2 Petrus 3:11-18
De apostel, na de Christenen onderwezen te hebben in de leer van Christus' wederkomst:
I. Neemt daaruit aanleiding om hen te vermanen tot reinheid en godzaligheid in geheel hun wandel. Alle waarheden, die in de Schrift geopenbaard zijn, moeten aangewend worden tot ons toenemen in praktische godzaligheid, indien onze kennis die vrucht niet draagt, worden wij er niet beter door.
Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zo gij ze doet. Dus ziende dat deze dingen alle vergaan, hoe heilig behoren wij te zijn! Wij, die daarvan verzekerd zijn, moeten afstand doen van en sterven aan de zonde, die de gehele zichtbare schepping zo heeft bevlekt en verdorven, dat haar verbranding noodzakelijk geworden is. Alles wat tot nut des mensen geschapen was, is aan de ijdelheid onderworpen door de zonde des mensen, en indien de zonde des mensen de zichtbare hemelen en de elementen der aarde gebracht heeft onder een vloek, waarvan zij zonder zulk een oplossing niet kunnen bevrijd worden, welk een afschuwelijk kwaad moet de zonde dan wel zijn en hoe diep behoren wij haar te haten. En voorzover deze verbranding de weg is om de hemelen en de aarde in hun oorspronkelijke schoonheid en voortreffelijkheid te herstellen: hoe rein en heilig behoren wij dan te zijn, ten einde geschikt te worden voor dien nieuwen hemel en die nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont! Het is een zeer besliste en alles-omvattende heiligheid, waartoe hij vermaant, die niet tevreden is met een lageren trap, maar er naar tracht om meer te zijn dan hetgeen gewoonlijk bereikt wordt, heilig in Gods huis en in ons eigen huis, in onze verering van God en onzen omgang met de mensen. Al onze wandel, met hoog en laag, rijk en arm, goeden en kwaden, vrienden en vijanden, moet heilig zijn. Wij moeten ons zelven onbesmet bewaren van de wereld, in al onzen wandel. Wij moeten volmaakt zijn in heiligheid in de vreze Gods, en in al onze liefde tot God. Wij moeten ons oefenen in de godzaligheid in alle opzichten, op God vertrouwende en ons alleen in God verheugende, die dezelfde blijft wanneer de gehele schepping zal voorbijgegaan zijn, ons wijden aan den dienst van God en de verheerlijking Gods bedoelende, die eeuwig blijft, ook wanneer alles, waarin wereldse mensen zich verlustigen, zal vergaan zijn. De dingen, die wij nu zien, zullen binnen kort voorbijgaan en niet meer dezelfde zijn als nu, laat ons daarom uitzien naar hetgeen blijvend is, en, ofschoon nog niet onder ons bereik, toch zeker en niet veraf. Dit verwachten van den dag Gods is een van de dingen, welke de apostel ons aanraadt ten einde uitnemend te zijn in heiligen wandel en godzaligheid. Verwacht den dag Gods als een dag, die zeker komen zal en waarnaar gij ernstig verlangt. Naar de komst van den dag Gods moet ieder Christen van harte verlangen en er op hopen, want die is de dag, waarop Christus verschijnen zal in de heerlijkheid des Vaders, en Zijn goddelijkheid en Godheid zal bewijzen aan allen, die Hem voor een bloot mens hielden. Naar de eerste komst van onzen Heere Jezus Christus, toen Hij verscheen in de gestalte van een dienstknecht, wachtte en verlangde het volk Gods ernstig, toen kwam Hij ter vertroosting van Israël, Lukas 2:25. Hoe veel te meer behoren zij met ernst en verlangen Zijn wederkomst te verwachten, die de dag van hun volkomen verlossing en van Zijn heerlijkste openbaring zijn zal! Dan zal Hij komen om wonderlijk te zijn in al Zijne heiligen en verheerlijkt te worden in allen, die in Hem geloven. Het kan voor de goddelozen niet anders dan vreeslijk en schrikwekkend zijn, te zien dat de zichtbare hemelen verbranden en de elementen versmelten, maar voor de gelovigen, voor wie het geloof een bewijs is der dingen die men niet ziet, is het een blijdschap in de hoop op heerlijker hemelen, nadat deze door het louterend vuur gegaan zijn, dat alle onreinheid uit de zichtbare schepping zal weg zuiveren. Merk hier op: 1. Wat de ware Christenen verwachten: nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke veel meer van de wijsheid, kracht en goedheid van onzen groten God en Zaligmaker Jezus Christus klaarlijk zal ontdekt worden dan wij instaat zijn te bespeuren in hetgeen wij nu zien, want in deze nieuwe hemelen en aarde, bevrijd van de ijdelheid waaraan de vorige onderworpen waren en die door de zonde bezoedeld waren, zal enkel gerechtigheid wonen. Deze zullen de woonstede zijn van de rechtvaardigen, die enkel gerechtigheid doen en verlost zijn van de macht en de besmetting der zonde, al de goddelozen zullen ter helle varen, dezen alleen, die bekleed zijn met de gerechtigheid van Christus en geheiligd door den Heiligen Geest, zullen toegelaten worden om in die heilige plaats te wonen.
