34. En zij zullen niet meer, gelijk vroeger het geval was, toen men tot openbaring Mijner kennis bijzondere middelaars en profeten nodig had, aan iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnen broeder leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen, daar zij zelf tot dragers van Mijnen Heiligen Geest en tot profeten zijn geworden (
Joël 3:1), Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe (
Jesaja 54:13.
Johannes 6:45.
1 Johannes 2:20,
27 spreekt de HEERE: a) want (vgl.
Hebreeën 10:16) Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken (
Jesaja 43:25;
44:22.)
a) Jeremia 33:8. Micha 7:18. Handelingen 10:43.
Dat de profeet des Nieuwen Verbonds dit tegelijk aanschouwt met de herstelling van Israël op den grond van het land der belofte is geheel naar de orde, toch wordt in de uitdrukking vs 33 : "na die dagen" reeds aangeduid, dat de nieuwe tijd niet alleen moet gekomen zijn, maar binnen dien tijd ook de gezochte plaats moet gevonden zijn.
De ware bedoeling van het verbond, door de Schrift voorgesteld, is deze, niet dat er een verdrag tussen God en den mens wordt gesloten, maar dat van den Heere het initiatief, de oprichting van het verbond, en juist daarom de vaststelling van de orde des verbonds uitgaat; met andere woorden: het verbonds Gods is wezenlijk ene stichting. Aan de andere zijde kan nu echter ook elke door God tussen Zich en de mensen gestichte betrekking, even als de aan David geschonken belofte van genade (Psalm 89:4) ja elke door Hem aan het schepsel opgelegde regeling en beperking (Hoofdstuk 33:20. Hosea 2:18. Zacharia 11:10), in `t bijzonder elke theokratische instelling, zoals die van den sabbat (Exodus 31:16), een verbond worden genoemd. Nog meer bepaald heeft het verbond des Evangelies het karakter van ene stichting, rijk in genade, in zekeren zin erfgift (men zie daaromtrent vooral de plaats Lukas 22:29 als terugslaande op Vers 20); daardoor wordt de bewijsvoering in Galaten 3:15, Hebreeën 9:16 v. die zich aan de laatste betekenis over het woord aansluit, gerechtvaardigd.
De eerste meer bijzondere belofte (Hebreeën 8:6), op welke het nieuwe Verbond komt te staan, is deze, dat in de plaats van de uitwendige, van buiten af dringende en alzo de tegenspraak opwekkende letter moet komen de Goddelijke wil, die in `t binnenste gelegd wordt, en inwendig dringt, en die de band moet worden, die met God verenigt. De tweede is deze, dat ten gevolge van inwendige, voor ieder waarneembare openbaring van God levende kennis van God het eigendom van allen zal zijn. De derde is deze, dat alle zonden, zonder dat er ene voorwaarde voor de zijde der mensen is, tegemoetkomende genade van eeuwig geldende vergeving vinden. Deze laatste belofte is het fondament en tevens de hoeksteen van alle; vgl. het slotwoord der rede van Jesaja 33.
Let op: wie in den tijd des Nieuwen Verbonds nog leeft naar de wijze des Ouden en niet in het geloof in Jezus een nieuw hart ontvangt, die wordt ook naar de wijze des Ouden Verbonds behandeld. In zo verre duurt het Oude Verbond voor ongelovige Christenen en Joden, nog altijd tot aan het jongste gericht voort, maar het heeft volstrekt gene beloften meer, vermits deze te gader in het Nieuwe Verbond vervuld zijn.
Hier is ene onpeilbare zee van zaligheid, een strandeloze oceaan van genot; kom, baad uwen geest daarin; al zwemt gij ene eeuw, een oever vindt gij niet; peil door de eeuwigheid heen, en gij zult geen bodem voelen. "Ik zal hun tot een God zijn. " Als dit uwe ogen niet doet glinsteren, uw hart niet hoorbaar van geluk doet kloppen, dan is uwe ziel zeker in geen gezonden toestand. Maar gij behoeft meer dan tegenwoordige genietingen-gij reikhalst naar iets, waarop gij uwe hope bouwen kunt, en waarop kunt gij meer hopen, dan op de vervulling dezer heerlijke belofte: "Ik zal hun tot een God zijn?" Dit is het meesterstuk aller beloften; de zekerheid en het gevoel daarvan maakt een hemel hier beneden en zal een hemel daarboven maken.
