Romeinen 10:12-21
De eerste woorden geven de bedoeling weer, welke de apostel met deze verzen heeft: dat er geen onderscheid tussen Joden en heidenen is, maar dat beiden ten opzichte van de aanneming tot kinderen door God op gelijken trap staan. In Jezus Christus is geen Jood of Griek, Colossenzen 3:11. God zaligt noch verwerpt den een omdat hij een Jood of den ander omdat hij een Griek is, maar beiden worden gelijkelijk aangenomen op de voorwaarden des Evangelies.
Want er is geen onderscheid. Tot bewijs haalt hij hier twee redeneringen aan.
I. Dat God dezelfde is voor allen. Want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. Er is niet een vriendelijk God voor de Joden en een minder-vriendelijk voor de heidenen, maar Hij is dezelfde voor allen, een algemene vader van alle mensen. Toen Hij Zijn naam bekend maakte De Heere, de Heere God, genadig en barmhartig, heeft Hij daarmee niet alleen te kennen gegeven wat Hij voor de Joden is, maar wat Hij is en zijn zal voor al Zijn schepselen, die Hem zoeken, niet alleen goed, maar rijk, overvloedig in goedheid, Hij heeft genoeg om hen allen te voorzien, en Hij is vrijmachtig en bereidvaardig om allen te geven, Hij is zowel instaat als gewillig, niet alleen rijk, maar rijk over ons, milddadig en weldadig in het uitdelen Zijner gunstbewijzen aan allen, die Hem aanroepen. Iets moet er door ons gedaan worden, zullen wij van deze goedheid genieten, maar dat is zo weinig mogelijk: wij moeten Hem aanroepen. Hij wil er om gebeden zijn, Ezechiël 36:37, en zeker: hetgeen niet waard is dat er om gevraagd wordt, is ook het bezit niet waard. Wij hebben niets te doen dan bij elke gelegenheid aan te houden in het gebed.
II. Dat de belofte dezelfde is voor allen, vers 13. Want een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden, de een zowel als de ander, zonder uitzondering. Deze uitbreiding, uitbreiding zonder enig onderscheid te maken, van de belofte, beiden aan Joden en heidenen zal, meent hij, niet zoveel verwondering wekken, want zij werd voorzegd door den profeet Joël, 2:32. Het aanroepen van den naam des Heeren betekent hier alle waarachtige godsvrucht. Wat is het leven des Christens anders dan een leven des gebeds? Het omvat een gevoel van onze afhankelijkheid van Hem, een algehele toewijding van ons zelven aan Hem, en een gelovige verwachting van al wat wij nodig hebben van Hem. Hij, die op deze wijze den naam des Heeren aanroept, zal zalig worden. Het is dus slechts vragen en ontvangen, wat kunnen wij meer wensen? Ter nadere toelichting hiervan merkt hij op:
1. Hoe noodzakelijk het was dat het Evangelie aan de heidenen verkondigd zou worden, vers 14, 15. Dat was de voornaamste grief van de Joden tegen Paulus, dat hij de apostel der heidenen was en hun het Evangelie predikte. Nu toont hij aan hoe noodzakelijk het was hen te brengen binnen het bereik van de hiervoor genoemde belofte, een deelgenootschap dat de Joden niet aan een hunner medeschepselen mochten misgunnen.
A. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Tenzij zij geloven dat Hij hun God is, zullen zij Hem niet in het gebed aanroepen, hoe zouden zij dat kunnen? De genade van het geloof is volstrekt nodig voor de uitoefening van den plicht des gebeds, zonder die kunnen wij niet behoorlijk bidden, niet bidden zodat wij verhoord worden. Hij die, in het gebed, tot God komt, moet geloven dat Hij is, Hebreeën 11:6. Zolang zij niet in den waren God geloofden, aanbaden zij hun afgoden: o Baäl, hoor ons! B. En hoe zullen zij in Hem geloven, van wie zij niet gehoord hebben? Op de een of andere wijze moet de goddelijke openbaring ons bekend gemaakt worden, indien wij haar zullen ontvangen en toestemmen, zij wordt ons niet ingeboren. In het horen is het lezen begrepen, dat een horen met het oog is, en waardoor velen tot het geloof gebracht zijn, Johannes 20:31. Deze dingen zijn geschreven opdat gij geloven moogt. Maar het horen alleen wordt genoemd, omdat dit de meest gewone en natuurlijke weg is voor het ontvangen van mededelingen.
