Johannes 11:17-32
De zaak nu beslist zijnde, dat Christus naar Judea zal gaan en dat Zijne discipelen Hem zullen vergezellen, begeven zij zich op reis. Op die reize hebben enige omstandigheden plaatsgehad, die door de andere evangelisten zijn meegedeeld, zoals de genezing van den blinde te Jericho, en de bekering van Zacheus. Wij moeten niet denken, dat wij buiten onzen weg zijn, zolang wij in den weg zijn van goed te doen, en ook niet zo vervuld zijn van het ene goede werk, dat wij er een ander om nalaten. Eindelijk nadert Hij Bethanië, dat gezegd wordt op een afstand van ongeveer vijftien stadiën van Jeruzalem te zijn gelegen, dat is veertig minuten, vers 18. Dit wordt vermeld om er op te wijzen, dat het wonder feitelijk te Jeruzalem heeft plaatsgehad, en aldus op rekening van hare inwoners gesteld zal worden. Christus' wonderen in Galilea waren talrijker, maar die in of nabij Jeruzalem geschied zijn, waren heerlijker, indrukwekkender, dáár heeft Hij iemand genezen, die acht en dertig jaren ziek was geweest, een ander, die blindgeboren was, en iemand van de doden opgewekt, die reeds vier dagen in het graf had gelegen. Zo kwam Christus dan te Bethanië. Merk nu op:
I. Den toestand, waarin Hij Zijne vrienden aldaar vond. Toen Hij het laatst bij hen was geweest, waren zij waarschijnlijk nog gezond en wel, maar als wij van onze vrienden scheiden, dan weten wij niet (hoewel Christus het wèl wist) welke veranderingen er in hen of ons zullen plaatshebben, eer wij elkaar wederom ontmoeten.
1. Hij vond Zijn vriend Lazarus in het graf, vers 17. Toen Hij het vlek naderde, waarschijnlijk bij de begraafplaats, die er toe behoorde, werd Hem door naburen, of vrienden, die Hij ontmoette, gezegd dat Lazarus reeds voor vier dagen begraven was, Sommigen denken, dat Lazarus gestorven is op dezelfden dag, dat de bode met het bericht zijner ziekte tot Jezus was gekomen, en zo rekenen zij dan twee dagen voor Zijn verblijven in dezelfde plaats, en twee dagen voor Zijne terugreis. Ik denk eerder dat Lazarus stierf op het ogenblik toen Jezus zei: "Onze vriend slaapt, hij is ontslapen", en dat de tijd tussen zijn dood en zijne begrafenis (die onder de Joden slechts kort was) met de vier dagen, die hij in het graf had gelegen, op die reis was doorgebracht, want Christus reisde openlijk, gelijk blijkt uit Zijn doorgaan door Jericho, en Zijn verblijf in het huis van Zacheus nam ook enigen tijd in beslag. Beloofde uitreddingen komen zeker, hoewel zij soms zeer langzaam komen.
2. Zijn nog in leven zijnde vrienden vond Hij in droefheid. Martha en Maria waren schier verteerd van smart om den dood van haren broeder, hetgeen aangeduid wordt door het gezegde, dat "velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haren broeder". Waar dood is, zullen gewoonlijk ook treurenden zijn, inzonderheid wanneer zij, die aangenaam en vriendelijk waren voor hun betrekkingen, en dienstvaardig en nuttig voor hun geslacht, weggenomen worden. Het huis waarin de dood is, wordt "het klaaghuis" genoemd, Prediker 7:2. Als de mens naar zijn langdurig huis gaat, dan "gaan de rouwdragers om in de straat", Prediker 12:5, of zitten eenzaam neer, en zwijgen stil. Hier was Martha's huis een huis, waarin de vreze Gods heerste, en op hetwelk Zijn zegen rustte, en toch was het nu tot een klaaghuis gemaakt. De genade zal droefheid en ontroering uit het hart houden, Hoofdstuk 14:1, maar niet uit het huis. Waar treurenden zijn, daar behoren ook vertroosters te wezen. Het is een plicht, dien wij aan hen, die in droefheid zijn, verschuldigd zijn om met hen te wenen, en ons treuren met hen zal hun ene vertroosting wezen. Als wij onder den versen indruk zijn der smart, dan vergeten wij allicht de dingen, die ons tot troost zouden verstrekken, en daarom hebben wij behoefte aan hen, die er ons aan herinneren. Het is een zegen om de zodanige te hebben als wij in droefheid zijn en het is onze plicht om het te wezen voor hen, die in droefheid zijn. De Joodse leraren legden hier groten nadruk op, en legden hunnen discipelen de verplichting op om nauwgezet de treurenden te gaan vertroosten na de begrafenis der doden. Zij vertroostten haar over haren broeder, dat is: door van hem tot haar te spreken, niet slechts van den goeden naam, dien hij had achtergelaten, maar ook van den zaligen staat, waarin hij zich nu bevond. Als ons Godvruchtige vrienden of bloedverwanten worden ontnomen, dan kunnen wij, die achtergebleven zijn, wel reden hebben tot treuren om hun gemis, maar wij hebben ook reden om getroost te zijn en ons te verblijden over hen, die ons zijn voorgegaan tot een gelukzaligheid, waar zij ons niet nodig hebben. Dit bezoek van de Joden aan Martha en Maria is een bewijs, dat zij personen van aanzien waren, maar ook daarvan, dat zij zich jegens allen vriendelijk en verplichtend betoonden, zodat, hoewel zij volgelingen van Christus waren, diegenen, welken geen eerbied of achting hadden voor Christus, toch een welwillende beleefdheid hadden voor haar. Er was ook ene leiding van Gods voorzienigheid in te bespeuren, dat zoveel Joden, Joodse aanzienlijke vrouwen waarschijnlijk, juist toen waren gekomen om de treurenden te troosten, opdat zij onverwachte, onwraakbare getuigen zouden zijn van het wonder, en zien zouden welke armzalige vertroosters zij waren in vergelijking met Christus. Christus had niet de gewoonte getuigen bijeen te roepen voor Zijne wonderen, en toch, indien daar niemand anders dan bloedverwanten bij tegenwoordig waren geweest, dan zou men er dit als een bezwaar tegen aangevoerd hebben. Daarom heeft Gods raad het zo verordineerd, dat dezen als het ware toevallig bijeen zouden komen om er getuigenis van af te leggen, teneinde aan het ongeloof de mond worde gestopt.