Rechte kennis van, herstelde gemeenschap met oprechte toewijding van God, ziet daar de zegeningen, die hier met kracht op den voorgrond treden! Bedenkt men, wat waarde voor Jeremia, den priesterzoon, bepaaldelijk de uitwendige godsdienstplichten en plechtigheden van zijn volk moesten hebben, dan wordt men gedrongen-niet zozeer om de hoogte zijner ontwikkeling te bewonderen, als ware die het werk van eigen wijsheid en kracht, maar om de kracht van den geest der profetie op het diepst te vereren, die zijn uitverkoren volk zover boven het gewone standpunt verhief, en hem de volheid der tijden deed malen met kleuren zo rijk en zo stout, dat wij thans, na achttien eeuwen, nog slechts de aanvankelijke vervulling Zijner godsspraak aanschouwen. Heeft Jesaja bij voorkeur de weldaad der schuldvergiffenis door het bloed der verzoening, Joël, die der vernieuwing door den Heiligen Geest, als vrucht der Nieuwe bedeling geschetst. Jeremia vat beide te zamen, leert ons niet onduidelijk de tweede als vrucht der eerste beschouwen, en doet ons Gods eigen eed, als onwankelbare waarborg voor de dubbele toezegging horen!
In het eerste deel van dit vers wordt ene zeer overvloedige kennis onder Jakobs overblijfsel beloofd. Er zijn er, die menen, dat men de tweeërlei uitdrukking "een iegelijk zijn naaste, " en "een iegelijk zijnen broeder, " onderscheiden moet opvatten, zodat door de "naasten" de Heidenenen, en door de "broeders" de Joden zouden bedoeld worden; dan zou de zin deze zijn: niemand zal Heiden of Jood behoeven te leren, zeggende: "kent den Heere enz. " Men geeft er twee redenen van: deels omdat de latere Joden gewoon waren de Jodengenoten, die uit de Heidenen tot de gemeenschap van hun kerk overkwamen, hun naasten, maar de geboren Joden hun broeders te noemen; deels omdat er andere ene nutteloze herhaling van woorden zou plaats hebben. Maar deze onderscheiding schijnt ons te spitsvondig en ongegrond. In de ganse Godsspraak wordt van de Heidenen gene de minste melding gemaakt. Zij handelt alleen van de algemene bekering der Joden, en de onderscheiding tussen de namen naasten en broeder, voor Heidenen en Joden, is in de Heilige Schrift geheel onbekend. Onzes inziens zal de kracht der oorspronkelijke woorden de mening van de Godsspraak duidelijk genoeg kunnen aanwijzen. Het woord "een iegelijk" betekent enen man, en wel enen man van gezag en aanzien, en het werkwoord leren zegt eigenlijk met sporen steken, aansporen en aandrijven, zodat de zin deze is: de Joodse wetleraars, die gestrenge voogden en tuchtmeesters waren onder het Oude Verbond, zullen de Israëlieten niet meer op enen gebiedenden toon belasten, en nog veel minder met geweldige middelen aandrijven, om den Heere te kennen en te dienen. Alle aansporingen zullen eenvoudig in zachte en overredende drangredenen bestaan. Ook zullen de Israëlieten tot het kennen en dienen van den Heere zulk harde aansporingen niet meer nodig hebben; alleen zullen zij daartoe met de uiterste bereidwilligheid volvaardig wezen. Trouwens ter nadere bevestiging wordt er bijgevoegd: "want zij zullen Mij allen kennen van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere. " Dat is niet van het kleinste kind tot den volwassen man; de pas ontluikende vermogens der tedere jeugd zullen altoos door een redelijk onderwijs moeten beschaafd worden. Maar de Heere bedoelt mensen van allerlei rangen en standen, edel en onedel, rijk en arm, van den meest verachten tot den aanzienlijksten, van den dagloner tot den vorst (vgl. Hoofdstuk 6:13). Deze allen zouden den Heere kennen. Niet alsof de maat van kennis bij alle Israëlieten even groot wezen zou. Zulk ene opvatting is alleszins strijdig met de natuur der zaak zelf. Haar de Heere wil dit zeggen: "Elk Israëliet zal, naarmate van zijne verschillende vermogens en omstandigheden ene genoegzame en opgehelderde kennis hebben van den Heere en Zijnen dienst, en deze kennis zal aan ieders hart door de genade van den Geest geheiligd wezen. " Maar wat zou