C. En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt? Iemand moet hun mededelen hetgeen zij te geloven hebben. Predikers en hoorders behoren bij elkaar, en het is een gezegend ding wanneer zij zich in elkaar verblijden, de hoorders in de bekwaamheid en getrouwheid van den prediker, en de prediker in de gewilligheid en gehoorzaamheid van de hoorders.
D. En hoe zullen zij prediken indien zij niet gezonden worden? Zij moeten gezonden en in zekere mate bevoegd gemaakt worden voor hun werk van prediking. Hoe zal iemand als gezant optreden tenzij hij zijn geloofsbrieven en zijn orders ontvangen heeft van den vorst, die hem zendt? Dit bewijst dat er een geregelde dienst des woords moet zijn, een geregelde uitzending en afvaardiging. Het is Gods eigen voorrecht om dienaren te zenden, Hij is de Heere des oogstes, en daarom moeten wij Hem bidden dat Hij arbeiders uitstote in Zijn wijngaard, Mattheus 9:38. Hij alleen kan mensen bekwamen tot het ambt der bediening en hen er toe geneigd maken. Maar de echtheid van de bekwaammaking en de oprechtheid van die neiging kunnen niet overgelaten worden aan de beoordeling van ieder voor zich zelven, de aard der zaak verbiedt dat en laat het in geen geval toe, ter handhaving van de orde in de gemeente moet die noodzakelijk opgedragen en onderworpen worden aan het oordeel van een behoorlijk aantal van hen, die zelf tot de bediening zijn toegelaten en daarin wijsheid en ondervinding getoond hebben, en die gelijk in andere roepingen, ondersteld worden de meest bekwame rechters te zijn. Dezen worden gemachtigd hen af te zonderen, die zij bevinden genoegzaam bekwaamd en geneigd te zijn voor dit werk der bediening, opdat door deze bewaring van de opvolging de naam van Christus moge voortduren van eeuwigheid en tot eeuwigheid en Zijn troon in de hemelen bevestigd worden. En zij, die op deze wijze afgezonderd worden, mogen niet slechts, maar moeten prediken, want daartoe zijn zij gezonden.
2. Hoe welkom het Evangelie behoort te zijn aan degenen aan wie het verkondigd wordt, omdat het den weg der verlossing aanwijst, vers 15. Hiervoor haalt hij Jesaja 52:7 aan. Dezelfde uitdrukking vinden wij in Nahum 1:15. Deze woorden doelen op de blijde tijding van de verlossing van Israël uit de Babylonische gevangenschap, als type, maar zij strekken zich verder uit naar het Evangelie, de blijde boodschap van onze verlossing door Jezus Christus. Merk op:
A. Wat het Evangelie is. Het is een Evangelie van vrede, het is het woord der verzoening tussen God en mensen. Vrede op aarde, Lukas 2:14. Of: vrede wordt genoemd in de plaats van alles goeds. Zo wordt het hier gebruikt en toegepast: degenen die het goede verkondigen. De dingen van het Evangelie zijn werkelijk goede dingen, de beste dingen, de tijdingen daaromtrent zijn de meest verblijdende tijdingen, het beste nieuws dat ooit van den hemel op aarde kwam.
B. Wat het werk der dienaren is. Het Evangelie te verkondigen, deze blijde tijding te brengen, vrede te evangeliseren (zoals er eigenlijk in het oorspronkelijke staat), het goede te evangeliseren. Ieder prediker is in dien zin evangelist, maar hij is niet alleen een boodschapper die het nieuws overbrengt, hij is ook een gezant om te onderhandelen, de eerste evangelieverkondigers waren engelen, Lukas 2:13 en v.v.
