeiselen en al deszelfs gruwelen vandaar wegdoen.
19
En Ik zal hun
a
51
enerlei
52
hart geven, en zal een
53
nieuwen geest in het binnenste van u geven, en Ik zal
54
het stenen hart uit
55
hun vlees
56
wegnemen, en zal hun een
57
vlezen hart geven,
20
58
Opdat zij wandelen in Mijn inzettingen, en Mijn rechten
59
bewaren en dezelve doen;
60
en zij zullen Mij tot een
b
volk zijn, en Ik zal hun
61
tot een God zijn.
21
62
Maar welker hart
63
het hart hunner
64
verfoeiselen en hunner gruwelen
65
nawandelt, derzelver weg zal Ik
66
op hun
c
hoofd geven, spreekt de Heere HEERE.
22
Toen hieven de
67
cherubs
68
hun vleugelen op, en de
69
raderen tegenover hen; en de
70
heerlijkheid van den God Israëls was over hen van boven.
23
En de heerlijkheid des HEEREN
71
rees op van het midden der stad, en
72
stond op den berg die tegen het oosten der stad is.
24
Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in gezicht
73
door den Geest Gods in Chaldéa, tot
74
de gevankelijk weggevoerden; en het gezicht dat ik gezien had, voer
75
van mij op.
25
En ik sprak tot de gevankelijk weggevoerden al de
76
woorden des HEEREN, die Hij mij had doen zien.