Ezechiël 12:21-28
Verschillende pogingen waren aangewend om dit zekere en onbekommerde volk op te wekken, tot verwachting van de komende oordelen, opdat zij zich mochten opmaken, die te voorkomen door berouw en verbetering. De profetieën van hun ondergang waren bevestigd door visioenen en toegelicht door tekenen, en dat met zoveel klaarheid en zo krachtig, dat het noodzakelijk een goede uitwerking moest hebben, zo zou men denken, maar hier wordt ons gezegd, hoe zij de overtuiging vermeden, en er zich tegen beveiligden, namelijk door zich zelf en elkaar wijs te maken, dat, al moesten die oordelen werkelijk komen, dat dan toch nog zo gauw niet zou zijn. Dit argument, waarachter zij zeker en veilig meenden te zijn, wordt hier beantwoord, en in twee afzonderlijke boodschappen, die God op verschillende tijden door de profeet tot hen zond, maar die van dezelfde strekking waren, wordt aangetoond, hoe ijdel het was, en zonder grond, zoveel zorg, zoveel moeite moet de profeet doen, om hun dwaling duidelijk te maken, vers 21, 26.
I. Hoe vleien zij zich met de hoop, dat de oordelen uitgesteld zullen worden. Er was een spreekwijze, die in het land Israëls spreekwoordelijk geworden was, vers 22. Zij zeiden: "De dagen zullen verlengd worden, de oordelen zijn niet gekomen, toen zij verwacht werden, maar schijnen steeds uitgesteld te worden de die in diem-van dag tot dag, en daaruit mogen wij de gevolgtrekking maken, dat al het gezicht vergaan zal, omdat het eens gebeurd is, en dat het verderf nooit komen zal, omdat het nog niet gekomen is, wij zullen nooit meer een profeet geloven, want wij zijn meer verschrikt, dan benadeeld." Zij hadden nog een andere zegswijze, die weliswaar niet overtuigend was, maar toch hun hart koel maakte, en hun belangstelling verminderde, en dat was: Het gericht is voor vele dagen, het heeft betrekking op gebeurtenissen in een verre toekomst, en hij profeteert van tijden, die verre zijn, zodat wij ons hoofd er niet mee behoeven te breken, al is het alles waar, vers 27, wij kunnen in eer en in vrede sterven, voordat al die rampen komen. En als de rampen werkelijk uitgesteld waren, dan hadden zij gerust kunnen zijn, zoals Hizkia: Doch het zij vrede en waarheid in mijn dagen. Maar het was een grote vergissing en zij bedrogen zich tot hun eigen verderf, en hier is God er zeer misnoegd over, want,
1. Het was een afschuwelijk misbruik van Gods geduld, die, omdat Hij zich een tijd lang stilhield, in hun gedachte, ten enenmale hun gelijk werd, Psalm 50:21. Die lankmoedigheid van God, die hen tot berouw had moeten brengen, verhardde hen in de zonde. "Zij waren geneigd te geloven, dat hun daden niet boos waren, omdat het oordeel tegen hen niet haastelijk geschiedde, en zij besloten, dat het gezicht zelf overging, omdat de dagen verlengd werden."
2. Deze gedachte vond instemming bij de valse profeten onder hen, zoals blijkt uit wat gezegd wordt van de ijdele gerechtigheid en vleiende waarzeggingen, zelfs in het midden van het huis Israëls, aan wie de woorden Gods zijn toevetrouwd. Het is geen wonder, dat zij, die zich zelf bedrogen door valse goden te dienen, zich evenzeer bedrogen door valse profetieën te geloven, aan welke kracht van de dwaling God hen rechtvaardiglijk overgaf tot afgoderij.
