Jeremia 25:30-38
In deze verzen vinden wij een verdere beschrijving van de vreselijke verwoesting, die de koning van Babel in alle landen en onder alle volken rondom Jeruzalem zou aanrichten. In Jeruzalem had God Zijn tempel gesticht, daar waren Zijn Godsspraken en inzettingen, waarop de naburige natiën hadden moeten letten en waardoor zij een zegen hadden kunnen verkrijgen, daarheen hadden zij moeten opgaan om kennis van God en van hun plicht te verkrijgen. Dan zouden ze reden gehad hebben om God te danken voor de nabijheid van die stad. Maar inplaats daarvan hadden zij gelegenheid gevonden om de heilige stad te verleiden en te verstoren, en toen God kwam om met Jeruzalem te richten, omdat het zoveel van "de wegen van de heidenen" had geleerd, heeft Hij ook de heidenen gericht omdat zij zo weinig van de prediking van Jeruzalem hadden geleerd.
Spoedig zullen zij vernemen, dat Nebukadnezar oorlog tegen hen gaat voeren, maar de profeet wordt hier bevolen hun duidelijk te maken, dat God zelf oorlog tegen hen voert, God, tegen Wien geen verweer mogelijk is.
1. De oorlog wordt hier verklaard, vers 30 :De Heere zal brullen uit de hoogte, niet "van de berg Zion en uit Jeruzalem Joël 3:16, Amos 1:2, maar uit de hemel, uit Zijn heilige woning, want nu is Jeruzalem een van de plaatsen, tegen welke Hij brult. Hij zal verschrikkelijk brullen over Zijn woonstede op de aarde". Hij heeft lang gezwegen, en het scheen als lette Hij niet op de goddeloosheid van de volken, God heeft de tijden van de onwetendheid overgezien, maar nu "zal Hij een vreugdegeschrei uitroepen, gelijk die aanvallen in de strijd, tegen alle inwoners van de aarde," voor wie het een geduchte strijdkreet zal wezen. Maar een vreugdegeroep in de hemel, "als van druiventreders." Want, wanneer God de trotse vijanden Zijns Koninkrijks onder de mensen richt, "dan wordt er een grote stem van een grote schare in de hemel gehoord, zeggende: Halleluja," Openbaring 19:1. "Hij brult als een leeuw", Amos 3:4, 8, als een leeuw, die zijn hut verlaten heeft, vers 38, en rondgaat om zijn prooi te zoeken, waartegen hij brult om die te gemakkelijker te grijpen.
2. De proclamatie wordt uitgevaardigd, die de oorzaken en redenen ontvouwt waarom God deze oorlog verklaart, vers 31 : De Heere heeft een twist met de volken, Hij heeft rechtvaardige reden om met hen te twisten en wil met hen richten. Zijn aanklacht is, in een woord, hun goddeloosheid, omdat zij Hem gesmaad en Zijn gezag over Hem en Zijn lankmoedigheid met hen veracht hebben. "Hij heeft de goddelozen aan het zwaard overgegeven." Zij hebben God tot toorn verwekt, vandaar al die verwoesting, het is vanwege de hittigheid des toorns des Heeren, vers 37, 38. De hittigheid des verdrukkers, of (gelijk beter gelezen wordt) de hittigheid van het verdrukkende zwaard (want het Hebreeuwse woord is vrouwelijk) is vanwege de hittigheid Zijns toorns. En wij zijn zeker, dat Hij nooit zonder reden toornig is, maar "wie kent de sterkte Zijns toorns?" Psalm 10:11.
