Psalm 22:12-22
In deze verzen hebben wij het lijden van Christus, en zien wij Christus bidden, hetgeen ons er toe leidt om kruisen te verwachten en om onder die kruisen op te zien tot God.
I. Hier is Christus lijden. David is voorzeker in benauwdheid en ellende geweest en omringd door vijanden, maar velen van de bijzonderheden, die hier genoemd zijn, zijn nooit waar geweest van David en moeten dus toegepast worden op Christus in de diepte van Zijn lijden en van Zijn vernedering.
1. Hij wordt hier verlaten door Zijn vrienden, benauwdheid en leed zijn nabij, en er is geen helper, niemand om Hem te ondersteunen vers 12. Hij heeft de wijnpers alleen getreden, want al Zijn discipelen hebben Hem verlaten en zijn gevlucht. Het is Gods eer om te helpen als alle andere hulp faalt.
2. Hij wordt hier omsingeld en beledigd door Zijn vijanden, de zodanigen, die van een hogere rang waren en vanwege hun kracht en woede vergeleken worden bij varren, sterke stieren van Basan, vers 13, vet en doorvoed, trots en gemelijk. Zo waren de overpriesters en ouderlingen, die Christus hebben vervolgd, en anderen, van mindere rang, die vergeleken worden bij honden, vers 17, vuil en gulzig, en onvermoeid in hun poging om Hem terneer te werpen. Er is een vergadering van boosdoeners, die tegen Hem samenspannen, vers 17, want de overpriesters waren in raadsvergadering bijeen om te beraadslagen over de middelen om Christus te grijpen. Deze vijanden waren talrijk en eenstemmig, velen, en die onder elkaar tegenstrijdige belangen hebben, zoals Herodes en Pilatus, zijn overeengekomen om Mij te omsingelen. Zij hebben hun komplot ver doorgevoerd, en schijnen hun doel bereikt te hebben want zij hebben Mij omringd, vers 13. Zij hebben Mij omsingeld, vers 17. Zij zijn geducht en dreigend, vers 14 :Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, om Mij te tonen, dat zij Mij zouden willen verslinden, en dat wel met even veel kracht en woestheid als waarmee een brullende uitgehongerde leeuw op zijn prooi toespringt.
3. Wij zien Hem hier gekruisigd, zelfs de manier van Zijn dood wordt beschreven, ofschoon die wijze van terdoodbrenging onder de Joden niet gebruikelijk was. Zij hebben mijn handen en voeten doorboord, vers 17, die aan het vloekhout genageld waren en waaraan het gehele lichaam hing, dat wel de heftigste pijn, de grootste foltering teweeg moest brengen. Er is geen enkele passage in geheel de Schrift die zo verdorven werd door de Joden als deze omdat zij zo'n krachtige, duidelijke voorzegging is van de dood van Christus en zo nauwkeurig vervuld is geworden.
4. Wij zien Hem hier stervende, vers 15,16. Stervende in pijn en doodsbenauwdheid, omdat Hij verzoening moest doen voor de zonde, die pijn en smart in de wereld gebracht heeft en om welke wij anders eeuwige pijn en doodsbenauwdheid hadden moeten lijden. Hier is:
a. De sloping van geheel Zijn lichaamsgestel. Ik ben uitgestort als water, zwak als water, Hij gaf zich over aan de macht des doods, ontledigde zich van al de steunselen van Zijn menselijke natuur.
b. De ontwrichting van Zijn beenderen. Er werd zorggedragen, dat geen enkel ervan gebroken werd, Johannes 19:36, maar door de geweldige uitrekking van Zijn lichaam aan het kruis waren zij alle als het ware uit het gelid gerukt. Of het kan ook de vrees aanduiden, die zich in Zijn doodsbenauwdheid van Hem meester maakte, in de hof, toen Hij begon zeer verbaasd en beangst te worden, waarvan de uitwerking was, zoals dit soms bij grote vrees gezien wordt, Daniël 5:6, dat "de handen van Zijn lenden los werden en zijn knieën tegen elkaar aanstoten." Zijn beenderen werden ontwricht, opdat Hij de gehele schepping weer in haar voegen zou kunnen zetten, die door de zonde uit haar voegen was gerukt, en onze beenderen, die verbrijzeld waren, zich zouden kunnen verheugen.
c. Zijn wegsmelting, Mijn hart is als was, gesmolten om de indrukken te ontvangen van Gods toorn tegen de zonde, waarvoor Hij de genoegdoening op zich genomen heeft, wegsmeltende als de levensgeesten van een stervende, gelijk dit verzoening deed voor de hardheid van ons hart zo is de gedachte daaraan een middel om het te verzachten. Als Job spreekt van zijn inwendige ellende, zegt hij: "God heeft mijn hart week gemaakt," Job 23:16. Zie ook Psalm 68:3.