3. Deze zegswijzen waren spreekwoordelijk geworden, zij werden ijverig onder het volk verspreid, zodat zij in ieders mond waren, en dat niet alleen, maar zij werden algemeen geloofd, zoals gewoonlijk met spreekwoorden het geval is, niet alleen de spreekwoorden van de klassieken, maar ook die van de modernen. Het is een teken van algehele ontaarding van een volk als verderfelijke en goddeloze zegswijzen spreekwoordelijk geworden zijn, het is een kunstgreep van Satan tot bevestiging van de mensen in hun vooroordelen tegen het woord en de wegen van God, en een grote belediging voor God in de hemel. Het is geen verontschuldiging voor goddeloze woorden, dat iedereen ze gebruikt.
II. De verzekering wordt hun gegeven, dat zij alleen zichzelf bedriegen want de oordelen zullen verhaast en deze onheilige spreekwoorden teniet gedaan worden. Daarom zegt tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en wederom: Geen van Mijn woorden zullen weer uitgesteld worden, vers 28. Dat zij de dag des kwaads ver van zich afschuiven is slechts een tergen van God om die te spoediger over hen te brengen, en zoveel te vreselijker, zoveel te zwaarder, zoveel te meer een verrassing en een schrik zal het voor hen zijn, als hij komt. Hij moet hun zeggen,
1. Dat God gewis de valse spreekwoorden, en de leugenachtige profetieën, waarmee zij hun ijdele hoop gaande hielden, zal doen ophouden, en hen over beide beschaamd zal maken.
a. Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, want als zij zien, dat de dag van de wrake gekomen is, en geen tittel of jota van de voorspelling ter aarde valt, dan zullen zij zich schamen, om het ten spreekwoord te gebruiken: De dagen zullen verlengd worden en het gezicht zal vergaan. Die hun ogen niet laten openen en hun fouten verbeteren, door het Woord van God, zullen door Zijn oordelen ontgoocheld worden, want de mond van de leugensprekers zal gestopt worden.
b. Geen ijdel gezicht zal er meer wezen, vers 34. De valse profeten, die het volk zeiden, dat zij vrede hebben, en spoedig het einde van hun ellende zien zouden, zullen door de uitkomst geloochenstraft worden, en dan zullen zij beschaamd zijn over hun beweringen en hun aangezicht bedekken en zich het zwijgen opleggen. Daar de waarheid ouder is dan de dwaling, zal zij haar overleven. Zij had een voorsprong en zal de wedloop winnen. De gezichten en voorspellingen van de ware profeten houden stand, en blijven in volle kracht en macht en waarheid, zij zijn als de wet en ontvangen geloof, terwijl de ijdele gezichten en de vleiende waarzeggingen verloren en vergeten zijn, en niet meer in het midden van het huis Israëls zullen wezen, want groot is de waarheid, zij zal triomferen.
2. Dat God zeker en binnen zeer korte tijd ieder woord, dat Hij gesproken heeft, volbrengen zal. Met welk een majesteit zegt Hij het, vers 25 :Ik ben de Heere! Die heerlijke naam zegt, dat Hij een God is, die Zijn woord aanzijn geeft door het te volbrengen en daarom was Hij niet onder de naam van Heere bekend bij de patriarchen, die leefden door het geloof in een belofte, die nog niet vervuld was. Exodus 6:3. Maar, evenals Hij de Heere is, omdat Hij Zijn belofte vervult, zo is Hij het ook, omdat Hij Zijn bedreigingen volvoert. Zij moeten dan weten, dat God, met Wien zij te doen hebben, de grote Heere is, en daarom
