2 Samuël 5:11-16
I. Hier wordt Davids huis gebouwd, een koninklijk paleis, geschikt om er het hof in te ontvangen, dat hij hield, en de hulde, die hem gebracht werd, vers 11. De Joden waren landbouwers en schaapherders, en hebben zich niet veel aan handel of ambacht gewijd, daarom heeft Hiram, koning van Tyrus, een rijk vorst, toen hij een gezantschap zond om David geluk te wensen met zijn troonsbestijging, hem werklieden aangeboden om hem een huis te bouwen. David nam het aanbod dankbaar aan, en Hirams werklieden bouwden David een huis naar zijn welgevallen. Velen hebben uitgemunt in kunsten en wetenschappen, die vreemdelingen waren voor het verbond van de beloften, maar Davids huis was er niet te slechter om, of minder geschikt om Gode toegewijd te worden, dat het gebouwd werd door de zonen van de vreemdeling. Er is geprofeteerd van de Evangeliekerk: "De vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen," Jesaja 60:10.
II. Davids regering gegrond en opgebouwd, vers 12.
1. Zijn koninkrijk was bevestigd er was niets om het te doen wankelen, niemand om hem te verontrusten of zijn recht op de kroon te betwisten. Hij, die hem koning had gemaakt, bevestigde hem, omdat hij een type moest wezen van Christus, met wie Gods hand vast zou blijven, en Zijn verbond vast zou blijven, Psalm 89:22-29. Saul werd koning gemaakt, maar niet bevestigd, evenals Adam in de staat van de onschuld. David werd als koning bevestigd evenzo de Zone Davids, en allen, die door Hem Gode tot koningen en priesters gemaakt zijn.
2. Het was verhoogd, beide in de ogen van vrienden en vijanden, nooit had het volk van Israël zo'n groot aanzien als nu. Aldus is van Christus beloofd dat Hij "ten hoogste zal wezen over de koningen van de aarde," Psalm 89:28. God heeft Hem "uitermate verhoogd," Fillipp. 2:9..
3. David bemerkte het door de wondervolle leidingen van Gods voorzienigheid om hem te bevestigen en te verhogen. "Hierbij weet ik dat Gij lust aan mij hebt" Psalm 41:12. Velen hebben de gunst en de liefde van God, en bemerken het niet, en zo derven zij er de vertroosting en het genot van, maar daartoe verhoogd te zijn, en daarin bevestigd te zijn en het te bemerken, dat is zaligheid.
4. Hij erkende dat het was om Zijn volks Israëls wil, dat God grote dingen voor hem gedaan had, opdat hij een zegen voor hen zijn zou, en zij gelukkig zouden zijn onder zijn bestuur. God heeft niet om zijnentwil Israël tot zijn onderdanen gemaakt, opdat hij groot, en rijk, en machtig zou zijn, maar Hij heeft hem om hunnentwil tot hun koning gemaakt, opdat hij hen zou leiden, besturen en beschermen. Koningen zijn dienaren Gods ten goede van hun volk, Romeinen 13:4. o
III. Davids gezin vermenigvuldigd en toegenomen. Al de zonen, die hem geboren werden nadat hij te Jeruzalem was gekomen, worden hier genoemd, elf in aantal, behalve de zes, die hem te Hebron geboren waren, Hoofdstuk 3:2-5. Daar werden ook de moeders genoemd, niet hier, er wordt slechts in het algemeen gezegd, dat hij meer bijwijven en vrouwen nam, vers 13. Zullen wij er hem voor prijzen? Wij prijzen hem niet, wij rechtvaardigen hem niet, wij kunnen hem nauwelijks verontschuldigen. Het slechte voorbeeld van de aartsvaders kon hem doen denken dat er geen kwaad in was, misschien hoopte hij door het vermenigvuldigen van zijn verbintenissen zijn invloed te versterken en de koninklijke familie te doen toenemen. Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met deze pijlen gevuld heeft. Maar een wijnstok aan de zijden van het huis kan met de zegen van God ranken uitschieten tot aan de zee, en scheuten tot aan de rivier. Door een vrouw heeft Adam de wereld bevolkt, en Noach haar opnieuw bevolkt. David had vele vrouwen, maar dat heeft hem niet weerhouden zijns naasten vrouw te begeren en haar te verontreinigen want mannen, die eens door de heining heen zijn gebroken, zullen eindeloos voortdwalen. Van Davids bijwijven zie 2 Samuël 15:16, 16:22, 19:5. Van zijn zonen, zie 1 Kronieken 3:5.