2. De grond en het fondament voor deze verwachting en hope is de belofte Gods. Verwachten iets, wat God niet beloofd heeft, is onderstelling, maar wanneer onze verwachting steunt op Zijne belofte, zowel wat betreft de dingen, die wij verwachten, als den tijd en de wijze, waarop zij komen zullen, dan kunnen wij geen teleurstelling ondervinden, want Hij, die het beloofd heeft, is getrouw. Zorgt daarom er voor dat gij al uw verwachting van de grote dingen, die komende zijn, regelt en aanvuurt naar het Woord Gods, en, voorzover de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde betreft, verwacht die op de wijze als God heeft vergund en voorgeschreven in het deel der Schrift, dat wij thans besproken hebben en in Jesaja 65:17 en Jesaja 66:22, aan welke plaatsen de apostel blijkbaar gedacht heeft toen hij dit schreef.
II. In vers 11 wekt hij op tot heiligheid door de beschouwing van de waarheid, dat deze dingen alle zullen vergaan, in vers 14 herhaalt hij zijne vermaning met de opmerking, dat zij zullen vernieuwd worden. Gij verwacht den dag Gods, waarop onze Heere Jezus Christus zal verschijnen in Zijn heerlijke majesteit, en deze hemelen en aarde zullen vergaan en versmelten, maar zij worden gereinigd en gezuiverd, zij zullen hersteld en herbouwd worden, bereidt u daarop dus voor. Het is van groot belang voor u te weten in welken toestand gij zult zijn, wanneer de Rechter van de gehele wereld zal verschijnen om de mensen te oordelen en hun lot voor alle eeuwigheid te bepalen. Van deze rechtspraak is geen hoger beroep, het vonnis, dat deze grote Rechter vellen zal, is niet voor herziening vatbaar, daarom bereidt u om te verschijnen voor den rechterstoel van Christus.
1. Dat ge van Hem bevonden moogt worden in vrede, in een toestand van vrede en verzoening met God door Christus, in wie God was de wereld met zich zelven verzoenende. Allen, die buiten Christus zijn, verkeren in een staat van vijandschap, en verwerpen den Heere en Zijnen gezalfde en stellen zich tegen hen, en zullen daarom gestraft worden met eeuwigdurende verwerping uit de tegenwoordigheid des Heeren en de heerlijkheid Zijner macht. Alleen zij, die vergeving hunner zonden verkregen hebben en wier vrede met God gesloten is, zijn zalig en gelukkig, jaagt daarom den vrede na met allen.