den Heere bewegen, om aan gans Israël zulke grote weldaden te bewijzen? Zouden zij het zich waardig maken? Neen, de beweegreden zou gene andere wezen dan deze, dat de Heere Zijnen toorn niet in eeuwigheid behoudt, en Israël alle ongerechtigheden vergeven zal. Dit vinden wij Vers 34b "want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonden niet meer gedenken. " Het ganse beloop van zaken wijst ons naar ene bepaalde ongerechtigheid en zonde bij uitnemendheid, namelijk den Messiasmoord, de zwaarste van alle ongerechtigheden, aan welke de Israëlieten zich ooit hebben schuldig gemaakt. De mening is derhalve onzes inziens deze, dat de Heere aan Jakobs nageslacht hun schromelijke ongerechtigheden in het smadelijk verwerpen en vermoorden van den Messias, onder welke geduchte gevolgen deze hardnekkige natie eeuwen lang zuchten zou, eindelijk eens volkomen vergeven en die niet meer gedenken zal, even alsof zij zich daaraan nimmer hadden schuldig gemaakt. Door den Messiasmoord zouden de Joden eindelijk eens de maat van hun ongerechtigheid dermate vervullen, dat de Heere hen als een onwaardige Lo-Ammi geheel en al verstoten, en onder al de heidenen verstrooien zou. Zo lang nu de Messiasmoord hun niet vergeven was, zouden zij op des Heeren gunst en zegen niet kunnen hopen. Maar evenwel eigenlijk zou de Heere, die Zijnen toorn niet tot in eeuwigheid behoudt, deze ongerechtigheid ene vergeven en vergeten, en hen uit dien hoofde met ene algemene bekering, en enen groten overvloed van allerlei heil rijkelijk verwaardigen. Uit al hetgeen wij gezegd hebben over Vers 31-34 ziet een iegelijk, dat de dagen waar in deze godsspraak volledig zal vervuld worden, nog niet gekomen zijn. Het is waar, in het begin van den Evangeliedag heeft de Heere met Israël een nieuw verbond gemaakt, ook heeft Hij er enigen bekeerd door Zijne wet te geven in hun binnenste; sommigen hebben den Heere leren kennen en vergeving van hun zonden bekomen. Maar de Joden, die toenmaals met deze voorrechten verwaardigd werden, waren slechts weinigen in vergelijking met de gehele natie. De volledige vervulling is nog aanstaande in het laatste der dagen bij de algemene bekering der Joden (Romeinen 11:27).
De Heere belooft een nieuw verbond. Welke is de betrekking tussen het Nieuwe en het Oude Verbond? Het Oude Verbond bestond van het ogenblik af, dat God de Israëlieten uit Egypte geleid, en, door enen prijs voor hen betaald, tot Zijne knechten gemaakt had. Alle voorrechten van de zijde Gods aan de kinderen der mensen geschonken, leggen hun tevens ene verplichting op, waaraan zij zonder schending van het Verbond, zich niet kunnen onttrekken. Het Nieuwe Verbond kan daarom niet een geheel ander Verbond zijn, dan hetgeen bij de wetgeving op Sinaï gesticht werd. Want ook het Oude Verbond was ene openbaring Gods, en ook in het Oude had God verklaard, de God van Israël te willen zijn. Ja het Nieuwe Verbond zelf zou genen waarborg voor zijn bestaan opleveren, indien het Oude, dat trouwens ook een Verbond Gods was, volkomen afgeschaft kon worden. "Jezus Christus, " zegt de Apostel der Heidenen, "is een dienaar geworden der besnijdenis, van wege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen" (Romeinen 15:8). Wat in het Oude Verbond slechts in de kiem voorhanden was, zal tot volle vrucht komen; wat in het Oude Testament afgeschaduwd werd, zal verwezenlijkt; wat beloofd was, zal vervuld worden. Alzo zal het Oude Verbond ophouden, echter niet door oplossing, maar door vervulling. Zijn schijnbaar sterven is het begin van een nieuw, heerlijk leven, even als de Christus aan het kruis in de diepe vernedering sterft, om uit de opstanding der doden naar den Geest der heiligmaking krachtelijk bewezen te worden de Zoon van God te zijn. Het Oude is het Nieuwe, en is het ook niet, maar God zelf gelijkt in deze aan een iegelijk schriftgeleerde in het koninkrijk onderwezen, die uit zijnen schat oude en nieuwe dingen voortbrengt. God herhaalt nooit slechts het oude, en