Ezechiël 7:16-22
Wij hebben gezien, welk lot hen wacht, die afgesneden worden, nu zullen wij zien, hoe zij vluchten, die een kans tot ontsnapping open zien, sommigen zullen ontkomen, vers 16, maar zal dit hun voordeel opleveren? Het is even goed, eenmaal te sterven, als in een leven vol ellende, duizend doden te sterven, en slechts te ontkomen gelijk Kaïn om zwervende en dolende op de aarde te zijn, bevreesd, dat al wie hem vindt hem zal doodslaan.
I. Zij zullen in hun eigen gemoed troost noch voldoening smaken, maar in gestadige angst en schrik verkeren, want, waarheen zij ook gaan, overal dragen zij hun schuldig geweten mede, dat hen zich zelf tot een last doet zijn.
1. Zij zullen immer verlaten en een prooi van zwaarmoedigheid zijn, zij zullen niet in steden of plaatsen van verkeer zijn, maar alleen op de bergen, naar geen gezelschap verlangende, maar dat veeleer vliedende, omdat zij zich schamen over hun vernederende omstandigheden.
2. Zij zullen immer smart hebben. Zij, die onder de tekenen van Gods ongenoegen verkeren, hebben reden om te treuren, en daartoe kan God hen brengen, die grote vreugde gekend en met smart gespot hebben. Degenen, die zich eenmaal voor de leeuwen van de bergen hielden, zo moedig waren zij, zijn nu als duiven van de vallei geworden, zo vreesachtig zijn zij, zo moedeloos, gereed om te vluchten waar geen vervolger is en te sidderen op het vallen van een blad. Zij allen treuren (niet met droefheid naar God, maar met droefheid van de wereld die de dood werkt), ieder om zijn eigen ongerechtigheid, dat is om de ellende die zij nu zien, dat hun eigen goddeloosheid over hen gebracht heeft, niet alleen de goddeloosheid des lands, maar hun eigen. Zij zullen dan moeten erkennen dat ieder van hen heeft bijgedragen tot de nationale schuld. Zie, de zonde brengt vroeger of later, op welke wijze ook, smart, degenen, die geen berouw hebben over hun ongerechtigheid, zullen terecht aan wroeging ten prooi worden. Wie er niet over treurt als een vergrijp tegen God, zal er over treuren als een schande en verderf voor hem zelf, "tot hij in zijn laatste brult, als zijn vlees en zijn lijf verteerd is, en hij zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat en mijn hart de bestraffing versmaad," Spreuk. 5:11, 12.
3. Zij zullen van al hun lichaams- en geestkracht beroofd worden, vers 17 :Alle handen zullen slap worden, en alle knieen zullen henenvloeien als water. Hun handen zullen onmachtig worden om te strijden en zich te verdedigen, hun knieën de dienst weigeren om te lopen of ook maar te staan. Een algehele inzinking zal over hen komen. "Haar knieen zullen wegstromen als water, zodat zij vallen moeten". Zie het is dwaasheid voor "de sterke, zich te beroemen in zijn sterkte, want God kan die spoedig wegnemen."
4. Zij zullen alle hoop verliezen en aan hun wanhoop overgelaten worden, vers 18, niets zal er zijn om hun geest op te beuren, hun uiterlijk zal getuigen van hun vooruitzicht. Ze zullen zich met zakken omgorden, zonder enig uitzicht op betere kleding. Gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen en op al hun hoofden kaalheid, alle tekenen van wanhopige smart, Jesaja 16:11. Zie, wie niet door vrees en schaamte van de zonde teruggehouden wordt, zal door vrees en schaamte ervoor gestraft worden, daarop moet de zonde uitlopen.