A. Vrede met God door onzen Heere Jezus Christus.
B. Vrede in ons eigen geweten, door den Geest der genade, getuigende met onzen geest dat wij kinderen Gods zijn.
C. Vrede met de mensen, door het bezit van een kalme en vredelievende gezindheid, waardoor de gelijkenis met onzen gezegenden Zaligmaker wordt gewerkt. 2. Dat gij van Christus moogt bevonden worden onbevlekt en onbestraffelijk. Jaagt de heiligheid na zowel als den vrede, en dat wel onbevlekt en volmaakt. Niet alleen moeten wij zorg dragen, dat de mensen geen vlekken aan ons vinden, maar wij moeten door Christus vlekkeloos bevonden worden, wij moeten alles aanwenden om tot vlekkeloze en volstrekte volmaaktheid te komen. Christenen moeten volmaakt worden in heiligheid, opdat zij niet enkel onberispelijk mogen zijn voor de mensen, maar ook voor het aangezicht Gods, en daartoe wordt de grootste naarstigheid en ijver vereist, hij, die dit werk slap verricht, zal nooit zijn doel bereiken. Verwacht nooit op dien dag door God in vrede gevonden te worden, wanneer gij op dezen uwen dag traag en nalatig zijt. Thans moeten wij het werk volbrengen, dat ons opgedragen is. In den dag des Heeren zal alleen de naarstige Christen de gelukkige Christen zijn. Onze Heere zal haastig tot ons komen, of spoedig ons tot zich roepen, en zoudt gij dan door Hem ledig bevonden willen worden? Herinnert u dat een vloek uitgesproken is over hen, die het werk des Heeren nalatig doen. De hemel zal een voldoende beloning zijn voor al uw vlijt en werk, laat ons daarom moeite verdragen en ijverig zijn in het werk onzes Heeren, Hij zal ons zeker belonen indien wij ijverig zijn in het ons opgedragen werk, weest dus naarstig en acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid. Vertoeft uw Heere om te komen? Denkt niet dat dit is om u meer tijd te geven voor de bevrediging van uw begeerlijkheden, Hij geeft u gelegenheid tot bekering en tot uitwerking van uwe zaligheid. Zijn schijnbare vertraging spruit niet voort uit gebrek aan medelijden met Zijn lijdende dienstknechten, ook wordt er geen aanmoediging aan de wereld der goddelozen mee bedoeld, maar ze strekt om den mensen tijd te laten om zich voor de eeuwigheid voor te bereiden. Leert daarom een recht gebruik te maken van de lankmoedigheid des Heeren, waardoor Hij totnogtoe Zijn wederkomst verdaagt. Jaagt den vrede na en de heiligmaking, anders zal Zijn komst vreeslijk voor u zijn. Aangezien het voor den mens moeilijk is misbruik van Gods lankmoedigheid te vermijden, en ten einde ons in het rechte gebruik daarvan te onderrichten, herinnert de apostel, dat ook Paulus de mensen bestuurt tot hetzelfde goede gebruik van de goddelijke lankmoedigheid, opdat in den mond, of door de pen van twee apostelen de waarheid moge bevestigd worden. En wij kunnen hierbij opmerken met hoeveel achting en toegenegenheid hij spreekt over hem, die hem vroeger in het openbaar weerstond en scherp bestrafte. Wanneer een rechtvaardig man een waarlijk godvrezende bestraft, zal hem dat in dank afgenomen worden, zijn bestraffing zal als uitnemende olie zijn, die den godvrezende verzacht en zegent nadat hij kwaad bedreven heeft. Hoe eervol vermeldt deze apostel der besnijdenis dezelfden man, die hem openlijk, in tegenwoordigheid van allen had berispt, omdat hij niet oprecht wandelde overeenkomstig de waarheid van het Evangelie.
A. Hij noemt hem broeder, waarmee hij niet alleen bedoelt dat Paulus een mede-Christen is, in den zin waarin dit woord gebruikt wordt in 1 Thessalonicenzen 5:27, of een mede-prediker, op de wijze waarop Paulus zijn geliefden Timotheus broeder noemt in Colossenzen 1:1, maar een medeapostel, iemand, die evenals hij, van Christus zelven en onmiddellijk de opdracht had ontvangen om het Evangelie aan alle plaatsen te verkondigen en onder alle volken te verbreiden. Ofschoon vele valse leraren Paulus' apostelschap ontkenden, erkent Petrus dat hij een apostel is.