C. Hoe aangenaam zij daarom ter wille van hun werk voor de kinderen der mensen moeten zijn. Hoe lieflijk zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen, dergenen die het goede verkondigen! Hoe welkom zijn zij! Maria Magdalena betoonde hare liefde voor Christus door Zijne voeten te kussen, en later door Zijne voeten te omhelzen, Mattheus 28:9. En toen Christus Zijnen discipelen de zending gaf, wies Hij hun de voeten. Zij die het Evangelie verkondigen hebben zelf toe te zien dat hun voeten (hun wandel en omgang) lieflijk zijn, de heiligheid van het leven der dienaren is de lieflijkheid hunner voeten. Hoe lieflijk! namelijk in de ogen der hoorders. Zij, die de boodschap gaarne ontvangen, kunnen niet anders dan de boodschappers liefhebben. Zie 1 Thessalonicenzen 5:12, 13.
3. Hij weerlegt een tegenwerping tegen dit alles, die gemaakt zou kunnen worden naar aanleiding van den geringen voortgang, welken het Evangelie in vele plaatsen maakt, vers 16.
Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest. Niet al de Joden, en ook niet al de heidenen, verreweg het grootste gedeelte van beiden blijft in ongeloof en ongehoorzaamheid. Merk op: Het Evangelie werd ons gegeven, niet alleen om gekend en geloofd, maar ook om gehoorzaamd te worden. Het is niet een samenstel van redeneringen, maar een regel des levens. De geringe voortgang van het Evangelie in de wereld is eveneens door den profeet voorzegd, Jesaja 53:1 :Wie heeft onze prediking geloofd? Dat hebben zeer weinigen gedaan, zeer weinigen in vergelijking met wat men zich daarvan zou voorstellen, in aanmerking nemende hoe geloofwaardig en aller aanneming waardig de prediking is, zeer weinigen in vergelijking tot hen, die in hun ongeloof blijven. Het is niets vreemds, maar zeer treurig en onverkwikkelijk voor de dienaren van Christus, om het Evangelie te brengen aan degenen, die het niet geloven willen. Bij zulke treurige ondervinding is het goed voor ons tot God ons te wenden en bij Hem ons beklag in te dienen: Heere, wie heeft onze prediking geloofd! In antwoord daarop:
A. Toont hij aan dat de verkondiging des woords het gewone middel is, waardoor het geloof gewerkt wordt, vers 17. Zo dan, ara, evenwel, ofschoon menigeen die het woord hoort, het niet gelooft, toch hebben zij die geloven, het eerst moeten horen. Het geloof is door het gehoor. Het is de samentrekking van hetgeen hij tevoren gezegd heeft, vers 14. Het begin, de voortgang en de kracht des geloofs komen door het gehoor. Het woord Gods wordt daarom genoemd het woord des geloofs, het verwekt en onderhoudt het geloof. God geeft het geloof, maar gebruikt daarbij Zijn woord als werktuig. Het gehoor (dat is het horen, waardoor het geloof gewerkt wordt) is door het woord Gods. Niet het horen van de betoverende woorden der mensen, en van hun wijsheid, maar het horen van het woord Gods, en het horen daarvan als het woord van God, dát zal het geloof verwekken. Zie 1 Thessalonicenzen 2:13.