3. Hier wordt alarm geslagen: Het geschal zal komen tot aan het einde van de aarde, zo ver zal het brullen gehoord worden, vers 31. Dat alarm geschiedt niet door trompetgeschal of trommelslag, maar door een groot onweder, en dat zal verwekt worden van de zijden van de aarde, vers 32. Het Chaldeeuwse leger zal zijn gelijk een orkaan, uit het noorden aanstormende, met ongelooflijke hevigheid en snelheid en alles verwoestende. Het is gelijk het onweder, waaruit God Job antwoordde, en dat buitengewoon vreselijk was, Job 38:1. Wanneer de toorn Gods dus brult als een leeuw, geen wonder als de angstkreten van de aarde als een echo antwoorden, want wie zou niet beven, als God dus in Zijn ongenoegen spreekt? Zie Hosea 11:10. "Nu zullen de herders huilen en schreeuwen, de koningen en vorsten en groten van de aarde, de heerlijken van de kudde." Zij waren gewoonlijk de moedigsten en zekersten, maar nu zullen zij zich in de as wentelen, vers 34. Zij zien, dat zij ten enenmale onmachtig zijn de vijand het hoofd te bieden, en dat het land, hetwelk zij moesten bewaren en beschermen, een onvermijdelijk verderf tegemoet gaat, en geven zich daarom aan de smart over. Daar zal zijn een stem des geroeps van de herders, en een gehuil van de heerlijken van de kudde, vers 36. Grote rampen inderdaad, die de groten van de aarde met zo'n schrik vervullen, en geheel verbijsteren. De Heere heeft hun weide verstoord, waarin zij hun kudde weidden, en waarvan zij zich zelf weidden, die verwoesting doet hen dus schreeuwen. Misschien vervolgt dit woord de vergelijking met de brullenden leeuw en zinspeelt op de grote schrik van de herders wanneer zij een leeuw brullende de kudden horen naderen, en zien dat de vlucht van hen vergaan zal dat is dat zij geen weg vinden om te vluchten vers 35, noch voor zich zelf noch voor hun kudde. De vijand zal zo talrijk zijn zo woest en zo haastig, dat het onmogelijk zal wezen, niet in zijn hand te vallen. Zie gelijk wij Gods oordelen niet kunnen weerstaan zo kunnen wij ze evenmin ontlopen. Daarom "huilen en schreeuwen" de herders.
4. De voortgang van deze oorlog wordt hier beschreven, vers 32 :Zie, een kwaad gaat er uit van volk tot volk, gelijk de beker rondgaat, iedere natie zal haar deel en haar beurt hebben, omdat men op elkanders bezoeking geen acht slaat noch boete doet en zich bekeert. Ja, alsof dit een kleine voorproef ware van het laatste en algemene oordeel, zal het reiken van het een einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde, vers 33. De dag van de wrake is in Zijn hart en nu "zal zijn hand al Zijn vijanden vinden," Psalm 21:9. Als het huis van onze buurman in brand staat, is het tijd om aan het onze te denken. Als een volk in oorlog is, moet het aangrenzende volk horen en vrezen en vrede met God maken.
5. De droevige gevolgen van de krijg worden hier voorspeld: Uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dat is, hij is eindelijk gekomen, vers 34, de tijd in Gods raad bepaald voor de slachting van sommigen en de verstrooiing van de overigen, zodat de volken geheel zullen ondergaan. Menigten zullen vallen door het zwaard van de meedogenloze Chaldeën, en de verslagenen des Heeren zullen overal gevonden worden. Zij worden verslagen op Zijn bevel en opgeofferd aan Zijn gerechtigheid. Om de ellende nog te vergroten, zullen ze niet beweend worden zo algemeen zal de slachting zijn. Ja, zij zullen niet opgenomen noch begraven worden, want er zullen geen vrienden overblijven om dat te doen, en de vijanden zullen daartoe niet barmhartig genoeg zijn. Zij zullen zijn tot mest op de aardbodem. Gelijk mest de grond verbetert en vruchtbaar maakt, zo zullen deze afzichtelijke lijken als tekenen van de goddelijke rechtvaardigheid mogelijk een middel zijn, om de inwoners van de aarde gerechtigheid te leren. Het gevolg van deze oorlog zal zijn de verwoesting van het gehele land vers 38, van het ene land na het andere, waar de oorlog gewoed heeft. Maar er zijn nog een paar uitdrukkingen, die de ellende nog aanmerkelijk groter maken.
a. Gij zult vervallen als een kostelijk vat, vers 34. De begeerlijksten onder hen, die door zich zelf en anderen het hoogst geschat worden, die voor vaten van de ere golden, zullen door het zwaard vallen. Gij zult vallen als een Venetiaans glas of een Chinese schotel, die gemakkelijk in stukken gebroken worden. Zelfs de zwakke en tedere zal in de algemene ellende delen het zwaars verteert zowel de een als de ander.
b. Zelfs "de landouwen des vredes zullen uitgeroeid worden." Die rustig en ongestoord woonden, die lang in vrede geleefd hadden, zullen niet ontkomen, maar door de oorlog uitgeroeid worden. Of: zij, die in rust plechten te leven, die niemand lastig vielen, die vrede hielden met iedereen en geen schepsel overlast aandeden, zelfs zij zullen niet ontsnappen. Dit is een van de treurige gevolgen van de oorlog, dat zelfs de onschuldigsten en vreedzaamsten hard behandeld worden. Gezegend zij God, "dat er boven een woonstede des vredes voor alle zonen des vredes is, buiten het bereik van vuur en zwaard."