B. Hij noemt hem geliefd, en daar zij waarlijk beiden tot hetzelfde doel afgevaardigd en in den dienst van dezelfden Heere verenigd waren, zou het ook zeer onbehoorlijk geweest zijn indien zij niet verenigd waren door wederzijdse liefde, om elkaar de handen te sterken, wederkerig begerig naar en zich verheugende in den goeden uitslag van elkanders werk. C. Hij noemt Paulus als iemand, wie een buitengewone mate van wijsheid gegeven is. Paulus was een man van uitnemende kennis in de verborgenheden van het Evangelie, en ook in deze hoedanigheid, zomin als in enige andere, was hij minder dan de overige apostelen. Hoe wenselijk is het dat zij, die het Evangelie verkondigen, elkaar behandelen volgens het hier door Petrus gegeven voorbeeld. Het is voorzeker hun plicht, door geschikte middelen te trachten, alle vooroordelen te voorkomen of uit den weg te ruimen, die de nuttigheid der dienaren kunnen belemmeren, en in den geest van de gemeente de achting en het ontzag voor haar dienaren te wekken en aan te kweken, waardoor zij in hun werk kunnen slagen. Laat ons verder hierbij opmerken:
a. Er wordt gezegd, dat de uitnemende wijsheid, die Paulus bezat, hem gegeven was. Het verstand en de kennis, die iemand bevoegd maken om te prediken, zijn een gave Gods. Wij moeten naar kennis zoeken en arbeiden om verstand te krijgen, in hope dat zij ons van boven gegeven zullen worden, terwijl wij ijverig zijn in pogingen om ze te verwerven.
b. De apostel geeft den mensen naar de mate, waarin hij van God ontvangen heeft. Hij tracht anderen te leiden, zover als hij zelf geleid is in de kennis van de verborgenheden des Evangelies. Hij spreekt niet waanwijs over dingen, die hij niet gezien heeft of waarvan hij niet ten volle verzekerd is, en hij laat niet na den vollen raad Gods te verkondigen, Handelingen 20:27.
c. De brieven, die geschreven werden door den apostel der heidenen en gericht waren aan de heidenen, die in Christus geloofden, zijn evengoed bestemd voor het onderwijs en de stichting van de Joden, die tot het geloof in Christus gebracht waren. Algemeen houdt men het er voor dat de apostel hier doelt op hetgeen de brief aan de Romeinen bevat, Hoofdstuk 2:4, ofschoon in al de brieven van Paulus een en ander te vinden is, dat sluit met hetgeen in dit en in het vorige hoofdstuk gezegd is. Het kan niemand vreemd voorkomen, dat zij, die gezamenlijk hetzelfde doel beoogden, in hun brieven op dezelfde wijze over de dingen handelen. De apostel Petrus gaat echter verder en zegt ons dat in deze dingen, die wij in de brieven van Paulus vinden, sommige dingen zijn zwaar om te verstaan. Onder de verscheidenheid van onderwerpen, die in de Heilige Schrift behandeld worden, zijn sommige niet gemakkelijk te verstaan, door hun eigen duisterheid, zoals bijvoorbeeld de profetieën, anderen kunnen moeilijk verstaan worden door hun verhevenheid en fijnheid, zoals de mystieke leerstellingen, en andere zijn zwaar te verstaan door de zwakheid van het menselijk verstand, zoals de dingen van den Geest Gods, 1 Corinthiërs 2:14. En die worden door de ongeleerde en onvaste mensen verdraaid, want zij draaien en martelen de Schriften, en laten ze zeggen hetgeen de Heilige Geest niet bedoelde. Zij, die niet goed onderwezen en bevestigd zijn in de waarheid, lopen groot gevaar van het Woord Gods te verdraaien. Zij, die het van den Vader gehoord en geleerd hebben, zijn het best verzekerd tegen misverstand en verkeerde toepassing van enig deel van Gods Woord, en waar een goddelijke macht is, zowel om de mensen te bevestigen als om hen te onderwijzen in de goddelijke waarheid, daar is men in waarheid verzekerd tegen het vervallen in dwaling. Hoe groot die zegen is, leren wij door te letten op het noodlottig gevolg van de dwalingen, waarin ongeleerde en onvaste mensen vallen, tot hun eigen verderf. Dwalingen, vooral omtrent de heiligheid en rechtvaardigheid Gods, zijn uiterst verderflijk voor menigten van mensen. Laat ons daarom ernstig bidden dat de Geest Gods ons in de waarheid leide, opdat wij die mogen kennen gelijk zij is in Jezus, en dat onze harten versterkt worden in de genade, opdat wij standvastig en onbeweeglijk mogen zijn, zelfs in de stormachtigste tijden, wanneer anderen door allerlei wind van leer bewogen worden. III. De apostel geeft hun in verzen 17 en 18 ene waarschuwing.
