Ezechiël 47:13-23
Wij gaan nu van de zaken des heiligdoms over tot die van den staat, van de stad naar het land.
1. Het land Kanaän wordt hun hier verzekerd als erfenis vers 14:Ik heb Mijne hand opgeheven, dat ik uwen vaderen geven zoude, heb het hun en hun kinderen onder eede beloofd. Ofschoon dat bezit een tijd lang afgebroken was geweest, toch had God Zijn eed niet vergeten, dien Hij hun vaderen gezworen had. Of schoon Gods beschikkingen voor een tijd met Zijne beloften in strijd schijnen, zal de belofte toch tenslotte zekerlijk vervuld worden, want God zal eeuwig Zijn verbond gedenken. Ik heb Mijne hand opgeheven, dat Ik het geven zou, en daarom zal ditzelve land ulieden in erfenis vallen. Zoo wordt het hemelsch Kanaän al het zaad verzekerd, omdat het is wat God, die niet liegen kan, beloofd heeft.
2. Het wordt hier omschreven, de grenzen worden bepaald, die zij niet overschrijden mochten om hun lastig te vallen, en die de naburen niet mochten overschrijden om Gods volk te plagen. Zulk eene aanwijzing der grenzen had ook plaats gehad, toen Jozua het land had veroverd en onder het volk verdeeld, Numeri 34:1 enz. Toen begon het met de Doode Zee in het zuiden, gaat dan rond en eindigt weer hier. Nu begint het met Hamath omstreeks Damaskus in het noorden, gaat rond en eindigt daar ook, vers 20. Zie het is God, die de bepalingen onzer woning heeft vastgesteld, en Zijn Israël zal immer reden hebben te zeggen, dat de snoeren hun in liefelijke plaatsen gevallen zijn. De Doode Zee wordt hier de Oostzee genoemd, omdat ze door de wateren des heiligdoms gereinigd is, niet langer de Zoutzee, zooals in Numeri.
3. Hier wordt bevolen, het land onder de stammen Israëls te verdeelen, Jozef voor twee stammen gerekend, om het getal twaalf vol te maken, toen Levi gekozen werd om het heiligdom te bedienen, vers 13, 21:Gij zult dat erven, de een zoowel als de ander, vers 14. De stammen zullen ieder een gelijk aandeel hebben, de eene evenveel als de andere. Toen de stammen uit Babel terugkeerden, schijnt dit ongelijk, omdat enkele stammen veel talrijker waren dan andere, Juda en Benjamin waren inderdaad de talrijkste, en van de andere waren er veel minder, Daar echter de twaalf stammen, in type en gezicht, de Nieuwtestamentische kerk vertegenwoordigen, worden de deelen gelijk, zooals wij in een ander visioen een gelijk getal van ieder der stammen verzegeld vinden met het zegel des levenden Gods, twaalf duizend van elk, Openbaring 7:5, enz. En al dezen verzegelden vielen gelijke deelen toe. Het wil ook zeggen, dat al de onderdanen van Christus' koninkrijk een even dierbaar geloof hebben verkregen. Mannen en vrouwen, Joden en heidenen, dienstknechten (slaven) en vrijen, allen zijn gelijkelijk welkom bij Christus en Zijne deelgenooten.
4. De vreemdelingen, die onder hen verkeeren, die kinderen gewinnen zullen en huisgezinnen vormen en zoo hun land helpen bevolken, zullen met hunlieden in erfenis vallen, al waren zij geboren Israëlieten, vers 22, 23, hetgeen in Jozua's tijd het geval niet was. Dit beteekent eene algemeene naturalisatie, die den Joden moest leeren wie hun naaste was, niet alleen die hun eigen volk en godsdienst toebehoorden, maar ook degenen, wie ze overigens ook zijn, aan wie zij gelegenheid hadden, vriendelijkheid te bewijzen, omdat zij ook bereid zouden zijn, van dezulken vriendelijkheid te ontvangen. Het zou op gelijke wijze vreemdelingen uitnoodigen, te komen en zich onder hen te vestigen en zich onder de vleugelen der goddelijke Majesteit te bergen. Maar het doelt zekerlijk op de Nieuwtestamentische tijden, wanneer de muur des afscheidsels tusschen Jood en heiden gebroken en beiden voor God gelijkgesteld zouden worden, een gemaakt in Christus, in Wien geen onderscheid is, Romeinen 10:12. Dit land was een type van het hemelsch Kanaän, dat betere land, Hebreeën 11:16, waarin geloovige heidenen een gezegend lot zouden hebben, evengoed als geloovige Joden, Jesaja 56:3.