Job 1:6-12
Job was niet alleen zo rijk en groot, maar daarbij ook zo wijs en goed, en had zoveel invloed beide in hemel en op aarde, dat men zou denken dat de berg van zijn voorspoed zou vastgezet was, dat hij niet kon wankelen, maar hier zien wij een zware, zwarte wolk zich samenpakken boven zijn hoofd, een wolk, die een ontzettend onweer in haar schoot bergt. Zolang wij ons in dit lagere luchtgebied bevinden, moeten wij ons nooit veilig wanen voor stormen.
Eer ons meegedeeld wordt hoe zijn rampen hem verrasten en aangrepen in deze zichtbare wereld, wordt ons gezegd hoe zij beraamd werden in de wereld van de geesten, dat de duivel een hevige vijandschap koesterende tegen Job om zijn uitnemende Godsvrucht, verlof heeft verzocht en verkregen om hem te kwellen. Het doet volstrekt niets af van de geloofwaardigheid van Jobs geschiedenis in het algemeen, om te erkennen dat het gesprek in deze verzen tussen God en Satan parabolisch is, evenals dat van Micha, 1 Koningen 22:19 K en verv., een allegorie, bedoeld om de boosaardigheid voor te stellen van de duivel tegen vrome mensen, en hoe die boosaardigheid onder de beteugeling en het bedwang Gods is. Zoveel alleen wordt te kennen gegeven, dat de zaken van deze aarde in grote mate het onderwerp zijn van de beraadslagingen van de onzichtbare wereld. Die wereld is duister voor ons, maar wij liggen geheel open en bloot voor haar.
Nu hebben wij hier:
I. Satan onder de kinderen Gods, vers 6, een tegenstander (dat is de betekenis van Satan) van God, van de mensen, van alles wat goed is. Hij drong zich binnen in de vergadering van de kinderen Gods, die kwamen om zich voor de Heere te stellen. Dit betekent: hetzij:
1. Een bijeenkomst van de heiligen op aarde. In de patriarchale eeuw werden belijders van de Godsdienst zonen Gods genoemd, Genesis 6:2. Zij hadden toen op gezette tijden Godsdienstige bijeenkomsten. De Koning kwam in de vergadering om Zijn gasten te zien, het oog van God was op allen, die tegenwoordig waren, maar in het paradijs was een slang, een Satan onder de kinderen Gods, als zij bijeenkomen dan is hij onder hen om hen af te leiden en te storen, staat hij aan hun rechterhand, om hen tegen te staan, de Heere schelde u, gij Satan. Of:
2. Een bijeenkomst van de engelen in de hemel, zij zijn de kinderen Gods, Hoofdst. 38:7. Zij kwamen om verslag te doen van hun onderhandelingen op de aarde, en om nieuwe instructies te ontvangen. Oorspronkelijk heeft Satan tot hen behoord, was hij een van hen, hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster) Hij zal niet meer staan in deze vergadering, toch wordt hij hier voorgesteld als komende onder hen, hetzij gedaagd om er als misdadiger te verschijnen, of voor het ogenblik als indringer oogluikend toegelaten.
II. Zijn ondervraging, hoe hij daar kwam vers 7. Toen zei de Heere tot de Satan: vanwaar komt gij? Hij wist zeer goed vanwaar hij kwam, en met welk doel hij daar kwam, dat, gelijk de goede engelen kwamen om goed te doen, hij kwam om verlof te verkrijgen om kwaad te doen, maar door hem tot verantwoording te roepen, wilde Hij hem doen weten dat hij zich onder bedwang bevond. Vanwaar, komt gij? Hij vraagt dit: 1. Bij wijze van verwondering: wat heeft hem herwaarts gevoerd? Is Saul ook onder de profeten? Satan onder de kinderen Gods? Ja, want "hij verandert zich in een engel des lichts," 2 Corinthiers 11:13, 14, en wil zich als een van hen voordoen. Het is mogelijk dat iemand een kind van de duivel is en toch in de vergadering van de kinderen Gods wordt aangetroffen in deze wereld, en er door de mensen niet ontdekt wordt, maar wel door het alziend oog van God, die hem toeroept: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen? Of:
2. Als vragende naar hetgeen hij deed voor hij hier kwam. Dezelfde vraag werd misschien ook aan de overigen van hen, die zich voor de Heere stelden, gedaan, "vanwaar komt gij?" Wij zijn aan God rekenschap verschuldigd van al de plaatsen, die wij bezoeken, en van al de wegen, waarop wij gaan.