II. Wat er tussen Hem en Zijn nog levende vrienden toen voorviel. Als Christus Zijn bezoek voor ene wijle uitstelt, dan is het daardoor des te aangenamer als Hij komt, en zo is het ook hier. Zijn vertrek maakt Zijn terugkeer lieflijk, en Zijne afwezigheid leert ons Zijne tegenwoordigheid op prijs te stellen. Wij hebben hier:
1. Het samentreffen van Christus met Martha.
a. Er wordt ons gezegd, dat zij Hem tegemoet ging, vers 20. Het schijnt dat Martha Christus' komst ernstig en vurig hoopte, en dat zij er navraag naar deed. Zij had of boden uitgezonden, om haar Zijne nadering te melden, of zij had dikwijls gevraagd: "Hebt gij Hem gezien, dien mijne ziel liefheeft?" zodat de eerste, die Hem zag naderen, zich met de welkome tijding tot haar spoedde. Hoe dit zij zij vernam Zijne komst voor Hij nog was aangekomen. Zij had lang gewacht, en dikwijls gevraagd: "Is Hij gekomen?" zonder tijdingen van Hem te horen: maar de lang-verwachte kwam eindelijk. "Hij zal het gezicht op het einde voortbrengen, en niet liegen." Toen aan Martha de blijde tijding gebracht werd, dat Jezus kwam, stond zij op en ging Hem tegemoet, ten teken van een liefdevol welkom. Alle plichtplegingen tegenover de Joden liet zij daar, en haastte zich om Jezus te ontmoeten. Als God in Zijne genade of voorzienigheid tot ons komt in den weg van zegen en vertroosting, dan moeten wij uitgaan in geloof, hoop en gebed om Hem te ontmoeten. Sommigen opperen de mening, dat Martha buiten het vlek ging om Jezus te ontmoeten, ten einde Hem mede te delen, dat er verscheiden Joden in het huis waren, die Hem niet vriendelijk waren gezind, opdat Hij, zo Hem dit behaagde, hun uit den weg kon blijven. Toen Martha uitging om Jezus te ontmoeten, "bleef Maria in huis zitten." Sommigen denken, dat zij het bericht Zijner komst niet had gehoord, daar zij in het vertrek was, waar zij haar bezoek van rouwbeklag ontving, terwijl Martha, die zich met huiselijke aangelegenheden had beziggehouden, er het eerst de tijding van had ontvangen. Misschien heeft Martha de komst van Christus niet aan hare zuster willen zeggen, wijl zij naar de ere stond om Hem het eerst te ontvangen. "Een heilige wijsheid voert ons tot Christus, terwijl ouders en broeders niet weten wat wij doen," (Maldon. in locum.) Anderen denken dat zij wèl hoorde, dat Christus aankwam, maar zo overstelpt was van smart, dat zij zich niet instaat gevoelde om op te staan, zich liever aan hare droefheid wilde overgeven, zeggende: mijne droefheid is billijk. Deze geschiedenis vergelijkende met die in Lukas 10:38, enz. kunnen wij het verschil van karakter tussen deze twee zusters opmerken, met de verzoekingen en de voorrechten, die er voor beiden uit voortvloeiden. Martha's natuurlijke geaardheid was werkzaam en bedrijvig, zij was gaarne hier en daar en bij alles wat er voorviel, en dat zou een strik voor haar geweest zijn, indien zij niet alleen zich om vele dingen ontrust en bekommerd had, maar er zich ook door had laten afhouden van gebed en van de oefening der Godsvrucht. Maar nu heeft haar bedrijvige aard haar in dezen dag der beproeving geholpen, het verdriet uit haar hart gehouden, haar tot ijver aangespoord om Christus te ontmoeten, en zo heeft zij des te eerder Zijne vertroosting ontvangen. Van den anderen kant: Maria's aard was nadenkend en bescheiden. Dit is vroeger een voordeel voor haar geweest, toen het haar aan Christus' voeten plaatste om Zijn woord te horen, en haar in staat stelde om acht op Hem te geven zonder gestoord te worden door al die zorgen, waardoor Martha afgeleid werd. In den dag der beproeving was die nadenkende, in zich zelve gekeerde geaardheid een strik voor haar, maakte zij haar minder bekwaam om tegen haar verdriet te strijden, en stemde zij haar tot droefgeestigheid, "doch Maria bleef in huis zitten." Zie hieraan hoe wijs wij zullen handelen, als wij zorgvuldig waken en op onze hoede zijn tegen de verzoekingen, terwijl wij de voordelige eigenschappen van ons natuurlijk karakter ten goede trachten aan te wenden.