a. "Zal Hij spreken, hetzij, dat zij horen zaken, of hetzij dat zij het laten zullen: Ik ben de Heere, Ik zal spreken". God zal spreken, wie Hem ook tegenspreekt. Gods woorden worden levende woorden genoemd, want zij spreken nog, terwijl de godsspraken van de heidenen reeds lang geleden met stomheid geslagen zijn. Er is altijd geweest en zal altijd zijn, een opeenvolging van Gods dienaren tot het einde van de wereld, door wie Hij spreekt, en hoezeer zij veracht mogen worden, dat zal in hun dienst geen verandering brengen: "In uw dagen, o weerspannig huis, zal Ik een woord spreken. Zelfs in de slechtste tijden van de kerk, heeft God Zichzelf niet onbetuigd gelaten, maar mannen verwekt, die voor Hem en van Hem spraken. Ik zal het woord spreken, dat zal blijven staan." b. Het woord, dat Hij spreekt, zal gebeuren, het zal onfeilbaar vervuld worden overeenkomstig de ware bedoeling en het doel er van, en in zijn volle betekenis en uitgestrektheid. Het woord, dat Ik spreken zal, zal gedaan worden, vers 25, want Zijn gedachten zijn niet veranderd, en Zijn arm is niet verkort, en ook is de oneindige Wijsheid nooit in verlegenheid. Bij de mensen zijn zeggen en doen twee maar niet bij God, bij Hem is het: (Dictum factum-Gedaan zoals gezegd) Voor de werken van Zijn Voorzienigheid, als voor die van de schepping, "spreekt Hij, en het is er, want Hij zei: Daar zij licht, en daar was licht. Daar zij een uitspansel en het was alzo," Numeri 23:19, 1 Samuël 15:29. Terwijl zij gezegd hadden: Al het gezicht zal vergaan, vers 22, zegt God. Neen, het woord van ieder gezicht zal bestaan, vers 23, het zal niet ledig wederkeren, maar ieder teken zal beantwoord worden door het ding dat er door betekend werd. Die het gezicht des Almachtigen zien, zien geen ijdel gezicht, God bevestigt het woord van Zijn knechten door het te vervullen.
c. Het zal binnen zeer korten tijd vervuld worden: De dagen zijn nabij gekomen, dat gij het woord van ieder gezicht bewaarheid zult zien, vers 23. Gezegd en bezworen wordt, dat er geen uitstel meer zijn zal, het jaar van Gods lankmoedigheid is juist afgelopen, en Hij wil de strafoefening niet langer uitstellen. Zij zal niet meer uitgesteld worden, vers 25, Hij heeft u lang verdragen, maar dat zal Hij niet altijd doen. In uw dagen, o weerspannig huis! zal het woord, dat gesproken is, vervuld worden, en gij zult de oordelen zien, waarmee gedreigd is, en gij zult er deel aan hebben. Ziet, de Rechter staat voor de deur. De rechtvaardige wordt weggeraapt vóór het kwaad, maar dit weerspannige huis zal niet zo vestig weggeraapt worden, neen, zij zullen het beleven, dat men het drijven, dat men hen van de wereld verjagen zal. Dit wordt herhaald, vers 28 :Geen van Mijn woorden zullen meer uitgesteld worden, maar het oordeel zal haastig komen, en hoe langer het spannen van de boog geduurd heeft, zoveel dieper zal de pijl doordringen. Als wij tot zondaars van dood en oordeel, hemel en hel, spreken, en hen daardoor tot een heilig leven denken te overreden, en zij zijn niet ten een male ongelovig (zij betuigen te geloven, dat er een vergelding van goed en kwaad in de andere wereld is), dan verzwakken zij de kracht van die grote waarheden, en ontwijken de indruk er van, door zich voor te stellen, dat de dingen van die andere wereld nog zo ver zijn, zij zeggen tegen ons: "Het gezicht, dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn, het is nog vroeg genoeg om er aan te denken, als zij nabij zijn, terwijl er in waarheid maar een schrede tussen ons en de dood is, tussen ons en de ontzaglijke eeuwigheid, want het gezicht zal nog lot een bestemde tijd zijn, dan zal Hij het op het einde volbrengen en niet liegen, en daarom past het ons de tijd uit te kopen, en ons met bekwamen spoed gereed te maken voor die toekomst, want, hoewel toekomst, zij is nabij, en terwijl de onboetvaardige zondaars sluimeren, sluimert hun verderf niet."