1. Hij wijst er op dat de kennis, die wij van deze dingen hebben, ons zeer waakzaam moet maken en wel tegen een tweeledig gevaar, vers 17.
A. Wij zijn in groot gevaar van verleid en van de waarheid afgerukt te worden. De ongeleerde en onvaste mensen, die zeer talrijk zijn, verdraaien over het algemeen de Schrift. Velen, die de Schrift hebben en haar lezen, verstaan niet hetgeen zij lezen, en zeer velen van hen, die een recht verstand van den zin en de bedoeling des Woords hebben, zijn niet bevestigd in het geloof aan de waarheid. Dezen zijn allen vatbaar om in dwaling te vallen. Weinigen komen tot de kennis en de erkentenis van het leerstellig Christendom, en nog minderen komen op den weg der praktische godzaligheid, den engen weg, die alleen ten leven leidt. Er behoort veel zelfverloochening en mistrouwen van ons zelven toe en veel onderwerping aan onzen groten profeet Christus Jezus, om de waarheden van het Evangelie van harte aan te nemen, en daarom zijn wij in groot gevaar van ze te verwerpen.
B. Wij zijn in groot gevaar door zulke verleiding, want:
a. Wanneer wij van de waarheid afgerukt worden, worden wij daardoor afgevoerd van den weg naar de ware gelukzaligheid, en geleid op het pad des verderfs. Wanneer de mensen het Woord Gods verderven, bewerken zij daardoor slechts hun eigen ondergang.
b. Mensen, die het Woord Gods verdraaien, vallen daardoor in de verleiding der gruwelijke mensen, mensen zonder wet, die zich zelven geen beperking zetten, zijn een soort van vrijdenkers, welken de psalmist verfoeit, Psalm 119:113: Ik haat de kwade ranken, maar heb uwe wet lief. Alle denkbeelden en gedachten van mensen, welke niet overeenstemmen met de. wet van God en door haar geoorloofd zijn, worden door de gelovigen ontkend en gehaat, zij zijn de overleggingen en raadslagen der goddelozen, die Gods wet verloochend hebben. En wanneer wij het oor lenen aan hun voorstellingen, zullen wij spoedig hun praktijken navolgen.
c. Zij, die door dwaling afgeleid worden, vallen uit hun vastigheid. Zij zijn geheel onbeschermd en onvast, zij hebben geen steunpunt maar verkeren in de grootste onzekerheid, gelijk de baren der zee door den wind op en neer geworpen. Het is daarom van het grootste belang op onze hoede te zijn, want het gevaar is groot.
2. De apostel wijst ons aan wat wij te doen hebben, ten einde te voorkomen dat wij afgeleid worden, vers 18.
A. Wij moeten opwassen in de genade. In het begin van den brief heeft hij ons vermaand om de ene genade bij de andere te voegen, hier wekt hij ons op om op te wassen in alle genade, in geloof en deugd, en kennis. Hoe sterker de genade in ons is, des te vaster zullen wij in de waarheid staan.
B. Wij moeten groeien in de kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Gaat voort den Heere te kennen. Doet moeite om hem duidelijker en vollediger te kennen, om meer van Christus te weten, om het te weten tot het rechte oogmerk, om Hem meer te gelijken en Hem vuriger lief te hebben. Dat is de kennis van Christus, waarna de apostel Paulus jaagde en die hij begeerde te grijpen, Filippenzen 3:10. Zulk een kennis van Christus' die ons aan Hem gelijkvormig maakt en Hem dierbaarder aan ons hart doet zijn, kan niet nalaten ons van groot nut te zijn en ons voor uitvallen te bewaren in tijden van algemenen afval. En zij, die de uitwerking ondervinden van deze kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus, door zulke genade van Hem te ontvangen, zullen Hem dankzegging en prijs brengen, en instemmen met het woord des apostels: Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid Amen!