b. Het gesprek tussen Christus en Martha wordt hier volledig meegedeeld. Martha's toespraak tot Christus, vers 21, 22.
Ten eerste. Zij klaagt over Christus' langdurige afwezigheid en Zijn uitstel om tot hen te komen. Zij zei het, niet alleen met smart om den dood haars broeders, maar ook met enige gevoeligheid wegens de schijnbare onvriendelijkheid van den Meester: "Heere! waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven." Hier is:
1. Enig blijk van geloof. Zij geloofde in Christus' macht, dat, hoewel de ziekte haars broeders zo zwaar en gevaarlijk was, Hij haar toch had kunnen genezen, en alzo zijn dood had kunnen voorkomen. Zij geloofde aan Zijn medelijden, dat Hij, indien Hij Lazarus in zijn zware ziekte had gezien, terwijl zijn geliefde bloedverwanten in tranen om hem heen stonden, mededogen met hen gehad zou hebben, en de droeve scheiding had voorkomen, want Zijne barmhartigheden hebben geen einde. Maar:
2. Hier is ook een treurig voorbeeld van ongeloof. Haar geloof was oprecht, maar zwak als een gekrookt riet, want zij beperkt de macht van Christus, zeggende: Waart Gij hier geweest, terwijl zij had behoren te weten, dat Christus ook op een afstand kon genezen, en dat de werkingen Zijner genade niet beperkt waren tot Zijn lichamelijke tegenwoordigheid. Zij heeft ook aan te. merken op de wijsheid en vriendelijkheid van Christus, dat Hij zich niet tot hen had gespoed toen zij om Hem zonden, alsof Hij den tijd niet goed gekozen of geregeld had voor Zijn werk, en nu ook even goed had kunnen wegblijven, dat het even goed ware geweest in het geheel niet te komen als te laat te komen. En wat nu betreft hulp voor het ogenblik, zij kon nauwelijks denken, dat Hij die nog verlenen kon. Ten tweede. Maar zij komt weldra tot betere gedachten, en vertroost zich met Christus' overmogenden invloed in den hemel: tenminste: zij bestraft zich voor hare bestraffing van den Meester en voor het denkbeeld, dat zij oppert, dat Hij te laat is gekomen: Maar ook nu, hoe wanhopig de zaak ook is, ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God het U geven zal. Merk op:
1. Hoe bereidwillig hare hoop was. Hoewel zij den moed niet had om Jezus te vragen, dat Hij hem zou opwekken, daar er totnutoe nog geen voorbeeld van was dat iemand, die zo lang reeds dood was, tot het leven terug werd geroepen, beveelt zij toch, als een nederige, bescheiden smekelinge, de zaak aan de wijze en ontfermende overweging van den Heere Jezus. Als wij niet weten wat in het bijzonder te vragen of te verwachten, behoren wij ons in het algemeen aan God over te geven, Hij doe wat goed is in Zijne ogen. Als wij niet weten, waar wij om zullen bidden, dan is het onze troost, dat de grote Voorspraak weet wat Hij voor ons vragen zal, en dat Hij altijd wordt verhoord.