III. Het bericht dat hij van zichzelf geeft en van de rondreis, die hij gedaan heeft. Ik kom, zegt hij, van om te trekken op de aarde.
1. Hij kon niet voorgeven dat hij enigerlei goed had gedaan, kon van zichzelf geen bericht geven zoals de kinderen Gods het konden, die zich voor de Heere stelden en kwamen van het volvoeren van Zijn orders, dienende de belangen van Zijn koninkrijk, en tot dienst zijnde geweest van hen, die de zaligheid beërven zullen.
2. Hij wilde niet erkennen dat hij enigerlei kwaad had gedaan, dat hij de mensen van hun trouw aan God had zoeken af te trekken zielen had misleid en verdorven, neen, "ik heb geen ongerechtigheid" "gewrocht, " Spreuken 30:20. "Uw knecht is noch herwaarts" "noch derwaarts gegaan." Door te zeggen dat hij kwam van om te trekken op de aarde, geeft hij te kennen dat hij zich binnen de perken had gehouden, die hem gesteld waren, en dat hij die niet had zoeken te overschrijden, want "de draak is geworpen op de aarde," Openbaring 12:9, en nog niet opgesloten in zijn plaats van de pijniging. Zolang wij op aarde zijn, zijn wij onder zijn bereik en met zoveel list, snelheid en ijver dringt hij door tot alle hoeken ervan, dat wij nergens gevrijwaard zijn tegen zijn verzoekingen.
3. Hij schijnt zijn aard en karakter nog in een gunstig licht te willen stellen.
a. Misschien sprak hij het in hoogmoed en met hoogheid, alsof hij werkelijk de vorst van deze wereld was, en "U zal ik al deze macht geven" "en hun heerlijkheid, want zij is mij overgegeven" Lukas 4:6, en hij nu op zijn eigen rijksgebied had rondgewandeld.
b. Misschien was het in gemelijkheid gesproken en in ontevredenheid, hij was heen en weer getrokken en kon geen rust vinden, hij was even zwervende en dolende als Kaïn in het land van Nod.
c. Of misschien wilde hij er mee te kennen geven hoeveel moeite hij zich gaf: "Ik heb zwaar gewerkt, heen en weer trekkende" of-zoals sommigen het lezen, de aarde doorzoekende", naar een gelegenheid uitziende om kwaad te doen. Hij gaat rond, zoekende wie hij zou kunnen verslinden. Daarom is het zaak voor ons om nuchter te zijn en te waken.
IV. De vraag, die God hem doet betreffende Job, vers 8. Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Zoals wanneer wij iemand ontmoeten, die op een verafgelegen plaats is geweest, waar wij een vriend hebben die ons zeer dierbaar is, wij ook vragen: "Gij zijt aan die plaats geweest? hebt gij er ook mijn vriend gezien?"
Merk op:
1. Hoe eervol God van Job spreekt. Hij is Mijn knecht. Vrome mensen zijn Gods knechten, en het behaagt Hem zich geëerd te achten door hun dienst, te achten dat zij Hem zijn "tot een naam en tot lof en tot" "heerlijkheid," Jeremia 13:11 :, en tot "een sierlijke kroon," Jesaja 62:3. "Ginder is Mijn knecht Job, er is niemand op de aarde gelijk hij, niemand die Ik zo hoogschat, een zodanig een heilige is al de vorsten en potentaten van de aarde waard, er is niemand gelijk hij ten opzichte van oprechtheid en ernstige Godsvrucht, velen hebben deugdelijk gehandeld, maar hij gaat hen allen te boven zo'n groot geloof wordt zelfs in Israël niet gevonden." Zo heeft Christus lang daarna de hoofdman over honderd en de Kananese vrouw geprezen, die beide, evenals Job, vervreemd waren van het burgerschap Israëls. De heiligen roemen in God: Wie is als Gij onder de goden En het behaagt Hem in hen te roemen: Wie is als Israël onder de volken? Zo ook hier: Niemand is gelijk Job, niemand op aarde, in die staat van onvolmaaktheid, die in de hemel zijn o voorzeker, die overtreffen hem verre, die de minsten zijn in dat koninkrijk, zijn groter dan hij, maar op aarde is er niemand gelijk hij. Er is niemand gelijk hij in dat land, zo zijn sommige Godvruchtigen de roem van hun land.
