21. Maar Ik verschoonde hen, dat Ik ze niet geheel verdelgde, zo als eigenlijk had moeten geschiedden wanneer hun wedervaren was, wat zij verdiend hadden (
Hoofdstuk 20:9); dit deed Ik om Mijnen heiligen naam, 1) dien het huis Israëls ontheiligde onder de Heidenen, waarhenen zij gekomen waren, 2) en dien Ik nu daardoor des te meer wilde verheerlijken, dat Ik Mij aan hen betoonde die God te zijn, die juist het diepst schuldige en ontaarde volk tot een recht heilig volk weet te maken.
1) Letterlijk staat er: Ik had medelijden met Mijn heiligen Naam. Hiermede verklaart de Heere dan ook, dat Hij Zelf Zijn eer zal herstellen en beveiligen en Zijn volk verlossen. In de redding van Zijn volk zou de heiligheid en de heerlijkheid van Zijn naam zo treffend uitkomen. Dewijl de Heidenen de smaadheden des volks op Hem hadden gelegd, zou Hij Zelf voor de ere van Zijnen naam opkomen, en daarom Zijn volk om Zich zelfs wil verlossen.
2) Opdat Israël Gods genade in diepen ootmoed erkenne, laat de Profeet het in den spiegel der geschiedkundige waarheid nog eens zijn vroeger zondig beeld zien, en herinnert hij het de harde kastijdingen, die het zich door den trouwelozen afval van Jehova heeft op den hals gehaald. Wat had het door zijne misdaden en gruwelen den reinen grond bevlekt, ja dien door bloedvergieten ontwijd! Daarom kwam ook het zware oordeel des Heeren over hen, dat zij verstrooid zouden worden onder de volken en verdeeld in de landen, waar zij aanleiding gaven tot het honen van den Goddelijken naam, daar de Heidenen spottend zeiden: Ziet! zij noemen zich Jehova's volk, en Hij heeft ze toch uit Zijn land moeten laten trekken.
Nadat Israël zelf de heiligheid van Zijnen God en de daaruit voortkomende eisen miskend en terzijde gesteld heeft, wordt het nu ook de aanleiding, dat van de zijde des heidendoms de heiligheid van Jehova wordt miskend, waaruit de verstoting van Israël noodzakelijk voortvloeide, en men nu Zijne almacht in twijfel trekt, alsof Hij Zijn volk tegen de overmacht der Heidenen niet had kunnen beschermen.
De Heidenen kenden slechts nationale goden, zagen ook in Jehova niets anders dan den volksgod der Hebreën, en vatten daarom de over Jeruzalem gekomene katastrofe niet op als een gericht van den God des hemels en der aarde, maar als een blijk van de machteloosheid van een volksgod, die zijn volk niet in zijn land had kunnen beschermen (Jesaja 36:18) Zo was het gericht, dat God over Israël gebracht had, alzo geworden, dat het er toe diende, om de Heidenen in hun heidense hoofdmeningen te versterken. Dat kan echter niet Gods wil zijn: Gods eeuwige wil is, dat Zijn wezen en Zijne gehele macht en heiligheid aan alle mensen, ook aan de Heidenen openbaar worde, zodat Zijn naam als die van den heiligen God des hemels en der aarde ook door de Heidenen gekend en beleden worde. Daar nu Gods gericht over Israël ten gevolge heeft gehad, dat de Heidenen de openbaring van Hem integendeel verduisterden, zo is voor God de noodzakelijkheid gekomen om Zijnen verduisterden en miskenden naam te verdedigen.
Door Israëls schuld was de naam des Heeren onder de Heidenen miskend en gelasterd; daartegenover wil echter Jehova dien nu des te heerlijker laten openbaar worden. Luider dan de straf van Israël zou een wonder Gods aan Israël het verkondigen, dat Hij een waarachtig, heilig God was, die alleen zich een heilig volk wist te bereiden.
Het tweede, nog grotere gericht des Joodsen volks, daar het na de verwerping van den Messias en van Zijn Evangelie bijna 2. 000 jaren verstoten is, en in alle landen is verstrooid, is voor den heiligen naam van God den gelovigen uit de Heidenen ook een bewijs, dat Christus de Heere en de enige ware God en Rechter der gehele wereld is, die alles wat in Zijn Goddelijk woord staat door ene volkomene vervulling allen volken voor ogen stelt.