2. Hoe zwak haar geloof was. "Heere", had zij behoren te zeggen, "Gij kunt doen wat U behaagt", maar zij zegt slechts: "Gij kunt verkrijgen alles waar Gij om bidt". Zij had vergeten, dat de Zoon leven heeft in zich zelven, dat Hij in Zijn eigen kracht wonderen werkte. Toch hebben wij die beide overwegingen nodig ter bemoediging van onze hoop en ter versterking van ons geloof, namelijk de heerschappij van Christus op aarde, en Zijne voorbede voor ons in den hemel. In Zijn ene hand houdt Hij den gouden scepter, en in de andere het gouden wierookvat. Zijne macht heeft altijd de overhand, Zijne voorbede is altijd overmogend. Christus' woord van troost tot Martha in antwoord op haar aandoenlijke toespraak, vers 23:Jezus zei tot haar: Uw broeder zal weer opstaan. In hare klacht heeft Martha teruggezien, het betreurende dat Christus daar niet geweest was, want, denkt zij, dan zou mijn broeder nu in leven zijn. In zulke gevallen vermeerderen wij allicht ons verdriet door ons voor te stellen, wat zou hebben kunnen zijn. Indien zulk een handelwijze gevolgd ware, zulk een doctor geraadpleegd ware geworden, mijn vriend zou niet gestorven zijn, hetgeen meer is dan wij weten, maar in elk geval: waar dient het voor, welk goed kan dit doen? Als Gods wil geschiedt, dan hebben wij er ons aan te onderwerpen. Christus beveelt Martha-en ons in haar-voorwaarts te zien, te denken aan hetgeen zijn zal, want dat is ene zekerheid, en biedt ons wezenlijke vertroosting: Uw broeder zal weer opstaan. Ten eerste. Dat was waar voor Lazarus in bijzonderen zin: hij zal nu terstond opgewekt worden, maar Christus spreekt er van in het algemeen als iets dat geschieden zal, niet dat Hij zelf het zal doen, op zo nederige wijze sprak onze Heere Jezus van hetgeen Hij deed. Hij drukt zich op dubbelzinnige wijze uit, haar in het eerst in het onzekere latende, of Hij hem nu terstond zou opwekken, of slechts ten laatsten dage, teneinde alzo haar geloof en haar geduld op de proef te stellen. Ten tweede. Het is van toepassing op alle heiligen, en hun opstanding ten laatsten dage. Als wij onze Godvruchtige vrienden of bloedverwanten hebben begraven, dan is de gedachte ons ter vertroosting, dat zij weer zullen opstaan. Gelijk bij den dood de ziel niet is verloren, maar ons is voorgegaan, zo is ook het lichaam niet verloren, het wordt slechts weggelegd, bewaard. Denk, dat gij Christus hoort zeggen: "uw vader, uwe moeder, uw kind, uw medearbeider, zal weer opstaan, deze dorre beenderen zullen leven." Zie nu: Het geloof, dat Martha met dat woord heeft gemengd, en het ongeloof gemengd met dat geloof, vers 24.
Ten eerste. Zij acht het een getrouw woord, dat hij opstaan zal ten laatsten dage. Hoewel de leer der opstanding haar volledig bewijs eerst zal erlangen door de opstanding van Christus, heeft zij, daar die leer toch reeds was geopenbaard, er vastelijk in geloofd, Handelingen 24:15. 1. Dat er een laatste dag zal zijn, waarmee al de dagen des tijds geteld en voleindigd zullen zijn.
2. Dat er op dien dag een algemene opstanding zijn zal, wanneer de aarde en de zee hare doden zullen wedergeven.
3. Dat er een bijzondere opstanding zijn zal van een iegelijk: "Ik weet, dat ik weer op zal staan, en deze en die van mijne vrienden of betrekkingen, die mij dierbaar geweest zijn." Gelijk te dien dage elk been tot zijn been zal naderen, zo ook de vriend tot zijn vriend.
Ten tweede. Toch vindt zij dat woord niet zo alle aanneming waardig als het werkelijk was: "Ik weet, dat hij opstaan zal ten laatsten dage, maar wat helpt ons dat nu, in dit ogenblik?, Alsof de vertroosting der opstanding ten eeuwigen leven niet der moeite waard was om van te spreken, of niet opwoog tegen hare smart. Zie onze zwakheid en dwaasheid, dat wij de tegenwoordige, zichtbare dingen een dieper indruk op ons laten hebben, zowel ten opzichte van smart als van vreugde, dan de dingen, die voorwerpen zijn van ons geloof.
Ik weet, dat hij opstaan zal ten laatsten dage. en is dat dan niet genoeg? Zij schijnt te denken, dat het niet genoeg is. Zo onderschatten wij door onze ontevredenheid onder een tegenwoordig kruis, onze hoop, onze verwachtingen van de toekomst, achten ze gering, alsof zij het aanzien niet waard waren. De verdere onderrichting en bemoediging, die Jezus Christus haar gaf, want Hij zal de rokende vlaswiek niet uitblussen en het gekrookte riet niet verbreken. Hij zei tot haar: Ik ben de opstanding en het leven, vers 25, 26. Twee dingen geeft Christus haar te geloven met betrekking tot haar tegenwoordig leed, en dat zijn de dingen, die ook wij in het geloof moeten vasthouden, als wij ons in gelijken toestand bevinden.
Ten eerste. De macht van Christus, Zijn soevereine macht: Ik ben de Opstanding en het Leven, de Fontein van leven, het Hoofd en de Werker der opstanding. Martha geloofde, dat God op Zijn gebed alles geven zou, maar Hij wilde haar doen weten, dat Hij door Zijn woord alles kon werken. Martha geloofde in ene opstanding ten laatsten dage, Christus zegt haar, dat die macht Hem in handen is gegeven, dat de doden Zijne stem zullen horen, Hoofdstuk 5:25, waaruit gemakkelijk viel af te leiden, dat Hij, die ene wereld van mensen kon opwekken, die vele eeuwen dood geweest zijn, ongetwijfeld ook een enkel man kon opwekken, die slechts vier dagen dood was. Het is voor alle goede Christenen een onuitsprekelijke vertroosting, dat Jezus Christus de Opstanding is en het Leven, en dit voor hen zijn zal. De opstanding is een terugkeer tot het leven, Christus is de Werker van dien terugkeer en van dat leven, tot hetwelk wij terugkeren. Wij verwachten de opstanding der doden en het leven in de toekomende wereld, en Christus is die beiden, de Werker en het Beginsel van beiden, de grond van onze hoop op die beiden.
