22. Daardoor, dat hij u te hulp is willen komen, heeft hij zich zo omtrent Gods volk verdienstelijk gemaakt, dat hij integendeel ene oorzaak van zonde geworden is; nu moet er voor altijd een einde aan worden gemaakt, dat zich het huis Israëls op Egypte zou verlaten (
Hoofdstuk 29:6 v. en 16). Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Ik wil nog verder in strafgerichten aan Faraö, den koning, van Egypte, en zal zijne armen verbreken, beide den sterken en den verbrokenen, en Ik zal het zwaard uit zijne hand doen vallen, hij zal alle macht om oorlog te voeren verliezen.
De ene arm des konings is reeds verbroken, en hij zal niet verbonden of genezen worden, dat hij met nieuwe kracht het zwaard zou kunnen aangrijpen; ja, de Heere wil den verpletterden nog eens breken, en den anderen nog ongeschondenen daarenboven, zodat hij het zwaard uit zijne hand laat vallen en hij geheel in machteloosheid nederzinkt.
Iedere breuke, die wij moeten ondergaan, is ene roepstem tot boete; maar de mens heeft nooit genoeg aan ééne breuk, zo lang hij nog overigens zich kan bewegen, moet hij zich vertonen. Daarom komt het tot ondergang zonder ontferming, wanneer wij niet aan God ons op genade willen overgeven.
Indien mindere oordelen niet vermogen om zondaren te vernederen en te verbeteren, dan zal God groter zenden. Nu zal God het zwaard uit zijne hand doen vallen, hetwelk hij gevat heeft, als denkende sterk genoeg te zijn, om het te houden. Hij was een wrede verdrukker van Gods volk in vorige tijden geweest en nu onlangs ene gebroken rietstaf voor hen. En nu rekent God, door het verbreken zijner armen voor beiden met hen af. God verbreekt rechtvaardiglijk die macht, welke misbruikt is, of om kwaad over mensen te brengen of om hen te bedriegen.