d. Het bezwijken van Zijn natuurlijke kracht: Mijn kracht is verdroogd, zodat Hij breekbaar werd als een potscherf, de oorspronkelijke vochten verteerd zijnde door het vuur van de Goddelijke toorn, dat brandde op Zijn gemoed. Wie kan dan bestaan voor Gods toorn? Of wie kent er de sterkte van? Indien dit aan het groene hout gedaan werd wat zal aan het dorre geschieden?
e. De kleverigheid van Zijn mond, een gewoon teken dat de dood nadert. "Mijn tong kleeft aan man gehemelte." Dit werd vervuld beide in Zijn dorst aan het kruis, Johannes 19:28, en in Zijn stilzwijgen onder Zijn lijden, want, gelijk een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders alzo deed Hij Zijn mond niet open, maakte Hij geen tegenwerpingen tegen iets, dat Hem gedaan werd. "Gij legt mij in het stof des doods." Ik ben gereed om in het graf te worden gelegd, want door niets minder kon aan de Goddelijke gerechtigheid worden voldaan. Het leven van de zondaar was verbeurd en daarom moet het leven van het offer er het rantsoen van wezen. Het doodvonnis, uitgesproken over Adam, was aldus uitgedrukt: Tot stof zult gij weerkeren. En daarom heeft Christus met het oog op dat vonnis in Zijn gehoorzaamheid tot aan de dood hier eenzelfde uitdrukking gebruikt. Gij legt Mij in het stof des doods.
5. Hij werd van Zijn klederen beroofd. Het schaamtegevoel van de naaktheid was het onmiddellijk gevolg van de zonde, en daarom werd onze Heere Jezus van Zijn kledderen ontdaan toen Hij gekruisigd werd, opdat Hij ons zou bekleden met het kleed van Zijn gerechtigheid en de schande oneer naaktheid niet gezien zou worden. Nu wordt ons hier gezegd:
a. Hoe Zijn lichaam er uit zag, toen het aldus naakt was uitgetogen, Al mijne beenderen zou ik kunnen tellen, vers 18. Zijn gezegend lichaam was vermagerd door arbeid, smart en vasten gedurende al de tijd van Zijn openbaar dienstwerk, zodat Hij er uitzag alsof Hij vijftig jaren oud was toen Hij pas drie en dertig was, zoals we bevinden in Johannes 8:57. Zijn rimpels getuigden nu voor Hem, dat Hij verre was van te zijn, wat Hij genoemd was: een vraat en wijnzuiper. Of, Zijn beenderen zouden geteld kunnen worden, omdat Zijn lichaam uitgerekt was aan het kruis, waardoor het gemakkelijk werd om Zijn ribben te tellen. Zij zien op mij, zij, namelijk Mijne beenderen, zien op mij, omdat zij door geen vlees bedekt zijn, zoals Job zegt: "Mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht," Job 16:8. Of wel: "de omstanders, de voorbijgangers, zijn verbaasd om Mijn beenderen aldus te zien uitsteken, en inplaats van medelijden met Mij te hebben, scheppen zij behagen in dit droevige gezicht." b. Wat zij deden met Zijn klederen, die zij Hem afgenomen hebben, vers 19." Zij verdelen mijn kleren onder zich," aan ieder krijgsknecht een deel, "en werpen het lot over mijn gewaad," de rok zonder naad. Deze bijzonderheid werd nauwkeurig vervuld, Johannes 19:23, 24. Dit was wel geen groot voorbeeld van Christus' lijden, maar wel een groot voorbeeld van de vervulling van de Schrift in Hem. Aldus was het geschreven, en daarom betaamde het Christus aldus te lijden. Laat dit dan ons geloof bevestigen in Hem als de waren Messias, en onze liefde voor Hem doen ontvlammen als de beste vriend, die ons heeft liefgehad en aldus voor ons geleden heeft.
II. Hier is Christus biddende, en daarmee zich ondersteunende onder de last van Zijn lijden. Christus heeft in Zijn doodsbenauwdheid gebeden, varia gebeden, gebeden dat de drinkbeker van Hem voorbij mocht gaan, toen de overste van deze wereld Hem aanviel met zijn verschrikkingen als een brullende leeuw zijn mond tegen hem opensperde, viel Hij ter aarde en bad. En daarvan was Davids bidden hier een type. Hij noemt God Mijn sterkte, vers 20. Als wij ons niet kunnen verblijden in God als ons lied, zo laat ons op Hem steunen als onze sterkte, en de vertroostingen aannemen van geestelijke steun als wij niet tot geestelijke verlustiging kunnen komen. Hij bidt:
1. Dat God met Hem zal wezen, zich niet op een afstand zal houden: Wees niet verre van! mij, vers 12, en wederom: "wie ook op een afstand moge blijven van mijn leed, Heere, wees Gij niet verre van mij," vers 20. Het nabij zijn van leed en verdriet moet ons opwekken om tot God te naderen, en dan kunnen wij hopen dat Hij naderen zal tot ons.