Ten tweede. De beloften van het nieuwe verbond, die ons verderen grond van hope geven, dat wij zullen leven: Merk op:
A. Aan wie deze beloften gegeven zijn-aan hen, die in Jezus Christus geloven, aan hen, die Jezus Christus als den enigen Middelaar der verzoening en der gemeenschap tussen God en den mens aannemen, en als zodanig op Hem betrouwen, die het getuigenis geloven, dat God in Zijn woord gegeven heeft betreffende Zijn Zoon, er oprechtelijk in berusten, en aan al de grote bedoelingen er van beantwoorden. De voorwaarde, aan die laatste belofte verbonden, is aldus uitgedrukt: "Een iegelijk, die leeft en in Mij gelooft" -hetgeen verstaan kan worden, of:
a. Van het natuurlijke leven: Een iegelijk, die leeft in deze wereld, hij zij Jood of heiden, waar hij ook leeft, zo hij in Christus gelooft, zal hij door Hem leven. Maar het bepaalt den tijd: Een iegelijk, die gedurende het leven, terwijl hij hier in dezen proeftijd is, in Mij gelooft, zal in Mij zalig wezen, maar na den dood zal het te laat zijn. Een iegelijk, die leeft en gelooft, dat is: leeft door het geloof, Galaten 2:20, heeft een geloof, dat invloed uitoefent op zijn wandel. Of:
b. Van het geestelijke leven: Hij, die leeft en gelooft is hij, die door het geloof wedergeboren is tot een hemels en Goddelijk leven, voor wie te leven Christus is -die Christus tot het leven maakt van zijne ziel.
B. Welke die beloften zijn, vers 25. Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven, ja meer, hij zal niet sterven in der eeuwigheid, vers 26. De mens bestaat uit lichaam en ziel, en er is voorzien voor het welvaren, het geluk van die beiden.
a. Voor het lichaam is hier de belofte van een zalige opstanding. Hoewel het lichaam dood is van wege de zonde (het is niet te verhelpen, dat het zal sterven) zal het toch herleven. Al de moeilijkheden, aan den toestand van dood verbonden, worden hier voorbijgezien, als niets geacht. Hoewel het vonnis des doods rechtvaardig was, en de uitwerking van den dood allerdroevigst is, hoewel de banden des doods sterk zijn, hoewel hij dood en begraven, dood en door verrotting aangetast is, hoewel het verstrooide stof zo vermengd is met het gewone stof der aarde, dat geen menselijke kunst het er van kan onderscheiden, en nog veel minder het er van kan afzonderen-stel de zaak van dien kant in zo sterk licht als maar mogelijk is-toch zijn wij er zeker van dat hij zal leven, het lichaam zal als een verheerlijkt lichaam worden opgewekt.
b. Voor de ziel is hier de belofte ener zalige onsterflijkheid. Hij, die leeft en gelooft, die, door het geloof met Christus verenigd zijnde, uit kracht van die vereniging geestelijk leeft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Dat geestelijke leven zal nooit uitgeblust worden, maar vervolledigd worden tot eeuwig leven. Gelijk de ziel, uit haar aard geestelijk zijnde, daarom ook onsterflijk is, zo zal ook, als zij door het geloof in overeenstemming met haren aard een geestelijk leven leidt, hare zaligheid onsterflijk zijn. Zij zal niet sterven in der eeuwigheid, zal nooit anders dan gerust en gelukkig zijn, en er is geen onderbreking van haar leven, geen tussenpoos, zoals in het leven des lichaams. Het sterflijke van het lichaam zal ten laatste verzwolgen worden door het leven, maar het leven der ziel, der gelovige ziel, zal bij den dood onmiddellijk door de onsterflijkheid worden verzwolgen. Hij zal niet sterven-eis ton aioona, in der eeuwigheid. Het lichaam zal niet voor altijd dood in het graf zijn, het sterft slechts voor een tijd, tijden, en een gedeelte eens tijds, en als er geen tijd meer zijn zal en alle verdeling er van geteld en voleindigd zal zijn, dan zal een geest des levens uit God in hetzelve gaan. Maar dit is niet alles, de ziel zal den dood niet sterven, die voor eeuwig is, zij zal niet sterven in der eeuwigheid. Zalig en heilig is hij, die door het geloof deel heeft in de opstanding, deel heeft in Christus, die de opstanding is, want over de zodanige heeft de tweede dood, die de eeuwige dood is, gene macht, zie Hoofdstuk 6:40. Christus vraagt haar: "Gelooft gij dat? Kunt gij dit toestemmen? Kunt gij dat op Mijn woord geloven?" Als wij het woord van Christus betreffende de grote dingen van de andere wereld gelezen of gehoord hebben, dan behoren wij ons ernstig af te vragen: "Geloven wij dat, deze waarheid in het bijzonder, dat hetwelk zo vele bezwaren en moeilijkheden oplevert, dat, hetwelk zo beantwoordt aan mijn toestand, aan hetgeen ik nodig heb? Realiseert mijn geloof het voor mij, geeft het mijner ziel er de verzekering van, zodat ik kan zeggen, dat geloof ik niet alleen, maar aldus geloof ik het?" Martha's vurige begeerte ging er naar uit, dat haar broeder tot het leven in deze wereld teruggeroepen zou worden, maar eer Christus haar hierop hoop gaf, leidde Hij hare gedachten naar een ander leven, een andere wereld.
