Psalm 68:16-22
David had God geloofd voor hetgeen Hij, als de God van Israël, in het algemeen voor Israël gedaan heeft, vers 9, en nu gaat hij er toe over om Hem te loven als de God van Zion, en wel op bijzondere wijze. Vergel. Psalm 9:12. "Psalmzingt de Heere, die te Zion woont", om welke reden Zion de berg Gods wordt geroemd.
I. Hij vergelijkt hem met de berg Basan en andere hoge en vruchtbare bergen, en geeft er boven deze de voorkeur aan, vers 16, 17. Wel is waar, Zion was slechts klein en laag in vergelijking met hen, en was niet, zoals zij, bedekt met kudden van runderen en schapen, maar Zion heeft daarom boven die allen de voorkeur omdat het de berg Gods is, de berg die God begeerd heeft tot Zijn woning, en waar Hij verkiest de tekenen te tonen van Zijn bijzondere tegenwoordigheid, Psalm 132:13, 14. Het is veel meer eervol om Gode heilig te zijn dan om groot en hoog in de wereld te wezen. "Waarom springt gij op, gij hoge bergen? vers 17. Waarom hoont gij het arme Zion, en snoeft gij op uw hoogte? Dit is de berg, die God verkoren heeft, en daarom ofschoon gij hem overtreft in hoogte en omvang, moet gij toch, allen, daar op Zion de koninklijke vlag is gehesen de vlag er voor strijken." Zion was inzonderheid achtbaar omdat het een tijpe was van de Evangeliekerk, die daarom de berg Zion wordt geroemd Hebreeën 12:22, en dit wordt hier te kennen gegeven als hij zegt: de Heere zal er in eeuwigheid wonen, hetgeen vervuld moet worden in het Zion van het Evangelie. Er is in de wereld geen koninkrijk, dat vergeleken kan worden met het koninkrijk van de Verlosser, geen stad, die vergeleken kan worden bij Zion, die de handvest heeft van het Evangelie, want daar woont God en zal er tot in eeuwigheid wonen.
II. Hij vergelijkt hem bij de berg Sinai waarvan hij had gesproken in vers 9 en toont aan dat hij even wezenlijk, hoewel niet op even door de zinnen waarneembare wijze, de shechina van de Goddelijke tegenwoordigheid heeft als de Sinai zelf haar gehad heeft, vers 18. Engelen zijn Gods wagens, Zijn krijgswagens, waarvan Hij gebruik maakt tegen Zijn vijanden, Zijn vervoermiddelen, die Hij aan Zijn vrienden zendt, zoals aan Elia, en van Lazarus wordt gezegd, dat hij door de engelen gedegen werd, Zijn staatsiewagens, temidden waarvan Hij Zijn heerlijkheid toont en Zijn macht. Zij zijn zeer talrijk, twintig duizend, de duizenden vermenigvuldigd. Er is een talloos gezelschap van engelen in het hemelse Jeruzalem, Hebreeën 12:22. De vijanden, tegen wie David streed, hadden wagens, 2 Samuël 8:4, maar wat betekenden zij met betrekking tot hun aantal en hun kracht in vergelijking met Gods wagens? Zolang David deze aan zijn zijde had, behoefde hij hen niet te vrezen, die op "wagens en paarden" vertrouwden, Psalm 20:8. God verscheen op de berg Sina', vergezeld van myriaden van engelen, door wier bestelling de wet was gegeven, Handelingen 7:53."hij komt met tienduizenden van de heiligen," Deuteronomium 33:2. En nog openbaart God Zijn heerlijkheid in Zion, en is werkelijk tegenwoordig met een ontelbaar gevolg van Zijn hemelse heirscharen, aangeduid door de cherubim, tussen welke God gezegd wordt te wonen. Zodat, gelijk sommigen het laatste vers lezen, Sinaï is in het heiligdom, het heiligdom was voor Israël in de plaats van de berg Sinaï, , waar zij de Goddelijke orakelen ontvingen. Onze Heere Jezus heeft deze wagens tot Zijn dienst, toen de Eerstgeborene in de wereld gebracht werd, was het met deze last: Dat alle engelen Gods hem aanbidden, Hebreeën 1-6. Bij alle gelegenheden hebben zij Hem vergezeld, en nu is Hij onder hen "engelen, machten en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde," 1 Petrus 3:22. En in het Nieuwe Testament wordt te kennen gegeven dat de engelen in de Godsdienstige vergaderingen van de Christenen tegenwoordig zijn, 1 Corinthiers 11:10."de vrouw moet een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen". Zie ook Efeziers 3:10. III. De heerlijkheid van de berg Zion was de koning, die God over deze berg van Zijn heiligheid gezalfd heeft, Psalm 2:6, die tot "de dochter Zions gekomen is," Mattheus 21:5. Het is van Zijn hemelvaart, dat de psalmist hier spreekt, en daarop wordt het uitdrukkelijk toegepast, Efeziers 4:8. Gij zijt opgevaren in de hoogte, vers 19, vergelijk Psalm 47:6, 7. Van Christus' opvaren in de hoogte wordt hier gesproken als van iets in het verleden, zo zeker was die zaak, en er wordt van gesproken tot Zijn eer, zo'n grote zaak was het. Hierin kan geheel Zijn verhoogden staat zijn begrepen, maar het verwijst inzonderheid naar Zijn hemelvaart om te zitten aan de rechterhand des Vaders, hetgeen evenzeer ons voordeel als Zijn verhoging was. Want:
1. Toen heeft Hij getriomfeerd over de poorten van de hel, Hij heeft de gevangenis gevankelijk weggevoerd Hij heeft Zijn gevangenen in triomf heengeleid, zoals grote overwinnende krijgsoversten plachten te doen, hen in "het openbaar tentoongesteld," Coloss. 2:15. Hij heeft hen gevankelijk weggevoerd, die ons gevankelijk hadden weggevoerd, en die ons, indien Hij niet tussenbeiden ware getreden, voor altijd gevangen hadden gehouden. Ja Hij heeft de gevangenis zelf gevankelijk weggevoerd, daar Hij de macht van de zonde en des Satans ten enenmale heeft verbroken. Gelijk Hij de dood was van de dood, verlost Hij ons van het geweld van de hel, Hosea 13:14. Dit duidt de volkomen overwinning aan, die Jezus Christus over onze geestelijke vijanden behaald heeft, zij was zo volkomen dat door Hem ook "wij meer dan overwinnaars zijn," dat is: triomfators, Romeinen 8:37.
2. Toen heeft Hij voor alle gelovigen de poorten van de hemel geopend, Gij hebt gaven ontvangen voor de mensen, Hij heeft "de mensen gaven gegeven," zo leest het de apostel, Efeziers 4:8. Want Hij ontving om te geven, de zalving des Geestes was op Zijn hoofd uitgestort, opdat zij van Hem zou neerdalen op de zomen van Zijn klederen. En Hij gaf wat Hij had ontvangen, macht ontvangen hebbende om het eeuwige leven te geven, geeft Hij het "aan zovelen als Hem gegeven waren," Johannes 17:2. "Gij hebt gaven ontvangen voor mensen," niet voor engelen, gevallen engelen moesten niet tot heiligen worden gemaakt en staande gebleven engelen niet tot Evangeliedienaren, Hebreeën 2, 5. Niet voor Joden alleen, maar voor alle mensen, al wie wil kan het voordeel van die gaven genieten. De apostel zegt ons waarin deze gaven bestonden, Efeziers 4:11, "profeten, apostelen, evangelisten, herders en leraars," de instelling van een Evangeliedienst, en de bekwaammaking van mensen er voor, welke beide gewaardeerd moeten worden als de gaven des hemels, en de vruchten van Christus' hemelvaart. Gij hebt gaven ontvangen in de mens, zo heeft het de kanttekening, dat is: in de menselijke natuur, waarmee het Christus behaagd heeft zich te bekleden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw hogepriester zou zijn in de dingen, die bij God te doen waren. In Hem, als Middelaar, woont alle volheid, opdat wij uit Zijn volheid zouden ontvangen. Om de goedheid en liefde van Christus jegens ons in het ontvangen van deze gaven voor ons te verheerlijken, merkt de psalmist op:
a. Dat wij ze verbeurd hadden. Hij heeft ze ontvangen ook voor de wederhorigen, voor hen, die wederhorig geweest zijn-alle kinderen van de mensen zijn dit in hun gevallen toestand geweest. Misschien is dit inzonderheid bedoeld van de heidenen, "die vijanden waren door het verstand in de boze werken," Coloss. 1:21. Voor hen zijn deze gaven ontvangen, aan hen worden zij gegeven, opdat zij de wapens zouden neerleggen, hun vijandschap gedood zou worden, en zij tot hun trouw zouden terugkeren. Het verhoogt en verheerlijkt uitermate de genade van Christus, dat door Hem rebellen na hun onderwerping niet slechts vergiffenis verkrijgen maar bevorderd worden. Christus is tot een oproerige wereld gekomen, niet om haar te veroordelen, maar opdat zij door Hem behouden zou worden.
b. De gunst, die er voor ons in bedoeld is. Hij heeft gaven ontvangen voor de wederhorigen, opdat de Heere God onder hen zou wonen, opdat Hij in een oproerige wereld een kerk zou oprichten, waarin Hij door Zijn woord en Zijn inzettingen zou wonen, zoals Hij vanouds in het heiligdom gewoond heeft, opdat Hij Zijn troon zou oprichten, en Christus in het hart zou wonen van particuliere personen, die wederhorig geweest zijn. De genaderijke bedoeling van Christus' onderneming was: "de tabernakel Gods onder de mensen op te richten" ten einde bij hen te wonen, en zij zelf tempelen zouden zijn tot Zijn lof. Ezechiël 37:27.