Hij doet nimmer iets dat volstrekt nieuw is. Hieraan getuigen Zijne werken in het rijk der natuur en Zijne wonderen in het rijk der genade. Verscheidene zegeningen worden in het nieuwe Verbond beloofd, niet in volstrekte, maar in betrekkelijke tegenstelling van het Oude, namelijk vergeving van zonden, verlichting van het verstand en vernieuwing van het hart. "Ik zal mijne wet, " spreekt de Heere, "in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven. " In plaats van op de tafelen der getuigenis, aan de hand van Mozes toebetrouwd, schrijft Jehova thans Zijne wetten in hun hart. Maar ook in het Oude Verbond wordt van de wet geroemd, dat zij de ziel bekeert en het hart verblijdt, en ook in de tijden der Oude bedeling wees de besnijdenis der voorhuid op de besnijdenis des harten, en vroeg David den Heere hem een nieuw hart te scheppen. Reeds aan Abraham werd beloofd dat Jehova zijn God en de God van zijn zaad wilde zijn. Indien nu van de dagen des Nieuwen Verbonds gezegd wordt, dat de wet in het hart geschreven zou worden, en God hun tot enen Heere zou zijn, dan kan slechts bedoeld zijn, dat de vervulling van deze toezegging zo krachtig en zo handtastelijk wezen zou, dat al hetgeen de Heere in vroegere dagen gedaan heeft, hierbij vergeleken, niet meer in aanmerking zou komen. Alzo zal ook van de ark niet meer gesproken worden, noch van het opvoeren uit Egypte (Jeremia 3:16, 13:7, 8 ). Een iegelijk, luidt een tweede belofte zal kennis vergaderen, niet door hetgeen hij van enen broeder, maar van den Heere zelven geleerd heeft. Door menselijk onderwijs weet men van God, door de onderwijzing des Geestes kent men God. Mensen kunnen op God wijzen, Hij moet Zich zelf bewijzen; mensen kunnen van Hem getuigen, Hij moet Zich zelven aan de harten betuigen. Niemand kent God, niemand kan Christus den Heere noemen, dan door den Heiligen Geest. In de tegenwoordige bedeling verklaart een leraar uit Israël, leert Israël de wet van enen sterflijken mens, daarom vergeet het haar. Want even als vlees en bloed voorbijgaan, vergaat ook zodanig een onderwijs. Eenmaal zullen allen uit de mond des Heeren zelven onderwezen worden, gelijk geschreven staat: "alle uwe kinderen zullen van den Heere geleerd worden" (Jesaja 54:13). Wij behoeven hier niet bij te voegen, dat al de vromen des Ouden Verbonds door den Heere onderwezen werden, terwijl in de dagen des Nieuwen Verbonds zeer velen enkel van mensen leren. De Heere wil Zijne kennis door Zijnen Geest schenken, moet echter er mede beginnen, iets weg te nemen, namelijk de zonde. Zolang de ongerechtigheden, die het volk en God van elkaar scheiden, niet weggenomen zijn, kan de Heere onmogelijk onder hen wonen. Maar ook vergeving der zonden was onder het Oude Testament niet onbekend, want de kinderen Gods prezen dengenen zalig, wiens zonden vergeven zijn, en verblijdden zich in enen God, bij Wien vergeving is, opdat Hij gevreesd worde. Het verstrooid en vertreden Israël kon wel vrezen, dat het voor altijd verworpen was en nooit meer vergeving zou ontvangen. Neen, antwoord God, de vergevende genade begint, wanneer gij haar geëindigd gelooft; twijfelt aan alles maar twijfelt nimmer aan de getrouwe en vergevende barmhartigheid van uwen Jehova. Waar de zonde machtig wordt ten dood, wordt de genade nog meer overvloedig. Is dat uitzicht misschien al te lieflijk om immer vervuld te worden? Hoort des Heeren antwoord: "Indien de hemelen daar boven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse huis Israëls verwerpen. " Eer zal het onmetelijke gemeten en het onpeilbare gepeild worden, eer dat God Zijn verbond met Zijn volk verbreekt. De verwoeste stad zal herbouwd, en van het begin tot aan het einde een heiligdom des Heeren worden. Indien in vroegere dagen de vijanden het onreine in het heiligdom brachten, thans zal het eenmaal onreine geheiligd worden. De zegepraal, de volkomene overwinning is verzekerd, want er zal niets worden uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.