"Dat doet er niet toe, maar gelooft gij dit, wat Ik u zeg van den toekomenden staat?, De kruisen en de genoegens van den tegenwoordigen tijd zouden niet zulk een indruk op ons maken, als zij maken, indien wij de dingen der eeuwigheid geloofden, zoals wij ze behoren te geloven. Zie Martha's ongeveinsde instemming met hetgeen Christus zei, vers 27. Wij hebben hier Martha's geloofsbelijdenis, de goede belijdenis, die zij betuigde, dezelfde, om welke Petrus geprezen werd, Mattheus 17:16, 17, en zij is het besluit van geheel de zaak.
Ten eerste, hebben wij hier de gids van haar geloof, en dat is het woord van Christus, zonder wijziging of verandering, zonder uitzondering of voorbehoud, neemt zij het zoals Christus het gesproken heeft: Ja Heere, waarmee zij de waarheid onderschrijft van alles en van elk deel van hetgeen Christus had beloofd. Het geloof is een echo der Goddelijke openbaring, het geeft dezelfde woorden weer, en besluit er bij te blijven, er zich aan te houden: Ja, Heere. "Gelijk het woord het gemaakt heeft, zo geloof ik het", zei koningin Elisabeth.
Ten tweede. De grond van haar geloof, en dat is het gezag van Christus, zij gelooft dat, omdat zij gelooft dat Hij, die het zegt, de Christus is. Ter ondersteuning van het gebouw neemt zij de toevlucht tot het fondament. Ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, en daarom geloof ik dat. Merk hier op:
A. Wat zij omtrent Jezus geloofde en beleed, drie dingen:
a. Dat Hij was de Christus, of de Messias, beloofd en verwacht onder dien naam en dat begrip, de Gezalfde.
b. Dat Hij was de Zoon van God, aldus is de Messias genoemd in Psalm 2:7, niet slechts naar Zijn ambt, maar naar Zijne natuur.
c. Dat Hij het was, die in de wereld komen zou. Dien zegen der zegeningen, dien de kerk gedurende zo vele eeuwen als toekomstig had verwacht, nam zij aan als tegenwoordig.
B. Wat zij hieruit afleidde. Indien zij erkent, dat Jezus is de Christus, dan is het ook niet moei-lijk te geloven, dat Hij de Opstanding is en het Leven, want indien Hij de Christus is, dan is Hij:
a. De Fontein van licht en waarheid, en dan kunnen wij al Zijne woorden aannemen als getrouw en Goddelijk, en Hem op Zijn woord geloven. Indien Hij de Christus is, dan is Hij de Profeet, dien wij in alles moeten horen.
b. Hij is de Fontein des levens en des heils, en wij kunnen dus rekenen op Zijne Macht en bekwaamheid, zowel als op Zijne waarheid. Hoe zullen lichamen, in stof verkeerd, wederom leven? Hoe zullen zielen, belemmerd en beneveld, zoals de onze zijn, leven tot in eeuwigheid? Wij zouden dat niet kunnen geloven, indien wij niet geloofden dat Hij, die dit op zich genomen heeft te bewerken, de Zoon van God is, die het leven heeft in zich zelven, en het heeft voor ons. 2. De samenkomst van Christus en Maria, de andere zuster. En hierbij valt op te merken:
a. Dat Martha haar kennis gaf van Christus' komst, vers 28. Dit gezegd hebbende, als iemand, die niets meer behoefde te zeggen, ging zij heen, gerust en tevreden, en riep Maria, hare zuster. Martha, zelf onderricht en vertroosting van Christus ontvangen hebbende, riep hare zuster om hierin te delen. Er was een tijd, toen Martha Maria van Christus afgeleid zou hebben, opdat zij haar zou helpen in het vele dienen, Lukas 10:40, maar om dit nu te vergoeden, is zij hier ijverig om haar tot Christus te brengen. Zij riep haar heimelijk, fluisterde het haar in het oor, omdat er gezelschap was, Joden, die geen vrienden waren van Christus. De heiligen worden tot gemeenschap met Jezus Christus geroepen door een verborgen en onderscheiden uitnodiging, welke hun gegeven wordt, en niet aan anderen, zij hebben ene spijze om te eten, die de wereld niet weet, ene blijdschap, waarmee geen vreemde zich zal vermengen. Zij riep haar op bevel van Christus, Hij gebood haar heen te gaan en hare zuster te roepen. De krachtdadige roeping is, wie haar ook moge brengen, door Christus gezonden.