2. Dat Hij Hem wilde helpen, zich zou haasten tot Zijn hulp, Hem zou helpen om staande te blijven onder Zijn leed, opdat Hij niet zou falen noch ontmoedigd zou zijn, niet zou terugdeinzen voor Zijn onderneming, er niet onder zou bezwijken. En de Vader heeft Hem verhoord in hetgeen Hij vreesde, Hebreeën 5:7, en Hem bekwaam gemaakt om met Zijn werk voort te gaan.
3. Dat Hij Hem redden en verlossen zou, vers 21, 22..
a. Merk op wat het juweel is waarover hij in zorg is, "Laat Mijn ziel, Mijn lieveling, Mijn dierbaarste schat, verlost worden van de macht van het graf, Psalm 49:16. Vader, in Uwe handen beveel Ik haar om overgebracht te worden naar het paradijs." De psalmist noemt hier zijn ziel zijn lieveling, of zijn enige, zoals de betekenis van het oorspronkelijke woord is. Mijne ziel is mijn enige, Ik heb slechts een ziel om voor te zorgen, zoveel groter zou dus mijn schande zijn, indien ik haar veronachtzaamde, en zoveel groter zal het verlies zijn indien ik haar verloren liet gaan. Daar zij mijn enige is, behoort zij mijn lieveling, mijn schat te zijn, om wier eeuwig welzijn ik grotelijks bekommerd moet wezen. Ik behandel mijn ziel niet als mijn lieveling, tenzij ik zorg draag om haar te behoeden voor alles wat haar kan schaden, en haar te voorzien van alles wat zij nodig heeft.
b. Merk op wat het gevaar is, waarvan Hij bidt gered te worden: van het zwaard, het vlammig zwaard van de Goddelijke toorn, dat zich naar alle zijden keert. Dit vreesde hij meer dan wat het ook is, Genesis 3:24. Gods toorn was de gal en alsem in de bittere beker, die in Zijn handen was gegeven, "O red Mijn ziel daarvan, Heere, hoewel Ik het leven verlies, laat Mij Uw liefde niet verliezen, verlos Mij van het geweld van de hond en uit de muil van de leeuwen!." Dit schijnt bedoeld te zijn van Satan, de oude vijand, die de verzenen vermorzelde van het zaad van de vrouw, de overste van deze wereld, met wie Hij thans de strijd ging aanbinden, en die Hij zag komen, Johannes 14:30. Heere, behoed Mij van overweldigd te worden door zijn verschrikkingen." Hij pleit: (Gij hebt Mij tevoren verhoord van de horens van de woudossen", vers 22,) dat is: "Mij van hem verlost in antwoord op Mijn gebed." Dit kan verwijzen naar de overwinning, die Christus had behaald over Satan en zijn verzoekingen, Mattheus 4, toen de duivel voor een tijd van Hem week, Lukas 4:13, maar nu terugkeerde om Hem op andere wijze aan te vallen met zijn verschrikkingen "Heere, Gij hebt Mij toen de overwinning gegeven, geef haar Mij ook nu, opdat ik de overste van deze wereld kan uitwerpen." Heeft God ons verlost van de horens van de woudossen opdat wij niet gestoten zouden worden? Laat dit ons aanmoedigen, om te hopen, dat wij uit de muil van de leeuwen verlost zullen worden, opdat wij niet verscheurd worden. Hij, die verlost heeft, verlost nog en zal verlossen. Dit gebed van Christus is ongetwijfeld verhoord geworden want de Vader heeft Hem altijd gehoord. En hoewel Hij Hem niet heeft verlost van de dood, heeft Hij toch niet toegelaten dat Hij de verderving zou zien, maar ten derden dage heeft Hij Hem opgewekt uit het stof des doods, hetgeen een groter blijk was van Gods gunst jegens Hem, dan indien Hij Hem van het kruis af had geholpen, want dat zou Zijn onderneming in de weg hebben gestaan, terwijl Zijn opstanding haar heeft gekroond.
Bij het zingen hiervan moeten wij denken aan het lijden en de opstanding van Christus, totdat wij in onze ziel de kracht ervaren van Zijn opstanding, en de gemeenschap met Zijn lijden.