12. En Ik zal de rivieren tot droogte maken 1), en het land verkopen in de hand der bozen, die het zeer erg met hem maken; en Ik zal het land met zijne volheid verwoesten door de hand der vreemden; Ik, de HEERE, heb het gesproken 2) (
Hoofdstuk 5:17;
21:17).
1) God straft den enen goddeloze door den anderen, die daarom zijn eigen oordeel niet ontgaat, maar daarvoor slechts wordt gespaard, zo als in Jeremia 25 de koning van Babel boven de door hem bezochten geen anderen voorrang heeft, dan dat hij den drinkbeker het laatste drinkt.
Vóór ongeveer 2400 jaren werd Egypte aan zijne eerste en oorspronkelijke bezitters ontrukt, en sedert dien tijd zag het zich van den enen tijd tot den anderen door Perzen, Macedoniërs, Romeinen, Grieken, Arabieren, Georgiërs en eindelijk door die soort van Tartaren beheerst, die onder den naam van Turken en Ottomannen bekend zijn.
Ja, sedert dien tijd hebben vreemde en meestal boze mensen Egypte verdrukt en uitgezogen, tot den tegenwoordigen pascha toe. Het heeft genen inlander tot vader des lands, en slaafse vrees houdt het land in banden.
Zij doen onrechtvaardiglijk geweld als goddelozen gelijk zij zijn, nochtans voor zover als zij werktuigen in Gods hand zijn om Zijne oordelen uit te voeren is het aan Zijn zijde rechtvaardig gedaan. God maakt den enen goddelozen mens tot een gesel voor den ander, de goddeloze mensen krijgen zelden een recht op een buit. 13. Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook de drekgoden verdoen, en de nietige afgoden doen ophouden uit Nof, uit Memfis in Midden-Egypte (Genesis 41:14); en er zal geen vorst meer zijndie uit Egypteland zelf is voortgekomen; en Ik zal ene vreze in Egypteland stellen.
De Profeet noemt twee zaken, die de Heere in Egypte zal vernietigen, het oude godendom en het vorstendom van het daarop trotse land. Zijne zorgeloosheid zal verdwijnen, en het zal in vreze leven.
Het benedenste rivierdal vereerde als hoogsten god Phtad (vuurgod), den oudsten en eersten der goden, zo als Manetho hem noemt, die op inscripties de vader van de vaderen der goden, de hemelbeheerser, de god van het genadig aangezicht, de koning der beide werelden genoemd wordt. Als god van het begin heeft hij de gedaante van een naakt kind, van een dwerg, en wordt als ene mummie omwonden voorgesteld, met een gesel, een scepter en mes in de hand; zijn hoofdheiligdom te Memfis versierden en vergrootten de Faraö's tot aan den val van het rijk. Kambyzes hoonde echter, toen bij in dezen tempel werd geleid (Ezra 1:4) het beeld van den god.
Wat Egypte na de katastrofe nog in vorsten overblijft, verdient in vergelijking met de vroegere trotse heersers den naam van vorst niet meer; het zijn in waarheid ellendige knechten.