2. Hoe nauwkeurig Hij aan Satan dit goede karakter van Job beschrijft.
a. Hebt gij uw hart gezet op Mijn knecht Job? Hiermede bedoelende de afval en de rampzaligheid te verzweren van die bozen geest. "Hoezeer ongelijk zijt gij aan hem!" De heiligheid en het geluk van de Godvruchtigen zijn de smaad en de kwelling van de duivel en van de kinderen van de duivel.
b. Om op het schijnbaar snoeven van de duivel op de invloed, die hij op deze aarde had, te antwoorden. "Ik ben omgetrokken op de aarde", zegt hij, "en zij behoort mij toe, alle vlees had zijn weg verdorven, het gehele" "land zit en is stil", Zacheria 1:10, 11, zij rusten in hun zonde. "Neen", zegt God, "Job is Mijn getrouwe knecht." Satan kan snoeven, maar hij zal niet triomferen.
c. Om zijn beschuldigingen te voorkomen, alsof Hij gezegd had: "Satan, Ik weet, waar gij op uit zijt, gij zijt gekomen om Job aan te klagen, maar hebt gij acht op hem geslagen? Wordt gij door zijn onberispelijk karakter niet gelogenstraft? God kent al de boosaardigheid van de duivel en zijn werktuigen tegen Zijn dienstknechten, en wij hebben een voorspraak, gereed om voor ons op te treden en ons te verdedigen, zelfs eer wij nog beschuldigd zijn.
V. De bedekte beschuldiging van de duivel tegen Job in antwoord op Gods lofrede op hem. Hij kan niet ontkennen dat Job God vreesde, maar oppert het vermoeden dat dit uit zelfzucht en eigenbelang was, en dat Job bijgevolg een huichelaar was, vers 9. Is het om niet, dat Job God vreest?
Merk op:
1. Hoe ongeduldig de duivel er onder was dat Job geprezen werd, hoewel het God zelf was, die hem prees. Diegenen zijn de duivel gelijk, die het niet kunnen dragen dat iemand anders dan zijzelf geprezen wordt, maar door de rechtmatige roem van anderen spijtig worden, zoals Saul, 1 Samuël 18:5 en verv, en de Farizeen, Mattheus 21:15.
2. Hoe verlegen hij was om iets te vinden, dat hij tegen hem kon inbrengen, hij wilde hem niet van iets slechts beschuldigen, en daarom legt hij hem in zijn goeddoen nevenbedoelingen ten laste. Indien ook maar de helft waar was geweest van hetgeen, waarvan zijn toornige vrienden hem in de hitte van hun twistredenen hebben beschuldigd, Hoofdst. 15:4, 22:5, Satan zou het ongetwijfeld nu tegen hem ingebracht hebben, maar niets dergelijks kon tegen hem aangevoerd worden, en daarom:
3. Zie hoe listig en behendig hij hem laakt als een geveinsde, niet ronduit zeggende dat hij dit was, maar slechts vragende: "Is hij dit niet?" Dat is de gewone wijze van doen van lasteraars, vragenderwijs datgene te opperen, waarvoor zij geen enkele reden hebben om te geloven dat het waar is. Het is niet vreemd als zij, die Gode welbehaaglijk zijn, onrechtvaardiglijk door de duivel en zijn handlangers gelaakt worden, als zij overigens onberispelijk zijn, dan is het gemakkelijk hen van huichelarij te beschuldigen, zoals Satan Job ervan beschuldigde en zij hebben geen ander middel om zich van die beschuldiging te zuiveren, dan geduldig het oordeel Gods af te wachten. Gelijk er niets is dat wij meer moeten vrezen dan geveinsden te zijn, zo is er niet dat wij minder behoeven te vrezen, dan aldus genoemd en geacht te worden zonder oorzaak.
