Openbaring 9:1-12
De dingen, die bij het geluid van de vijfde bazuin vallen op te merken, zijn de volgende:
1. Een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, vers 1. Sommigen menen dat deze ster den een of anderen uitstekenden bisschop van de Christelijke gemeente afbeeldt, een of anderen engel der gemeente, want in dezelfde wijze, waarin de herders sterren genoemd worden, draagt de gemeente den naam van hemel. Maar de uitleggers zijn het niet eens wie hier bedoeld wordt. Enigen denken aan Bonifatius, den derden bisschop van Rome, die zich den titel van algemenen bisschop toe- eigende, onder de gunst van keizer Phocas, die een overweldiger en dwingeland in den staat was, en Bonifatius vergunde het in de kerk te zijn, als beloning voor zijn vleierij.
2. Aan deze gevallen ster werd gegeven de sleutel van den put des afgronds. Toen hij opgehouden had een dienaar van Christus te zijn, werd hij de antichrist, de dienaar des duivels, en met vergunning van Christus, die hem de sleutelen van de gemeente ontnomen had, deed hij dienst als sleutel des duivels, om de machten der hel tegen de gemeente los te laten.
3. Na de opening van den put des afgronds is er rook opgegaan uit den put, als rook van een groten oven, zodat de zon en de lucht verduisterd werden van den rook des puts. De duivelen zijn machten der duisternis en de hel is de plaats der duisternis. De duivel volvoert zijn ontwerpen door de ogen der mensen te verblinden, het licht der kennis te blussen, en onwetendheid en dwaling te bevorderen. Eerst bedriegt hij de mensen en daarna verwoest hij hen, verloren zielen volgen hem in het duister, anders zouden zij hem niet durven volgen.
4. Uit dien duisteren rook kwam een zwerm sprinkhanen, een der plagen van Egypte, de zendelingen van den duivel onder aanvoering van den antichrist, al het gespuis en gemeen van anti- christelijke instellingen om bijgeloof, afgoderij, dwaling en wreedheid te bevorderen, en dezen hadden, door de rechtvaardige toelating Gods, macht om de mensen te beschadigen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hadden.
5. De schade, door hen aangebracht, was niet van lichamelijken, maar van geestelijken aard. Zij zouden niet op oorlogswijze allen met vuur en zwaard verwoesten, de bomen en het gras mochten niet aangeraakt worden, en die beschadigd werden mochten niet gedood worden. Het zou geen vervolging zijn, maar een geheim vergif en besmetting in hun zielen, welke hen zouden beroven eerst van hun reinheid en daarna van hun vrede. Ketterij is vergif voor de zielen, zij werkt langzaam en geheim, maar het einde is bitterheid.
6. Zij hadden geen macht om hen te beschadigen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden hadden. Gods verkiezende, daadwerkelijke, onderscheidende genade zal Zijn volk bewaren van algehelen afval.
7. De macht, die aan deze werktuigen uit de hel gegeven wordt, is evenzeer beperkt in tijd, vijf maanden, een bepaalden en slechts een korten tijd, maar wij kunnen niet uitmaken hoe lang. De tijden des Evangelies hebben hun grenzen, maar die van de verleiding evenzeer. 8. Ofschoon kort, zou het zeer scherp zijn, zelfs zo dat zij, die de kwaadaardigheid van het vergif in hun gewetens zouden te voelen krijgen, het leven moede zouden worden, vers 6.
Wie kan een verslagen geest oprichten!
9. Deze sprinkhanen hadden een afschuwelijke gedaante en vorm, vers 7, 8 enz. Zij waren voor hun werk toegerust als paarden voor den oorlog.
A. Zij wendden groot gezag voor en schenen verzekerd te zijn van de overwinning: op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, het was geen echt, maar een nagemaakt gezag.
B. Zij hadden de vertoning van wijsheid en scherpzinnigheid, aangezichten als van mensen, ofschoon geesten als van duivelen.
C. Zij hadden al de aanlokkelijkheden van schitterende schoonheid om de zielen der mensen te verstrikken en te vangen, haar als het haar der vrouwen, hun wijze van eredienst was zeer zwierig en opgesmukt.
D. Ofschoon zij zich voordeden met vrouwelijke tederheid, hadden zij tanden als leeuwentanden, in werkelijkheid waren zij wrede schepsels.
E. Zij hadden de bescherming en verdediging van aardse macht: borstwapenen als ijzeren borstwapenen.
F. Zij maakten zeer veel rumoer in de wereld, zij vlogen van het ene land naar het andere, en het geluid van hun bewegingen was als dat van een leger met strijdwagens en paarden.
G. Hoewel zij in den beginne de mensen geruststelden en vleiden met een aangenaam voorkomen, was er toch een angel in hun staarten, de beker van hun afschuwelijkheden, ofschoon in het eerst zeer smakelijk, zou ten laatste bijten als een slang en steken als een adder.
H. De koning en aanvoerder van dit helse leger wordt nu beschreven.
a. Als een engel, hij was van nature een engel, eens een van de engelen des hemels.
b. De engel des afgronds, nog wel een engel, maar een gevallen engel, gevallen in den zeer groten bodemlozen afgrond, waaruit geen opklimmen mogelijk is.
c. In die helse streken is hij op zijne wijze vorst en regeerder, de machten der duisternis staan onder zijn beheer en bevel.
d. Zijn ware naam is Abbaddon, Apollyon, Verwoester, want verwoesten is zijn doel, zijn werk, zijn bezigheid, waaraan hij al zijn krachten wijdt, waarin hij zeer goed slaagt, en waarin hij een hels genoegen schept. Om dit werk der verwoesting te verrichten zendt hij zijn afgezanten en legers ten einde de zielen der mensen te vernielen. Hier hebben wij het einde van het eerste wee, en waar dat eindigt begint het volgende.