De Meester is daar en Hij roept u. Ten eerste. Zij noemt Christus den Meester, didaskados, een onderwijzende meester, bij dien titel werd Hij gewoonlijk door de mensen genoemd, en was Hij onder hen bekend. George Herbert vond er genoegen in Christus mijn Meester te noemen. Ten tweede. Zij juicht in Zijne aankomst: De Meester is daar. Hij, naar wie wij zo verlangd hebben, en dien wij zolang reeds hebben verwacht, Hij is gekomen! Hij is gekomen, dit was de kostelijkste hartsterking in haar tegenwoordig leed. Lazarus is heengegaan, en ons genot, onze vertroosting in hem is heengegaan, maar de Meester is gekomen, die beter is dan de dierbaarste vriend en datgene in Zich heeft, dat ons gemis overvloedig zal vergoeden. Hij is gekomen, die onze Leraar is, die ons leren zal hoe goed te verkrijgen uit onze smart, Psalm 94:12, die ons zal onderwijzen en aldus vertroosten." Ten derde. Zij nodigt hare zuster om uit te gaan en Hem te ontmoeten: "Hij roept u, Hij vraagt naar u, en laat u roepen." Als Christus, onze Meester, komt, dan roept Hij ons. Hij komt in Zijn woord en in Zijne sacramenten, roept ons tot dezelven, roept ons door dezelven, roept ons tot zich. Hij roept u in het bijzonder, roept u bij name, Psalm 27:8, en indien Hij u roept, zal Hij u genezen, zal Hij u vertroosten.
b. Hoe Maria op dit bericht zich tot Christus spoedde, vers 29. "Als zij dat hoorde" -die goede tijding dat de Meester was gekomen-stond zij haastelijk op en ging tot Hem. Weinig wist zij hoe nabij Hij haar was, want dikwijls is Hij den treurenden in Zion meer nabij dan zij
weten, maar toen zij wist hoe nabij Hij was, stond zij op in vervoering van blijdschap om Hem te ontmoeten. De minste aanduiding van Christus' genaderijke nadering is genoeg voor een levend geloof, dat gereed is den wenk op te volgen en op de eerste roepstem te antwoorden. Toen Christus gekomen was, ging zij niet te rade met het welvoegelijke van haren rouw, maar alle ceremonie vergetende, liep zij het vlek door om Christus te ontmoeten. Wij moeten ons door. gene formaliteiten van welvoeglijkheid en eer van de gelegenheid laten beroven om met Christus te spreken. Zij ging ook niet te rade met hare geburen, de Joden, die bij haar waren, om haar te vertroosten, zij verliet hen allen om tot Hem te komen. Zij vroeg hun niet slechts niet om raad, maar vroeg hun ook niet om verlof om weg te gaan, en bood hun geen verontschuldiging aan voor haar onbeleefdheid. c. Er wordt ons gezegd, vers 30, waar zij den Meester vond. Hij was nog niet in Bethanië gekomen, maar bevond zich aan het einde van het vlek, in de plaats, waar Hem Martha tegemoet was gekomen. Zie hier Christus' liefde voor Zijn werk. Hij bleef nabij de plaats waar het graf was, opdat Hij er geredelijk heen kon gaan. Hij wilde niet in het vlek gaan, om zich na de vermoeienis van de reis te verkwikken, voor Hij het werk gedaan had, dat Hij kwam doen. Hij wilde ook niet in het vlek gaan, teneinde alle vertoon en opzichtigheid te vermijden en den schijn niet te hebben van toeschouwers voor het wonder bijeen te brengen. Let op: Maria's liefde voor Christus, nog had zij veel lief. Hoewel Christus wegens Zijn uitstel onvriendelijk scheen, kon zij Hem toch niets ten kwade duiden. Laat ons aldus tot Christus uitgaan buiten de legerplaats, Hebreeën 13:13.
d. De Joden gaven een verkeerde uitlegging aan het haastige heengaan van Maria, vers 31. Zij zeiden: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene. Martha hield zich beter staande onder deze beproeving dan Maria, die ene vrouw was van een teerhartig gemoed, en van nature bezwaard van geest was. De zodanige moeten waken tegen droefgeestigheid, en men behoort medelijden met hen te hebben en hen te helpen. Deze vertroosters bevonden, dat hun plichtplegingen haar van geen nut waren, maar dat zij zich verhardde in hare smart, en daarom denken zij, toen zij uitging, dat zij naar het graf ging om er te wenen. Zie, wat dikwijls de dwaasheid en het gebrek is van treurenden, zij verzwaren hun smart. In zulke toestanden vinden wij soms een vreemd behagen in onze pijn, ons verdriet, en zeggen: het is billijk, dat wij hartstochtelijk zijn in onze smart, ja zelfs tot den dood toe, wij klampen ons vast aan de dingen, die de beproeving verzwaren. En welk goed doet ons dat, als het toch onze plicht is om ons met den wil Gods er in te verzoenen? Waarom zullen treurenden naar het graf gaan om daar te wenen, als zij toch niet treuren zoals degenen, die geen hope hebben? De beproeving is reeds smartelijk genoeg, waarom haar nog te verzwaren? Wat de wijsheid en de plicht is van de vertroosters, namelijk om zoveel zij kunnen bij hen, die boven mate treuren, het weer opwekken der smart te voorkomen, en haar eerder af te leiden. Deze Joden, welke Maria volgden, werden hierdoor tot Christus geleid, en werden de getuigen van een Zijner heerlijkste wonderen. Het is goed om de vrienden van Christus aan te kleven in hun smart, want hierdoor kunnen wij er toe komen om Hem beter te leren kennen.