De zin is, dat allen, die in het verbond der genade zijn, zo van God geleerd zullen worden, dat een iegelijk van hen in de ene of andere mate God kennen zal, inwendig, duidelijk, ondervindelijk, zoet en zalig. Ik weet dat er verscheidene trappen van deze kennis zijn. God heeft verschillende vormen in Zijne school: er zijn vaders van wege de ervarenheid, jongelingen van wege de sterkte, en kinderen van wege de waarheid en het wezen der genade (1 Johannes 2:12). Gelijk de ene ster verscheiden is van de andere in heerlijkheid, zo is het ook met Christus' school. Maar hier ben ik van beide zijden bezet. a) Enigen zijn gereed om te klagen: helaas, zij kennen zo weinig van God. Geliefden! bedenkt: het is enkel genade, dat gij sterren zijt, al is het, dat gij juist gene sterren zijt van de eerste of tweede grootte. Indien gij nu maar weinig kent, met den tijd zult gij meer kunnen kennen. God leert al Zijne lessen niet bij de eerste intrede. Het is waar: de opening of de ingang Uwer woorden geeft licht (Psalm 119:130), maar dit is ook waar, dat God in Zijn licht ons leidt met trappen; het is niet te versmaden, als God het harte maar bezig houdt met heilige begeerten en verlangen naar kennis, zo dat het in oprechtheid kan zeggen: Mijne ziel is verbroken van wege het verlangen naar Uwe oordelen te aller tijd (Psalm 119:20). b) Anderen daarentegen houden zichzelven zo wel geleerd uit kracht dezer belofte, dat zij alle leerlingen van mensen buiten sluiten. Ik antwoord: deze woorden zien óf op de gronden van den godsdienst, en zo hebben de Christenen in den tijd des Evangelies niet nodig, om in deze grondstukken geleerd te worden, want nu kennen zij allen den Heere van den kleinste tot den grootste toe, óf anders deze woorden zijn alleen te verstaan bij vergelijking. Er zal zodanige overstroming en ene zee van kennis zijn onder het Nieuwe Verbond, boven het verbond met Zijn volk gemaakt, als Hij hen uit Egypte leidde, dat de mensen niet van node zullen hebben elkaar te leren bij vergelijking. Aldaar zal ene verhevene baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen (Jesaja 35:8). Hoe wordt God gezegd de ongerechtigheid te vergeven en de zonden nimmermeer te gedenken? Vooreerst, God wordt gezegd de ongerechtigheid te vergeven, als de schuld der zonde is weggenomen; en ten tweede: God wordt gezegd de zonden nooit meer te gedenken, naardien Hij den zondaar nooit meer aanmerkt als zondaar. Dit is immers het verbond, alsof Hij gezegd had: Ik zal uwe zonden wegnemen, en ze wegdoen alsof ze nooit geweest waren. Ik zal ze uitdoen uit Mijn gedenkboek; Ik zal het schrift doorstrijken dat niemand het zal kunnen lezen. Maar zoudt gij mogen zeggen: indien de zonde gedurig in de wedergeborenen blijft, hoe zijn zij dan zo vergeven, dat zij nooit meer gedacht worden? In onderscheidene opzichten zeggen wij, dat de zonde altijd blijft in de gelovigen, en dat de zonde niet blijft in de gelovigen. Vooreerst, zo wij spreken van de wet wij spreken van de wet der zonde, of van de welverdiende oorzaak der verdoemenis, dan blijft die altijd; maar zo wij spreken van de dadelijke verbinding des zondaars tot de verdoemenis, dan blijft zij niet na de vergeving; maar de zondaar is zo vrij, alsof hij nooit gezondigd had.