Job 18:1-4
Hier schiet Bildad zijn pijlen, namelijk bittere woorden, op de arme Job, weinig vermoedende dat hij, hoewel hij een wijs en Godvruchtig man was, in dit geval echter Satans doeleinde diende, door nog toe te doen aan zijn beproeving en smart.
1. Hij beschuldigt hem van ijdel, eindeloos gepraat, waarvan ook Elifaz hem beschuldigd had, Hoofdst. 15. Hoelang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? vers 2. Hier geeft hij af, niet alleen op Job zelf, maar op allen die deelnamen aan de conferentie (misschien denkende dat Elifaz en Zofar niet zo ter zake hebben gesproken als zij moesten) of op sommigen, die tegenwoordig waren, en die mogelijk Jobs partij hadden gekozen, en nu en dan een woord ten zijnen gunste inbrachten, ofschoon het niet vermeld is. Bildad was het moede anderen te horen spreken, en wachtte met ongeduld tot hij aan de beurt kwam, hetgeen tot niemands lof opgemerkt kan worden, want wij behoren ras te zijn om te horen en traag om te spreken. Twistredenaars zullen gewoonlijk het monopolie van wijsheid voor zich opeisen, en dan staan blijven op hun voorrecht om anderen de wet voor te schrijven. Hoe onbetamelijk dit is in anderen, dat kan iedereen zien, maar weinigen van hen, die er zich aan schuldig maken kunnen het in zichzelf zien. Er was een tijd, toen Job in alle debatten het laatste woord had, Hoofdst. 29:22. Na mijn rede spraken zij niet weer. Toen had hij macht en voorspoed, maar nu hij verarmd en naar beneden gebracht was, kon men hem nauwelijks toestaan te spreken, en alles wat hij zei werd nu evenzeer gesmaad als het tevoren geprezen werd. Daarom "is wijsheid-"zoals de wereld nu eenmaal is- "goed met een erfdeel," Prediker 7:11, want "de wijsheid des armen is veracht," en omdat hij arm is, "worden zijn woorden niet gehoord," Prediker 9:16.
2. Van onverschilligheid voor hetgeen tot hem gezegd was, te kennen gegeven in dit: Merkt op, en daarna zullen wij spreken. En het is doelloos te spreken, al is hetgeen gezegd wordt ook nog zo ter zake, indien zij, tot wie gesproken wordt, niet opmerken. Laat het oor gewekt worden om te horen, gelijk die geleerd worden, en dan zal de tong van de geleerden goede diensten doen, Jesaja 50:4, maar anders niet. Het is voor hen, die van de dingen Gods spreken, moedgevend om te zien dat de hoorders opmerkzaam zijn.
3. Van een hooghartige minachting van zijn vrienden en van hetgeen zij voorgesteld hadden vers 3. Waarom worden wij geacht als beesten? Dit was hatelijk: Job had hen wel bespotters genoemd, hen voorgesteld als onverstandig en onvriendelijk, tekort komende in menselijk verstand en medelijden, maar hij heeft hen niet geacht als beesten. Toch stelt Bildad dit zo voor:
a. Omdat zijn hoogmoedig hart toornig was wegens hetgeen Job gezegd had, alsof het de grootst mogelijke belediging was. Hoogmoedige mensen zijn licht geneigd te denken dat men hen meer gering acht dan inderdaad het geval is.
b. Omdat hij in zijn vurige ijver wel gaarne een voorwendsel had om hard voor Job te wezen. Zij, die tot strengheid jegens anderen neigen, willen het gaarne doen voorkomen, dat deze hun daartoe reden en aanleiding gegeven hebben.
4. Van buitensporige hartstocht. Hij verscheurt zijn ziel door zijn toorn. Hierin schijnt hij te verwijzen naar hetgeen Job gezegd had Hoofdst. 13:14. Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen? Het is uw eigen schuld," zegt Bildad. Of, hij wees terug op hetgeen hij gezegd had, Hoofdst. 16:9, waar hij het God ten laste schijnt te leggen, of, naar sommigen denken, Elifaz: Zijn toorn verscheurt mij. "Neen", zegt Bildad, "gij alleen zult dit dragen, u alleen komt dit ten laste." Hij verscheurt zich in zijn toorn, vers 4. Toorn is een zonde, die zichzelf straft. Gemelijke, hartstochtelijke mensen scheuren en kwellen zichzelf. Hij scheurt zijn ziel, luidt het oorspronkelijke. Elke zonde wondt de ziel, scheurt haar, doet haar geweld aan, Spreuken 8:36, inzonderheid ongebreidelde drift of hartstocht.
5:Van een hoogmoedige aanmatigende verwachting, om zelfs aan Gods voorzienigheid de wet voor te schrijven. "Zal om uwentwil de aarde verlaten worden?" Voorzeker niet, daar is geen reden voor, geen reden waarom de loop van de natuur veranderd zou worden, de vastgestelde regelen van regering en bestuur verbroken zouden worden om aan de luim van een enkel man te voldoen. "Denkt gij, Job, dat zonder u de wereld niet bestaan kan, dat, als gij te gronde gericht zijt, de gehele wereld met u verlaten en te gronde gericht is?" Sommigen houden het voor een bestraffing van Job omdat hij zich gerechtvaardigd heeft, valselijk te kennen gevende dat of Job een goddeloze is, of dat wij een voorzienigheid Gods moeten ontkennen, moeten onderstellen, dat God de aarde verlaten heeft en de Rots van de eeuwen is weggenomen. Het is veeleer een rechtmatige bestraffing van zijn hartstochtelijke klachten. Als wij twisten met hetgeen er in Gods voorzienigheid gebeurt, dan vergeten wij dat wat ons ook moge wedervaren het geschiedt:
a. Naar de eeuwige raad en de bedoeling Gods.
b. Naar het geschreven woord. Zo is er geschreven dat wij in de wereld verdrukking moeten hebben dat wij, daar wij dagelijks zondigen, moeten verwachten er voor te zullen lijden, en,
c. Naar de gewone weg en loop van Gods voorzienigheid met alle mensen, en dat, te verwachten dat Gods raad veranderd zou worden en Zijn woord zou falen om ons te behagen, even ongerijmd en onredelijk is als te denken, dat om onzentwil de aarde verlaten en een rots uit haar plaats verzet zou worden.