B. Dat degenen, die de verkondiging des Evangelies niet willen geloven, ofschoon zij die gehoord hebben, daardoor niet te verontschuldigen zijn, en hun ondergang aan zich zelven te wijten hebben, vers 18-21.
a. De heidenen hebben haar gehoord, vers 18. Hebben zij het niet gehoord? Ja in meerdere of mindere mate hebben zij allen het Evangelie gehoord, of tenminste er van gehoord. Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde heengegaan, niet alleen een onbegrijpelijk geluid, maar hun woorden (meer nauwkeurige en begrijpelijke indrukken van deze dingen) zijn gegaan tot de einden der wereld. De opdracht, welke de apostelen ontvingen, luidde: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen, neemt leerlingen uit alle volken, en zij deden dat met onvermoeibaren ijver, terwijl wonderlijk-goede uitslag hun pogingen bekroonde. Zie hoever het terrein van Paulus' werkzaamheid zich uitstrekte, Hoofdstuk 15:19. Tot dit afgelegen eiland Brittannië, een van de uiterste hoeken van de toen-bekende wereld, kwam niet alleen het geluid, maar kwamen ook de woorden des Evangelies reeds binnen weinige jaren na de hemelvaart van Christus. Hiermede in verband was in den eersten tijd van het Christendom de gave der talen zo rijkelijk uitgestort, vooral over de apostelen, Handelingen 2.. In de door hem gebruikte uitdrukking haalt hij duidelijk Psalm 19:4 aan, waar sprake is van den indruk, welke de zichtbare werken Gods in de schepping aan de gehele mensheid gegeven van de macht en de goddelijkheid van den Schepper. Gelijk God onder het Oude Testament voorzag in de verkondiging van het werk der schepping door zon, maan en sterren, zo zorgt Hij thans voor de mededeling van het werk der verlossing aan de gehele wereld door de prediking van de Evangeliedienaren. Daarom worden die sterren genoemd.
b. De Joden hebben haar ook gehoord, vers 19-21. Hierdoor beroept hij zich op twee uitspraken uit het Oude Testament, om aan te tonen dat zij niet in het minst te verontschuldigen zijn. Heeft Israël het niet verstaan? Niet verstaan dat de heidenen op die wijze geroepen zouden worden. Zij hadden het kunnen weten van Mozes en Jesaja.
Ten eerste. De hier volgende tekst is genomen uit Deuteronomium 32:21 :Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken. De Joden hadden niet alleen de aanbieding, maar zagen dat de heidenen die ook aannamen en hoezeer zij door die aanneming bevoorrecht werden, getuige hun verslagenheid bij dat schouwspel. Zij hadden geweigerd. Eerst aan u, Handelingen 3:26. In alle plaatsen waar de apostelen kwamen geschiedde de aanbieding eerst aan de Joden, en de heidenen kregen alleen wat zij verwierpen. Indien de een het niet wilde aannemen, de ander zou het wel doen. Dat verwekte hen tot jaloersheid. Evenals de oudere broeder in de gelijkenis, Lukas 15, benijdden zij den verloren heidenen hun aanneming en zaligmaking op hun berouw. De heidenen worden hier genoemd degenen die geen volk zijn, en een onverstandig volk, dat is, een volk dat God niet beleed. Hoeveel wijsheid en verstand naar de wereld zij ook mogen hebben, die niet tot het volk Gods behoren, eindelijk zal het uitkomen dat zij onverstandigen zijn. Zodanig was de toestand van de heidenwereld, die nu tot Gods volk gemaakt werd, omdat Christus haar de wijsheid Gods werd. Welk een terging het voor de Joden was te zien dat de heidenen in gunst werden aangenomen, zien wij in Handelingen 13:45, 17:5, 13, en voornamelijk Handelingen 22:22. Het was een bewijs van de grote godloosheid der Joden dat zij zo woedend werden, en hier in Deuteronomium wordt de inhoud der bedreiging genoemd. God maakt dikwijls de zonden van Zijn kinderen hun straf. Niemand heeft groter straf nodig dan overgelaten te worden aan het onbeteugelde woeden van zijn eigen lusten.
