31. En het volk, zich daardoor kinderen van Abraham betonende, (
Genesis 15:6) geloofde, 1) en zij hoorden, dat de HEERE de kinderen van Israël bezocht (
Exodus 3:16), en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden ter aarde, en aanbaden 2) deHeere in dankbare vreugde. Daardoor gaven zij zich tevens aan Mozes en Aäron, als aan gezanten van God, tot gehoorzaamheid over.
1) En zie, dat waarvoor Mozes gevreesd had, dat hem reeds lang tevoren verontrust had, als een van die vele bezwaren, die hem boven op de ziel lagen en daarom het eerst werden uitgesproken (hoofdstuk 4:1), namelijk, dat zijn woorden en goede bedoelingen zouden afstuiten op het ongeloof van de kinderen van Israël, zie, dat juist gebeurde niet. Wel geschiedde het tegendeel. "En het volk geloofde en zij hoorden, dat de Heere de kinderen van Israël bezocht en dat Hij hun verdrukking zag," d.i. had aangezien, om hun daaruit een volkomen verlossing te bereiden. O, hoe moet hun geloof Mozes beschaamd hebben, die in zijn voorbarig en onredelijk oordeel zo geheel andere gedachten van het volk had gekoesterd!.
2) De roeping van Mozes is door een noodkreet voorafgegaan. (Exodus 2:23) en ziet, zij wordt vervangen door dankzegging! O, indien Mozes het hoofd mede ter aanbidding geneigd heeft, wie schetst ons, hoe diep dat gelaat heeft gebloosd van schaamte over zijn vroegere (Exodus 4:1) twijfelzucht, en hoe talloze malen hij later de God heeft gedankt, die hem juist zó, en dßßr, en toen heeft geroepen! De vrede, die reeds vóór de strijd hem doorstroomt, is de eerste vrucht van zijn stipte gehoorzaamheid, en als hij nu de hand in de boezem steekt, voelt hij zijn hart van zalig voorgevoel van de naderende zegepraal kloppen..
Uit dit aanbidden blijken twee dingen. En ootmoedige dankbaarheid voor de genade, welke de Heere hen geopenbaard had, én geloof, dat de Heere de belofte, aan de vaderen gedaan, zou vervullen..