IV. De heerlijkheid van Zions Koning is, dat Hij een Zaligmaker en weldoener is van al Zijn gewillig volk en een verterend vuur voor allen, die in hun rebellie tegen Hem volharden, vers 20-22. Wij hebben hier goed en kwaad, leven en dood, de zegen en de vloek, ons voorgesteld, zoals in Markus 16:16. Hij, "die gelooft zal zalig worden, hij, die niet gelooft, zal verdoemd worden."
1. Zij, die God aannemen als hun God en zich alzo aan Hem geven om Zijn volk te zijn, zullen overladen worden met Zijn weldaden en voor hen zal Hij een God des heils zijn. Indien wij in oprechtheid verklaren dat God onze God is, en Hem als zodanig zoeken:
a. Dan zal Hij ons voortdurend goeddoen en ons gelegenheid, aanleiding geven om Hem te loven. Melding gemaakt hebbende van de gaven, die Christus voor ons ontvangen heeft, vers 19, voegt hij er gepast de volgende woorden bij: Geloofd zij de Heere, want aan het middelaarschap van Christus zijn wij het verschuldigd dat wij leven, op aangename wijze leven, en dagelijks overladen worden met weldaden. Zo vele, zo gewichtig zijn de gaven van Gods milddadigheid aan ons, dat Hij in waarheid gezegd kan worden ons er mee te overladen, Hij "giet zegeningen uit, totdat er geen schuren genoeg zullen wezen om ze te ontvangen," Maleachi 3:10. Zó gestadig zijn zij, en zo onvermoeid is Hij, dat Hij er ons dagelijks mee overlaadt, naar de behoefte van elken dag het vereist.
b. Hij zal ten laatste de God des heils voor ons wezen-de God van de eeuwige zaligheid, "wie lof offert, eert mij, en baant de weg, dat" "Ik hem Gods heil doe zien" Psalm 50:23, het heil, de zaligheid van de ziel. Hij, die ons dag bij dag overlaadt met weldaden, zal ons niet slechts tegenwoordige dingen geven voor ons deel, Hij zal de God van ons heil wezen, en wat Hij ons thans geeft, geeft Hij als de God van het heil ingevolge het grote plan van onze verlossing. Hij is onze God, en daarom zal Hij de God van de eeuwige verlossing voor ons wezen, want dat alleen zal beantwoorden aan de grote uitgestrektheid van Zijn verbondsbetrekking tot ons als onze God. Maar heeft Hij de macht om dit heil, die verlossing te voltooien? Ja gewis, want bij de Heere, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood. De sleutelen van de hel en des doods zijn in de hand van de Heere Jezus gegeven, Openbaring 1:18. Zelf in Zijn opstanding aan de dood ontkomen zijnde, heeft Hij beide gezag en macht om de Zijnen van de heerschappij van de dood te verlossen, door er voor hen de eigenschap van te veranderen als zij sterven en hun een volkomen overwinning er over te geven, als zij weer zullen opstaan, want de laatste vijand, die teniet gedaan wordt is de dood. En voor hen, die aldus voor eeuwig aan de dood ontkomen en door de tweede dood niet beschadigd worden, is verlossing van de tijdelijke dood voorzeker een zegen, die van God komt als de God huns heils, 2 Corinthiers 1:10. 2. Zij, die volharden in hun vijandschap tegen Hem, zullen gewis vernietigd worden vers 22. God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren, de kop van Satan, de oude slang, van wie in de eerste belofte voorzegd was dat "het zaad van de vrouw hem de kop zal vermorzelen" Genesis 3:15. Hij zal de macht verbreken van de volken, hetzij Joden of heidenen, die Hem en Zijn koninkrijk onder de mensen tegenstaan, Psalm 110:6. Hij zal vele hoofden van vele landen wonden, allen, wie zij ook zijn, die niet willen dat Hij koning over hen zal zijn. Zij, die voortgaan in hun overtredingen, die niet verbeterd willen worden, worden door God beschouwd als Zijn vijanden, en als zodanigen zullen zij door Hem behandeld worden. In dit spreken van de harige schedel is vers 22 misschien een toespeling op Absalom, wiens haar zijn strop was geworden. Of het duidt of de meest woeste en wreedste van zijn vijanden aan, die hun haar lieten groeien om zich daardoor een verschrikkelijk aanzien te geven, of de meest beschaafden van zijn vijanden die een sierlijk voorkomen hadden en veel zorg besteedden aan hun haar, noch dezen, noch die konden zich beveiligen tegen de dodelijke wonder, die de Goddelijke gerechtigheid zal toebrengen aan het hoofd van hen, die volharden in hun zonden.