II. Zij zullen geen voordeel hebben van hun rijkdom en welvaart, maar die zat worden, vers 19. Zij, die tot deze ellende gebracht waren, hadden vroeger overvloed van zilver en goud, geld en juwelen en andere kostbaarheden gehad, waarvan zij zich heel wat voordeel in dagen van algemene ellende voorgespiegeld hadden. Zij meenden, dat hun rijkdom zou zijn hun sterke stad, waarmee zij vijanden konden omkopen en vrienden verwerven, dat zij er hun losprijs van konden maken, dat zij nimmer broodsgebrek zouden hebben zolang hun geld duurde, en dat geld alles zou verantwoorden. Maar-het komt alles anders uit.
1. "Hun rijkdom is hun in de dag van hun voorspoed tot grote verleiding geweest, zij hadden er hun hart op gesteld en er hun vertrouwen aan geschonken". Door hun ijverig streven naar rijkdom zijn ze tot zonde gedreven, en door hun veelvuldig genot in de zonde verhardt Zo werd die tot een aanstoot van hun ongerechtigheid, zij vielen daardoor in zonde en werden verhinderd, tot God terug te keren. Zie, velen zijn er, wie rijkdom tot een strik en verderf wordt. Het gewinnen van de wereld is het verlies van hun ziel, het maakt hen trots, zelfgenoegzaam, gierig, verdrukkers en wellustiger. Datgene wat hun, indien goed gebruikt, een dienaar van de godzaligheid had kunnen worden, zal, nu slecht gebruikt, "de aanstoot van hun ongerechtigheid zijn."
2. Het was hun geen verlichting in de dag huns tegenspoeds.
a. Hun goud en zilver kon hen tegen de oordelen Gods niet beschermen. Zij zullen hen niet kunnen uithelpen ten dage van de verbolgenheid des Heeren, zij zullen Zijn gerechtigheid niet kunnen verzoenen of Zijn toorn afwenden, noch hen beveiligen tegen de oordelen, die Hij over hen brengt. "Zie, goed doet geen nut ten dage van de verbolgenheid," Spreuken 11:4. Het zit noch zo hoog, dat Gods oordelen hen niet bereiken kunnen, noch maakt ze zo sterk, dat zij die kunnen te boven komen. De dag des toorns nadert, wanneer het blijken zal, dat des mensen rijkdom buiten staat is, hem te verlossen of ook maar van enig nut te zijn. Wat baatte het de rijke man, dat zijn schuren gevuld waren, toen men zijn ziel van hem eiste? Of die anderen rijke, die gekleed was in purper en scharlaken en overvloed van spijs en drank had, toen hij geen druppel kon bekomen om zijn tong te verkoelen? Geld is geen verweer tegen de dood en verlicht de ellende van de verdoemenis niet.
b. Hun goud en zilver konden hen onder hun rampen niet bevredigen.
c. Zij konden hun buik niet vullen, toen er geen brood in de stad was overgelaten, was er voor geld of goede woorden niets te krijgen, hun zilver en goud konden hun honger niet stillen, noch enige spijze bereiden. Zie, wij konden beter zonder goudmijnen dan zonder korenvelden zijn, de voortbrengselen van de aarde, die gemakkelijk te verkrijgen zijn, mogen veel groter zegeningen voor de mens heten dan schatten, die met moeite en gevaar uit de ingewanden van de aarde gehaald worden. Zo God ons ons dagelijks brood geeft, hebben wij reden tot dankbaarheid en geen reden tot klagen, al bezitten wij zilver noch goud.
d Veel minder konden die hun ziel verzadigen of inwendig troost geven. Zie, de rijkdom van de wereld bevat niets dat de begeerte van de ziel vervult of in de dag van de ellende voldoening schenkt. Wie zilver liefheeft, zal van zilver niet verzadigd worden, veel min hij, die het verliest.
e. Hun goud en zilver zullen zij op de straten werpen, of door de hand des vijands, die meer buit zal vinden dan hij kan wegdragen of begeren, het zilver zal niet geacht worden, zij zullen het op de straten gooien, maar het goud, dat kostbaarder is, zal meegevoerd en naar Babel gebracht worden, of zij zullen zelf hun zilver en goud wegwerpen, opdat het hun vlucht niet belemmert, of opdat het de vijand geen aanleiding geve hen te doden om zich te verrijken, of uit verontwaardiging, omdat het, ondanks de moeite, die zij hadden genomen om het saam te schrapen en te bewaren, hun toch geen nut gedaan had, maar eer een aanstoot geweest was. Zie, de wereld gaat voorbij en haar begeerlijkheid, 1 Johannes 2:17. De tijd kan komen, dat wereldse mensen hun rijkdom evenzeer moede zullen zijn als zij hem nu liefhebben, diegenen zijn er het best aan toe, die het minst hebben.
