Jeremia 52:1-11
Het begin van dit verhaal valt niet vroeger dan het begin van de regering van Zedekia, hoewel er twee wegvoeringen voor die tijd zijn, de ene in het vierde jaar van Jojakim, de andere in het eerste van Jechonia, maar waarschijnlijk werd het opgesteld door een van hen, die met Zedekia weggevoerd waren, tot een vermaning voor hen, omdat zij gedacht hadden dat zij niet in gevangenschap zouden gaan na hun broederen, met welke hoop zij zich lang gevleid hadden. Wij hebben hier:
1. Gods rechtvaardig misnoegen tegen Juda en Jeruzalem, vanwege hun zonden, vers 3. Zijn toorn was zo hevig tegen hen ontstoken, dat Hij besloot hen van Zijn aangezicht weg te werpen, uit Zijn goedgunstige genadige tegenwoordigheid, zoals een vader, wanneer zijn toorn tegen een plichtvergeten zoon het toppunt heeft bereikt, hem beveelt uit zijn tegenwoordigheid te gaan. Hij verdreef hen uit dat goede land, dat zo rijk was aan tekenen van Zijn tegenwoordigheid en leiding en uit de heilige stad en tempel, die zo rijk waren aan tekenen van Zijn tegenwoordigheid, verbondsgenade en liefde. Die verbannen zijn van Gods geboden hebben reden om te klagen, dat zij in zekere mate uit Zijn tegenwoordigheid weggeworpen zijn, toch wordt niemand uit Gods genadige tegenwoordigheid weggeworpen dan die door zijn zonde zich zelf eerst weggeworpen heeft. Deze vrucht van de zonde moeten zij daarom vóór alle andere dingen verbidden, zoals David deed Psalm 51:13 : "Verwerp mij niet van Uw aangezicht."
2. Zedekia's slecht gedrag en bestuur, dat God toeliet, in misnoegen tegen het volk, en waarvoor God hem strafte, in misnoegen tegen hem. Toen Zedekia de troon besteeg, was hij tot jaren des onderscheids gekomen, hij was een en twintig jaar oud, vers 1, hij behoorde niet tot de slechtste van de koningen (wij lezen nergens van zijn afgoderij), toch staat er van hem, dat hij deed wat kwaad was in de ogen des Heeren, want hij deed niet het goede dat hij had moeten doen. Maar de boze daad, die op bijzondere wijze zijn ondergang verhaastte, was, dat hij rebelleerde tegen de koning van Babel, wat beide, zonde en dwaasheid was en het verderf over zijn volk bracht, niet alleen naar verdienste, maar ook in werkelijkheid. God was grotelijks vergramd tegen hem om zijn trouweloze handelwijze tegen de koning van Babel, zoals wij vinden in Ezechiël 11:15, en omdat God vertoornd was tegen Juda en Jeruzalem, gaf hij hem over aan zijn eigen raad, om de dwaasheid te doen, die voor hem en zijn koninkrijk noodlottig bleek.
3. De bezetting van Jeruzalem, waarin de Chaldeën ten laatste slaagden, na een beleg van achttien maanden. Zij legerden zich tegen haar en sloten haar in, in het negende jaar van Zedekia's regering, in de tiende maand, vers 4 en maakten zich van haar meester in de vierde maand op de negende van de maand, vers 6, in het elfde jaar van de koning Zedekia. Ter herinnering aan deze twee opvolgende gebeurtenissen, die hun ondergang bewerkten, hielden zij een "vasten van de vierde maand, en een vasten van de tiende maand, Zacheria 8:19 :dat van de vijfde maand was ter herinnering aan het verbranden van de tempel, en dat van de zevende maand om de vermoording van Gedalja". Wij kunnen ons gemakkelijk voorstellen, of liever wij kunnen ons niet voorstellen, welk een droeve tijd het was voor Jeruzalem, gedurende de anderhalf jaar, dat het belegerd werd, terwijl de toevoer van alle levensmiddelen afgesneden was en zij telkens gealarmeerd werden door aanvallen van de vijand, en daar zij hardnekkig besloten waren tot het laatste vol te houden, bleef er niets over dan een "verschrikkelijke verwachting des oordeels." Wat hen buiten staat stelde om het vol te houden, en hen toch niet kon bewegen de stad over te geven, was de honger in de stad vers 6, het volk des lands had geen brood, zo dat de soldaten hun dienst niet naar behoren konden waarnemen, maar volkomen onbruikbaar waren, en daarom was het ook geen wonder dat de stad doorgebroken werd, vers 7. In zo'n geval houden de muren het niet lang uit zonder mannen, zomin als mannen zonder muren, ook zullen beide een volk van geen nut zijn, zonder God en Zijn bescherming.
4. De roemloze terugtocht van de koning en zijn helden, Zij trokken des nachts uit de stad, en haastten zich, ik weet niet waarheen, en misschien wisten zij het zelf ook niet, maar de koning werd door zijn vervolgers achterhaald in de vlakke velden van Jericho, zijn lijfwacht werd uiteengejaagd, en zijn hele leger van bij hem verstrooid, vers 8. Zijn schrik was niet redeloos, want waar schuld is, zal in tijd van gevaar, ook vrees zijn: maar zijn vlucht was vergeefs, want aan Gods oordelen is geen ontkomen, "zij zullen over de zondaar komen en hem treffen, waarheen hij ook vliedt", Deuteronomium 28:15, en de oordelen, die hier in `t bijzonder volvoerd werden, worden genoemd als bedreiging in vers 52, 53 enz. van hetzelfde hoofdstuk.
5. Het droeve vonnis door de koning van Babel over Zedekia geveld, en onmiddellijk voltrokken. Hij behandelde hem als rebel, sprak oordelen tegen hem, vers 9. Niet zonder de grootste kwelling en spijt kan men er aan denken, dat een koning, een koning van Juda, een koning uit het huis van David, als een misdadiger voor de rechterstoel van deze heidense koning terecht moest staan. Maar hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van de profeet Jeremia, daarom verootmoedigde God hem. Volgens het vonnis, dat door de hooghartiger overwinnaar over hem geveld was, slachtte men de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en alle de vorsten van Juda, vers l : daarna verblindde hij de ogen van Zedekia, en hij bond hem met ketenen, en voerde hem in triomf naar Babel, misschien bespotten zij hem, zoals zij Simson deden, toen zijn ogen uitgestoken waren, in ieder geval werd hij veroordeeld tot altijddurende gevangenschap, zodat hij het overige van zijn leven (ik kan niet zeggen van zijn dagen, want hij zag het licht niet meer) in duisternis en ellende sleet. Hij werd gevangen gehouden "tot de dag zijns doods toe," maar bij zijn begrafenis werd hem enige eer bewezen, Hoofdstuk 34:5. Jeremia had hem vaak gezegd, wat het einde zou zijn, maar hij wilde zich niet laten waarschuwen, toen het nog tijd was, om alles te voorkomen.