Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 12
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
VERDER geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2
Mensenkind, gij
1
woont in het midden van
2
een
a
wederspannig huis, dewelke ogen hebben om te zien en
3
niet
b
zien,
c
oren hebben om te horen en
4
niet horen, want zij zijn een wederspannig huis.
3
5
Daarom, gij mensenkind, maak u
6
gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag
7
voor hun ogen; en gij zult vertrekken
8
van uw plaats tot een
9
andere plaats voor hun ogen;
10
misschien zullen zij het
11
merken,
12
hoewel zij een wederspannig huis zijn.
4
Gij zult dan uw
13
gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen,
14
als het gereedschap dergenen die vertrekken; daarna zult gij in
15
den avond uitgaan voor hun ogen,
16
gelijk zij uitgaan die vertrekken.
5
17
Doorgraaf u den wand voor hun ogen, en breng daardoor
18
uw gereedschap
uit.
6
19
Voor hun ogen zult gij het op de schouders dragen, in donker zult gij het uitbrengen;
20
uw aangezicht zult gij bedekken, dat gij het land niet ziet; want Ik heb u den huize Israëls tot een
21
wonderteken gegeven.
7
En ik deed alzo, gelijk als mij bevolen was: ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap
22
dergenen die vertrekken; daarna in den avond doorgroef ik mij den wand
23
met de hand; ik bracht
24
het uit in donker
en
ik droeg het op den schouder voor hun ogen.
8
En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
9
Mensenkind, heeft niet het huis Israëls, het wederspannig huis, tot u gezegd:
25
Wat doet gij?
10
Zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE:
26
Deze last is
tegen
den
27
vorst te Jeruzalem en het ganse huis Israëls, dat in het midden van
28
hen is.
11
Zeg: Ik ben ulieder
29
wonderteken; gelijk als ik
30
gedaan heb, alzo zal
31
hun gedaan worden; zij zullen door
32
wegvoering in de gevangenis
33
heengaan.
12
En de
34
vorst, die in het midden van
35
hen is, zal
36
het gereedschap
op den schouder dragen
37
in donker, en hij zal
d
uitgaan; zij zullen door den
38
wand graven om
hem
daardoor uit te brengen; hij zal zijn
39
aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie.
13
e
Ik zal ook Mijn net over hem
40
uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land der Chaldeeën; ook zal hij dat
41
niet zien, hoewel hij daar sterven zal.
14
En
42
allen die rondom hem zijn
tot
zijn hulp, en al zijn
43
benden zal Ik in
44
alle winden
f
verstrooien; en Ik zal
45
het zwaard achter hen uittrekken.
15
Alzo zullen
46
zij weten
47
dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.
16
Doch Ik zal van
48
hen
49
weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij al
50
hun gruwelen
51
vertellen onder de heidenen waarheen zij komen zullen, en
52
zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.
17
Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
18
Mensenkind,
53
gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken.
19
En gij zult tot het volk
54
des lands zeggen: Alzo zegt de Heere HEERE van de inwoners van Jeruzalem, in het land Israëls: Zij zullen hun brood
55
met kommer eten, en hun water zullen zij met
g
verbaasdheid drinken,
56
omdat
57
hun land woest zal worden
58
van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen die daarin wonen;
20
En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.
21
Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
22
Mensenkind, wat is dit voor een
59
spreekwoord
dat
60
gijlieden hebt in het land Israëls, zeggende: De dagen zullen verlengd worden, en al het
61
gezicht zal vergaan?
23
Daarom, zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen:
62
De dagen zijn nabijgekomen, en
63
het woord van
64
ieder gezicht.
24
Want geen
65
ijdel gezicht zal er meer wezen, noch
66
vleiende waarzegging, in het midden van het huis Israëls.
25
Want Ik ben de HEERE, Ik zal spreken; het woord dat Ik zal spreken, zal gedaan worden,
de tijd
67
zal niet meer
68
uitgesteld worden; want in
69
uw dagen, o wederspannig huis, zal Ik een woord spreken en hetzelve doen, spreekt de Heere HEERE.
26
Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
27
Mensenkind, zie, die van het huis Israëls zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is
70
voor vele dagen, en
71
hij profeteert van tijden die verre zijn.
28
Daarom, zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Geen Mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord hetwelk Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere HEERE.