4. Hoe onrechtvaardiglijk hij hem van baatzucht beschuldigt, om te bewijzen dat hij een geveinsde is. Het was een grote waarheid dat Job God niet om niet diende, hij is er wèl bij gevaren, want de Godzaligheid is een groot gewin, maar het was een leugen, dat hij God niet gevreesd zou hebben, indien hij er dit niet door gewonnen had, gelijk de uitkomst heeft bewezen. Jobs vrienden beschuldigden hem van geveinsdheid, omdat hij zo zwaar beproefd was, Satan, omdat hij zo bijzonder voorspoedig was. Het is voor hen, die er een gelegenheid toe zoeken, niet moeilijk om iemand te belasteren. Het is geen baatzucht om in onze gehoorzaamheid op het eeuwige loon te zien, maar tijdelijk voordeel op het oog te hebben in onze Godsdienst en die daaraan dienstbaar te maken dat is geestelijke afgoderij, het schepsel meer aanbiddende dan de Schepper, en dit zal waarschijnlijk op een noodlottigen afval uitlopen, de mens kan niet lang God en de mammon dienen.
Vl. Satans klacht tegen Jobs voorspoed, vers 10. Merk op:
1. Wat God voor Job gedaan heeft. Hij had hem beschermd, een omtuining voor hem gemaakt, ter beschutting van zijn persoon, van zijn gezin en van al zijn bezittingen. Gods bijzonder volk, Zijn kinderen, zijn onder Zijn bijzondere bescherming genomen, zij met alles wat hun toebehoort, Gods genade maakt een omtuining voor hun geestelijk leven, en Gods voorzienigheid voor hun natuurlijk leven, en aldus zijn zij veilig en gerust. Hij had hem voorspoedig gemaakt, niet in luiheid of in ongerechtigheid (de duivel kon hem daarvan niet beschuldigen), maar op de weg van eerlijke vlijt: Het werk van zijn handen hebt Gij gezegend, al zijn de handen ook nog zo sterk en nog zo geoefend, het werk zou zonder die zegen niet voorspoedig zijn, maar daarmee is zijn vee in menigte uitgebroken in het land, de zegen des Heeren, die maakt rijk, Satan zelf erkent dit.
2. Hoe de duivel daar nota van neemt, en er gebruik van maakt tegen hem. De duivel spreekt ervan met ergernis, ik zie dat Gij een omtuining voor hem gemaakt hebt, voor hem en zijn huis en voor alles wat hij heeft rondom, alsof hij er om heen was gegaan, om te zien of er ook een opening in was waar hij kon binnenkomen om hem kwaad te doen, maar hij was teleurgesteld, de omtuining was gaaf en kompleet. De boze zag het en vertoornde zich en betoogde dat de enige reden, waarom Job God diende, was, dat God hem voorspoedig had gemaakt. "Hij verdient waarlijk niet geprezen te worden voor zijn trouw aan een regering, die hem bevordert en begunstigt, dat hij een Meester dient, die hem zo goed betaalt."
VII. Satan neemt op zich het bewijs te leveren van de baatzucht en huichelarij in Jobs godsdienstigheid, zo hij slechts de vrijheid krijgt hem van zijn rijkdom te beroven. "Laat er de proef maar eens van genomen worden," zegt hij, vers 11. "Maak hem arm, zie hem met ongunst aan, keer Uw hand tegen hem, tast aan alles wat hij heeft, en dan zal het wel blijken wat hij is. Zo hij U dan niet in Uw aangezicht zal zegenen, zo moge ik nooit meer geloofd worden, maar als een vals beschuldiger op de kaak gesteld worden. Laat mij omkomen, zo hij U niet zegent, dat is: vloekt." Zo spreken sommigen de vervloeking over zich uit, die de duivel zelf slechts bedektelijk noemt, maar de goddeloze vloekers van onze tijd aarzelen niet om haar openlijk en duidelijk uit te spreken.
Merk op:
1. Met hoeveel kleinachting hij spreekt van de beproeving, die hij over Job wenst gebracht te zien. "Tast slechts aan alles wat hij heeft, begin slechts met hem, dreig hem slechts dat hij arm gemaakt zal worden, een licht kruis zal hem van toon en houding al doen veranderen."