III. Gods tempel zal hun evenmin baten, vers 20-22. Daarop hadden zij geroemd en daarvan zich veiligheid beloofd, Jeremia 7:4, Micha 3:11, maar dit hun vertrouwen zou hen begeven.
Merk op,
1. De grote eer, die God dat volk had geschonken, door Zijn heiligdom in hun midden op te richten, vers 20. "En Hij heeft de schoonheid Zijns sieraads, waar zij en hun vaders Hem loofden" Jesaja 14:11, dat heilig was en daarom heerlijk, het heette "de heerlijkheid des heiligdoms," en heiligheid is de heerlijkheid Zijns sieraads, het was ook met goud en zilver enz. versierd, "Hij heeft de schoonheid Zijns sieraads ter overtreffelijkheid gezet." Alles meest medewerken om het prachtig te maken, om Zijn volk Israël te hoger te doen uitsteken boven hun naburen. Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, Psalm. 78:69. "Een troon van de heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaatse onzes Heiligdoms, Jeremia 17:12. Maar
2. Dit was de grote oneer, die zij God hadden aangedaan, dat zij Zijn heiligdom hadden ontheiligd, zij hadden daarin beelden hunner gruwelen en hunner verfoeiselen gemaakt, vers 20 en daarmee God tot jaloersheid verwekt. Voor God waren het gruwelen en verfoeiselen, en dat moesten ze ook voor hen zelf geweest zijn, en die dingen hadden ze geplaatst in Gods tempel, groter belediging kon Hem niet worden aangedaan. En daarom,
3. Hun wordt hier gedreigd, dat zij van hun tempel zullen beroofd worden, en dat zulks hun niet tot troost zou zijn. "Daarom heb Ik dat hun tot onreinigheid gesteld," dat is verre weggedaan zodat het hun niet meer dienen of invloed op hen uitoefenen kan. Zie, Gods ordinantiën en de voorrechten van een godsdienstbelijdenis worden rechtvaardiglijk weggenomen, wanneer die worden veracht en verontheiligd. Ja, zij zullen niet alleen ver van de tempel verdreven worden, maar de tempel zelf zal in de algemene verwoesting inbegrepen zijn, vers 21. De Chaldeën, die vreemdelingen zijn en daarom geen eerbied voor de tempel koesteren, die de goddelozen van de aarde zijn, en daarom een afkeer van de tempel hebben, zullen hem ten roof en ten buit krijgen. Alle sieraden en schatten zullen in hun handen vallen, zij zullen geen onderscheid maken tussen deze en anderen roof. Dat was de smart van de heiligen in Zion, die nergens luider over klaagden dan daarover, "dat de vijand alles in het Heiligdom verdorven had," Psalm 74:3. Maar het was de straf van de zondaren in Zion, toen zij de tempel met vreemde goden ontheiligden, God tot toorn verwekten, zodat Hij vreemden toeliet hem te verontreinigen, en Zijn aangezichte van hen omwendde, als had Hij hen en hun misdaden niet gezien en van degenen, die die smaad trachtten af te bidden, als hoorde Hij hun gebeden niet. Laat de krijgsknechten hun gang gaan, laat ze de verborgen plaats, het heilige van de heiligen, binnendringen, als waren zij rovers, laat ze alles beroven, laat ze het heiligdom ontheiligen, deszelfs bescherming is geweken en zijn heerlijkheid vergaan. Zie, degenen, die door de kracht van de godzaligheid niet willen geregeerd worden, zullen ook de eer van de vorm van de godzaligheid moeten derven