28. Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Gene Mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, hetwelk Ik gesproken heb, dat zal, zo als in
Hoofdstuk 7 gezegd is, spoedig gedaan worden, spreekt de Heere HEERE.
De Profeet spreekt in Vers 22, over ene mening, die zich in het land van Israël had gevormd en van daar ook tot de ballingen was doorgedrongen. Die mening had zich in een kort woord, ene gelijkenis in den ruimeren zin uitgedrukt, en was zo populair geworden, tot een machtwoord, dat men het bij iedere gelegenheid den waren Profeten voorhield, tot een parool der goddelozen. De aanleiding daartoe had zo als het schijnt, de lang geleden aankondiging van den ondergang van stad en tempel door Jeremia gegeven. De vervulling bleef lang uit, zo besloot men dan, het zou met de voorzegging van den Profeet niets geven.
Het vroegtijdig uitspreken der oordelen, welke eerst in den laatsten tijd vervuld worden, en de verschonende zachtheid in de uitvoering der gedreigde straffen, die lankmoedigheid Gods is ten allen tijde door de wereld en haren vorst, den satan, misbruikt om de harten tegen Gods gericht te versterken. Dat begint reeds met de eerste dreiging des Heeren (Genesis 2:17): "ten dage als gij daarvan eet zult gij den dood sterven, " waarop de slang zegt: "gijlieden zult den dood niet sterven, maar-" en door Gods lankmoedigheid een weinig recht krijgt, dat de dood niet op dien zelfden dag, dat Adam en Eva het gebod overtraden, in volle mate werd beschikt. In deze lankmoedigheid Gods ligt ook de aanleiding tot het misdadig spreekwoord hier: "al het gericht zal vergaan. " Daarom zoveel misdadige spot over Gods woord, zoveel smaad over de profeten, en zoveel vergeefse moeite van gelovige uitleggers, om toch de vervulling van elke Goddelijke bedreiging te willen aanwijzen. Maar God heeft deze rechtvaardiging niet nodig. Waar zijne dreiging volhardend verwacht wordt, en de mensen de mate hunner zonden vervullen, daar komt werkelijk de straf in woordelijke vervulling der profetie, daar spreekt de Heere: "op uwen tijd, o ongehoorzaam huis! zal Ik doen wat Ik zeg, " en Hij doet het ook. Zo is het aan Jeruzalem tweemalen geschied, en in den laatsten tijd zullen alle goddelozen ervaren, dat God de Heere is, en Zich niet laat bespotten, maar dan is het te laat.
De Profeet denkt reeds in den ouden tijd aan het niet altijd sterk genoeg opgemerkte gevaar, om de onder het volk verspreide spreekwoorden, door den geest van leugen en lichtzinnigheid gevormd, die voor geloof en vroomheid dodelijk zijn. Met den hoogsten ernst slaat hij aan deze leugenwijsheid van spot en oppervlakkige beschouwing der dingen den bodem in. De vervulling der Goddelijke gerichten zou maar al te spoedig het tegenwoordig geslacht inderdaad en in werkelijkheid bereiken, want het woord Gods is ene levende daad, die niet uitblijven kan.
De leugenmond, dien Gods woord niet kan stoppen, wordt beschaamd door Gods daden. De verkondiging van den Profeet is op ontzettende wijze vervuld; het duurde nauwelijks 5 jaren, of Jeruzalem lag met zijn tempel in puin, en zij, die hunnen buik met den oostenwind van trotse verwachtingen der toekomst hadden gevuld, waren of omgekomen of benijdden de doden.
Moest de Profeet Ezechiël, terwijl Juda's volk en zijn koning Zedekia nog in zorgeloze gerustheid gezeten was, door ene zinnebeeldige handeling hun lot voor de Joden in Babel kenbaar maken, was het Jehova, die hem dit gebood, dan zagen de oudsten, welke dit alles aanschouwden, dat het de Heere was, die alles weet, Wiens opperheerschappij over alle dingen gaat, en dat de toestand van Jeruzalems bewoners boven den hunnen niet zo benijdenswaardig was; en als wij dan uit de uitkomst weten, dat Zedekia, even als een vluchteling zich bij Jeruzalems belegering heeft trachten te redden, dat hij in stilte en door een doorbroken muur ontnomen is; dat men hem zijn gezicht ontnomen heeft, zodat hij het land der Chaldeën niet zag, hoewel hij daarin gestorven is, dan beven wij voor zulk een God, die zulke dingen voorspelt, die Zich betoont de Alwetende en Oppermachtige te zijn, in Wiens hand het leven en het lot van alle koningen en van iederen sterveling is, en die alles doet, wat Hem behaagt. Niet minder moeten wij hier opmerken, dat de Heere laat voorspellen, dat Hij in Jeruzalems verwoesting enige Israëllers zou doen overblijven, maar dat deze ook onder de heidenen zouden vertellen, welke hun gruwelijke misdaden waren, waarom zij met deze ellende en ballingschap gestraft werden; duidelijk zien wij hieruit, dat de Heere het doel Zijner strafgerichten in hun schuldbelijdenis en in de erkentenis van Jehova's naam bereiken wilde. Indien de Heere slechts straffen wilde om te straffen, dan kon Hij zijne rechtvaardigheid aan dat weerbarstige volk hebben verheerlijkt zonder er van een enige te doen overblijven; maar Hij wil doorgaans meer. Hij wil zondaren tot bekering leiden en Zijn naam groot maken onder de heidenen. Dat wil Hij langs den redelijken weg ernstig nadenken en onbewimpelde schulderkentenis; daartoe moeten strafgerichten en moeilijke ondervindingen, vernedering en onheil worden dienstbaar gemaakt, opdat zondaren behoudenis zouden vinden, en de heerlijkheid Zijns naams voor aller oog zou ten toon gespreid worden. Zagen wij al verder dat het brood der bedruktheid in Israël zou gegeten worden, en het water der benauwdheid gedronken, wij moeten het daarvoor houden, dat zulke onheilen niet bij toeval, maar naar Gods bepaalden raad en wil geschieden, en altijd de rechtmatige gevolgen der ongerechtigheden zijn, welke ene natie zich zelf veroorzaakt door met moedwil te zondigen tegen God. En als wij dan eindelijk uit het gelezene bemerken, dat men in Juda elkaar wijs maakte, dat de bedreigde onheilen niet zouden komen, maar nog lang zouden worden uitgesteld en dat men zelfs bij herhaling en gedurig in die mening voortging, niettegenstaande de Heere het telkens liet zeggen, dan vinden wij daarin voor ons en voor ons volk ene ernstige waarschuwing tegen zorgeloze gerustheid en het uitstellen ener bekering, die volstrekt noodzakelijk is. Maar al te dikwijls vleit een mens en ene natie zich zelf, maar al te dikwijls stelt men den dag des kwaads zeer verre, dat uitstel leidt tot zorgeloosheid en ene valse rust; herhaalde waarschuwingen zijn er nodig en baten dikwijls nog niets. De tijd, in Gods raad besteld, is zeker en gewis; als een dief in den nacht overvalt die menig zondaar, en voert hem naar een eindeloos verderf. Niet zonder reden mogen wij vrezen, dat menigeen in de eeuwigheid, bij het inzicht en gevoel, dat alle hoop voor altijd en onherroepelijk is afgesneden, zich over zulk een uitstel in het verzuimen van den dag der behoudenis beklaagt. Dat de levende het in zijn harte weglegge, en de roepstem en bearbeiding der genade hem welkom en aangenaam zij, en ook ons volk zich niet tegen den Heere verharde, maar vrede hebben moge.