2. Hoe hatelijk hij spreekt van de indruk, die dit op Job zou maken. "Hij zal zijn vroomheid niet slechts laten varen, maar haar in openbare trotsering van U verkeren, niet slechts hard van U denken, maar U in Uw aangezicht zegenen, dat is vloeken. God te vloeken is zo iets afschuwelijks, dat de heilige taal dit woord hier niet wilde toelaten, maar het woord Kaduch, dat in de oorspronkelijken tekst gebruikt is, en oorspronkelijk zegenen betekent, maar, als de zin het duidelijk vereist, zoals in 1 Koningen 21:10-13, waar ditzelfde woord gebruikt is om de misdaad aan te duiden, waar Naboth van beschuldigd werd: "hij heeft God en de koning gezegend", d. i. gevloekt, als vloeken opgevat moet worden. Nu is het waarschijnlijk dat Satan:
a. werkelijk gedacht heeft, dat Job, zo hij arm werd gemaakt, van zijn Godsdienst zou afvallen en in dat geval zou Satan hiermede zijn algemene heerschappij over de kinderen van de mensen bewezen hebben. God had verklaard dat Job de beste mens was, die toen leefde, indien Satan nu kan bewijzen dat hij een huichelaar is, dan volgt hieruit dat God geen enkele getrouwe dienstknecht heeft onder de mensen, en dat zo iets als ware en oprechte Godsvrucht niet bestaat in de wereld, maar dat Godsdienst slechts bedrog is, en Satan de facto, feitelijk, koning is over geheel het mensdom. Maar het bleek dat God kent degenen, die de Zijnen zijn, en zich in niemand bedriegt.
b. Evenwel: indien Job aan zijn Godsdienst vasthoudt, dan zal Satan toch de voldoening hebben om hem zwaar beproefd te zien, hij haat Godvruchtige mensen en verlustigt zich in hun smarten, zoals God een welbehagen heeft in hun voorspoed.
VIII. Het verlof, dat God aan Satan gaf om Job te kwellen ten einde zijn oprechtheid op de proef te stellen. Satan verlangde dat God dit doen zou: Steek nu Uw hand uit. God vergunde hem dit te doen, vers 12. "Al wat hij heeft zij in uw hand, neem de proef op zo scherpe wijze als het u behaagt, doe uw ergst aan hem." Nu is het wel a. Een zaak om zich over te verwonderen, dat God aan Satan zodanig verlof zou geven, de ziel van Zijn tortelduif zou overgeven in de hand van zo'n tegenstander, zo'n lam aan zo'n leeuw maar Hij deed het tot Zijn eigen heerlijkheid tot eer van Job, ter verklaring van Zijn voorzienigheid, en ter bemoediging van Zijn beproefd volk in alle tijden en eeuwen, ten einde een zaak, door het gerecht beslist, tot een precedent te stellen. Hij liet toe dat Job beproefd werd, zoals Hij heeft toegelaten dat Petrus gezift werd, maar zorg droeg dat zijn geloof niet zou ophouden, Lukas 22:32, en toen werd de beproeving ervan "bevonden te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, 1 Petrus 1:7. Maar
b. Het is een zaak van grote vertroosting, dat God de duivel "aan een" "keten heeft," Openbaring 20:1. Hij kon Job niet kwellen zonder verlof van God er voor gevraagd en verkregen te hebben, en dan niet meer dan waartoe hij verlof had: "Strek alleen aan hemzelf uw hand niet uit, raak niet aan zijn lichaam, maar alleen aan zijn goed, zijn bezittingen." De duivel heeft slechts een beperkte macht, hij heeft geen macht om de mensen te verleiden en te bederven, dan voorzover zij zelf hem die macht geven, geen macht om de mensen te kwellen, dan die hem van boven gegeven is. Eindelijk. Satans heengaan uit de vergadering van de kinderen Gods. Eer zij uiteengingen ging Satan, evenals Kam, Genesis 4:16, "uit van het aangezicht des" "Heeren," evenals Doëg, 1 Samuël 21:7, S niet langer opgehouden dan tot hij zijn boos oogmerk bereikt had. Hij ging uit:
1. Blij dat hij zijn doel bereikt had, trots op het verlof, dat hij had verkregen om zo goed een man kwaad te doen, en
2. Vast besloten om geen tijd te verliezen, maar zijn voornemen snel ten uitvoer te brengen. Hij ging thans uit, niet om om te trekken op de aarde, heen en weer dwalende, maar regelrecht naar Job om hem aan te vallen, hem, die zorgvuldig de weg van zijn plicht bewandelt en niets van de zaak af weet. Wij ontwaren niet wat er ons betreffende tussen goede en boze geesten voorvalt.