Ten tweede. De andere tekst is genomen uit Jesaja 65:1, 2, die zeer duidelijk is, en Jesaja is in die woorden zeer stout, -waarlijk stout om zo duidelijk te spreken over de verwerping van zijn landgenoten. Zij, die wensen getrouw bevonden te worden, moeten zich zeer verstouten. Zij, die besloten hebben God te zullen behagen, mogen er niet tegen opzien enigen mens te mishagen. Welnu, Jesaja spreekt stout en duidelijk. a. Over de voorkomende genade en gunst van God in de aanneming en bevestiging van de heidenen, vers 20. Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten. De voorgeschreven handelwijze is: Zoek en vind. Dat is een regel voor ons, maar het is geen regel voor God, die dikwijls gevonden wordt van degenen die Hem niet zochten. Zijn genade is Zijn eigendom, onderscheidende genade is Zijn eigendom, en Hij deelt die uit in onbeperkte vrijmacht, geeft of weerhoudt die naar Zijn welbehagen, en voorkomt ons met de zegeningen, de rijkste keur van zegeningen, van Zijne goedertierenheid. Zo maakte Hij zich aan de heidenen bekend, door het licht des Evangelies onder hen te zenden, terwijl zij er zo ver van verwijderd waren Hem te zoeken en naar Hem te vragen, dat zij leugen en ijdelheid navolgden en de afgoden dienden. Was dit ook niet ons eigen geval? Begon God niet met ons lief te hebben en Zich aan ons bekend te maken, toen wij niet naar Hem vraagden? En was dat niet inderdaad de tijd der minne, dien wij ons steeds met grote dankbaarheid behoren te herinneren?
b. Van de hardnekkigheid en den tegenstand van Israël, niettegenstaande de edelmoedige aanbiedingen en toegenegen uitnodigingen, die zij ontvingen, vers 21. Merk op:
a. Gods grote goedertierenheid jegens hen.
Den gehelen dag heb Ik Mijne handen uitgestrekt. Zijne aanbiedingen. Ik heb Mijne handen uitgestrekt, hun met den grootst-mogelijken ernst en oprechtheid leven en zaligheid aanbiedende, met alle denkbare uitdrukkingen van welgemeendheid en ernst hun de aangeboden gelukzaligheid aanwijzende, die hun voorstellende met de meeste duidelijkheid, en de zaak voortdurend met hen besprekende. De hand uitstrekken is de beweging van iemand die gehoor verlangt, Handelingen 26:1, of begeert aangenomen te worden, Spreuken 1:24. Christus werd gekruisigd met uitgestrekte handen. De handen uitgestrekt in de aanbieding van verzoening, komt laat ons elkaar de hand drukken en vrienden zijn, en onze plicht is het Hem de hand te geven, 2 Kronieken 30:8.
Zijn geduld bij deze aanbieding. Den gansen dag. Het geduld van God met weerspannige zondaren is bewonderenswaardig. Hij wacht hen om genadig te zijn. De tijd van Gods geduld wordt hier een dag genoemd, die tijd is verlicht als de dag, en geschikt voor werk en arbeid, maar beperkt als de dag en hij eindigt in een nacht. Hij duurt lang, maar zal niet eindeloos voortduren.
b. Hun grote slechtheid tegenover Hem. Zij waren een ongehoorzaam, tegensprekend volk. Een woord in het Hebreeuws, bij Jesaja, wordt hier uitgewerkt tot twee woorden, niet alleen waren zij ongehoorzaam aan de roeping en bogen zich er niet voor, maar zij waren tegensprekend en twistten er tegen, hetgeen veel erger is. Menigeen, die een goed voorstel niet wil aannemen, zal toch erkennen dat hij er niets tegen weet in te brengen, maar de Joden, die niet geloofden, lieten het daar niet bij, doch wederstonden en lasterden. Gods geduld met hen is een grote verzwaring van hun ongehoorzaamheid en maakt die bij uitnemendheid zondig, evenals hun ongehoorzaamheid de eer van Gods geduld vergrootte en dat bij uitnemendheid genadig deed worden. Het is een wonder van Gods barmhartigheid dat Zijne goedertierenheid niet wordt overtroffen door de slechtheid der mensen, en het is een wonder van de slechtheid der mensen, wanneer die niet overtroffen wordt door Gods goedertierenheid.