e. Maria's toespraak tot onzen Heere Jezus, vers 32. Zij kwam met haar gevolg van vertroosters, en viel aan Zijne voeten, als overstelpt van hartstochtelijke droefheid, en zei onder vele tranen (gelijk blijkt uit vers 33): Heere! indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven, hetgeen Martha tevoren reeds tot Hem gezegd had, want zij hadden dit dikwijls tot elkaar gezegd. Hare houding is ootmoedig en onderworpen: Zij viel aan Zijne voeten, hetgeen Martha niet gedaan heeft, want deze kon hare hartstochten beter bedwingen. Zij viel neer als een bezwijkende rouw dragende, maar zij viel aan Zijne voeten als een nederige smekelinge. Deze Maria had aan Christus' voeten gezeten om Zijn woord te horen, Lukas 10:39, en nu zien wij haar aan Zijne voeten met een ander doel. Zij, die ten dage des vredes zich aan Christus' voeten plaatsen om onderricht van Hem te ontvangen, kunnen zich in den dag der benauwdheid getroost en met vertrouwen aan Zijne voeten werpen met de hoop in het hart om gunst bij Hem te vinden. Zij viel aan Zijne voeten, als zich onderwerpende aan Zijn wil in hetgeen geschied was, en vertrouwende op Zijne liefde voor hetgeen verder geschieden zal. Als wij in benauwdheid zijn, dan moeten wij ons aan Christus' voeten werpen in berouwvolle smart en zelfvernedering om onze zonde, en in geduldige, lijdzame overgave van ons zelven aan Zijne beschikking. Dat Maria zich aan Christus' voeten wierp, was een teken van den diepen eerbied, dien zij voor Hem koesterde. Aldus plachten onderdanen ere te bewijzen aan hun koningen en vorsten, daar onze Heere Jezus echter niet in wereldlijke heerlijkheid of glans was verschenen, hebben zij, die Hem door deze houding van aanbidding ere gaven, Hem voorzeker beschouwd als meer dan een bloot mens, en bedoelden zij Hem Goddelijke eer te geven. Hiermede heeft Maria even waarlijk als Martha belijdenis afgelegd van het Christelijk geloof, inderdaad zei zij hiermede: "Ik geloof dat Gij zijt de Christus." De knie voor Christus te buigen, en Hem te belijden met de tong, die twee zaken zijn als van gelijke betekenis samengevoegd, Romeinen 14:11, Filippenzen 2:10, 11. Dat deed zij in de tegenwoordigheid der Joden, die haar vergezelden, en die, hoewel zij vrienden waren van haar en hare familie, echter bittere vijánden waren van Christus, en toch viel zij voor hun ogen aan Christus' voeten, als ene, die zich noch schaamde aan Christus den eerbied te betonen, dien zij voor Hem had, noch vreesde hare vrienden en geburen hierdoor te mishagen. Laat hen, indien hun dit behaagt, het haar ten kwade duiden, maar zij valt aan Zijne voeten, en indien dit "gering" is, dan zal zij zich "nog geringer houden", zie Hooglied 8:1. Wij dienen een Meester, dien wij geen reden hebben om ons te schamen, en wiens welbehagen in onzen dienst genoegzaam opweegt tegen den smaad en de verguizing der mensen. Hare toespraak is zeer aandoenlijk: Heere! indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven. Christus' uitstel was ten beste bedoeld en bleek ook ten beste te zijn, toch hebben beide zusters het Hem onbetamelijk verweten, waarmee zij Hem eigenlijk den dood huns broeders ten laste legden. Dit herhaalde verwijt zou Hem met recht hebben kunnen vertoornen, Hij zou haar hebben kunnen zeggen, dat Hij wel wat anders te doen had dan haar op hare wenken te bedienen, dat Hij tot haar zou komen als Zijn werk dit toeliet. Maar geen woord van dat alles: Hij nam de omstandigheden harer beproeving in aanmerking, Hij gedacht er aan, dat zij, die verliezen lijden, verlof menen te hebben om te zeggen wat zij denken en daarom zag Hij het min-beleefde van den welkomstgroet voorbij, en gaf ons hiermede een voorbeeld van nederigheid en zachtmoedigheid. Maria voegde er niets meer bij, zoals Martha gedaan had, maar uit hetgeen volgt blijkt, dat hare schaarste van woorden opgewogen werd door een overvloed van tranen. Zij sprak minder dan Martha, maar zij weende meer, en tranen van vrome genegenheid hebben ene stem, een luide overmogende stem in de oren van Christus, er is gene welsprekendheid, die er bij haalt.