11. De deuren nu van de zijkameren waren naar het ledig gelatene toe, kwamen op de vrije plaats (
Vers 9) uit, de ene deur den weg naar het noorden, en de andere deur naar het zuiden; en de breedte van de ledig gelatene plaats was vijf ellen rondom henen.
De dikte des muurs van het tempelgebouw wordt in Vers 5 op 6 ellen aangegeven (2 ml. 6 = 12), de breedte van het zijgebouw, dat het tempelgebouw omgaf, 4 ellen (2 ml. 4 = 8); rekenen wij daarbij de breedte van de binnenste ruimte, welke volgens Vers 2 eveneens 20 ellen bedroeg, zo krijgen wij 40 ellen. Hierbij komen de 5 ellen dikte van den muur in Vers 9 (2 ml. 5 = 10), en de vijf ellen breedte van de vrije plaats (2 ml. 5 = 10), bovendien de 20 ellen breedte van de in Vers 10 genoemde ruimte (2 ml. 20 = 40), zodat wij hier 60 ellen verkrijgen. Er is dus ene gehele breedte van 40, 60 = 100 ellen, hetgeen geheel met de opgaaf in Vers 14 en die in Hoofdst 40:47 overeenkomt. De lengte was het volgende: 40 ellen het heilige en 20 ellen het allerheilige (Vers 2, 4), de westmuur 6 ellen, de zijvertrekken naar het westen 4 ellen en haar muur 5 ellen (Vers 5, 9) de vrijplaats in het westen 5 ellen (Vers 10), en de ruimte tot aan de Gisra (Vers 12), 20 ellen; dus 40, 20, 6 en 4, 5 en 5, 20 = 100 ellen hetgeen met de opgaaf in Vers 13 overeenstemt. Buiten beschouwing is gebleven, afgezien van het voorportaal (Hoofdstuk 40:48 v.) en de dikte van den muur, die het heilige van het allerheilige scheidde (vers 3), de voorste of oostelijke, zeker 6 ellen dikke muur van het heilige. Wij zien daaruit, dat wij hier niet te doen hebben met een aards, stenen gebouw, maar met een zichtbaar afbeeldsel van geestelijke waarheden, en dan komt het vooral op de heilige getallensymboliek aan, over welke wij ons later nader zullen uitspreken.