Ezechiël 18:10-20
Nadat God, door de profeet, de algemene regel, waarnaar Hij oordeelt, heeft vastgesteld, dat "Hij het eeuwige leven zal geven aan hen die volharden in goeddoen, maar toorn en wraak aan die van de waarheid ongehoorzaam zijn, doch van de ongerechtigheid gehoorzaam", Romeinen 2:7, 8, begint hij deze verzen met een uiteenzetting, dat afstamming en bloedverwantschap geen verschil maken, ten nadele noch ten voordele.
I. Dit past hij uitvoerig en in bijzonderheden toe op beide gevallen. Evenals het met de koningen van Juda was, zo komt het ook vaak in andere families voor, dat godzalige ouders goddeloze kinderen hebben, en goddeloze ouders godzalige kinderen. Nu betuigt hij,
1. Dat de goddeloze zeker zal omkomen in zijn goddeloosheid, al is hij ook de zoon van een vrome vader. Als die rechtvaardige, hiervoor beschreven, een zoon gekregen heeft, wiens karakter het omgekeerde is van dat van zijn vader, dan zal het met zijn leven zeker ook zo zijn.
a. Als niet ongewoon, maar als zeer droef wordt verondersteld, dat het kind van een zeer godzalige vader, ondanks al de lering hem gegeven, de goede opvoeding, die hij heeft gehad, en de nodige berispingen, die hem gegeven zijn, de tucht, waaraan hij onderworpen is geweest, na al de moeite, die aan hem besteed is en de gebeden, die voor hem opgezonden zijn, toch bij uitstek goddeloos en slecht is, zijn ouders verdriet berokkent, de schande van zijn familie, en de vloek en de plaag van zijn geslacht is. Hier wordt verondersteld, dat hij toegeeft aan al die verzoekingen, die zijn vader vreesde en zorgvuldig vermeed, en dat bij al die plichten, waarvan zijn vader gewetenswerk maakte en waarvan hij de voldoening genoot, van zich afschudt, hij maakt alles ongedaan wat zijn vader gedaan heeft, en gaat in ieder opzicht recht tegen diens voorbeeld in. Hij wordt hier beschreven als een straatrover-een inbreker en een, die bloed vergiet. Hij is een afgodendienaar: hij eet op de bergen, vers 11, en hij heft zijn ogen op tot de drekgoden, hetgeen zijn goede vader nimmer deed, en tenslotte gaat hij niet alleen aanzitten met de afgodendienaars, maar ook met hen offeren, wat hier genoemd wordt gruwel doen, want de weg van de zonde gaat omlaag. Hij is een echtbreker, hij verontreinigt de huisvrouw zijns naasten. Hij verdrukt zelfs de ellendige en de nooddruftige, hij berooft weduwen en wezen, en maakt zich schuldig aan afpersingen tegen hen, die hij weet, dat zich niet verdedigen kunnen, en is er trots op en schept er vermaak in, de zwakken te vertreden en te verarmen, die toch al arm zijn. Hij neemt van hen, wie hij geven moest. Hij rooft roof, hij geeft op woeker, en richt aldus te gronde, volgens overeenkomst, hij geeft het pand niet weer, maar behoudt het ten onrechte, terwijl de schuld gedelgd is. Goede ouders die goddeloze kinderen hebben, moeten niet denken, dat hun geval op zich zelf staat, dat geval wordt hier verondersteld, en daaruit kunnen wij zien, dat genade geen erfgoed is en niet altijd samengaat met de genademiddelen. De loop is niet altijd van de snellen, noch de strijd van de helden, want dan zouden de kinderen, die wel onderricht zijn, ook wel doen, maar God wil, dat wij weten zullen, dat Zijn genade Zijn eigen en Zijn Geest vrijmachtig is, en dat, al zijn wij gebonden onze kinderen een goede opvoeding te geven, Hij niet gebonden is die te zegenen. Hierin blijkt evenzeer als in andere dingen, de kracht van de erfzonde en de noodzakelijkheid van de bijzondere genade.
b. Hier wordt ons verzekerd, dat de goddeloze voor altijd in zijn ongerechtigheid zal omkomen, niettegenstaande hij de zoon van een goede vader is. Hij kan misschien een tijd lang voorspoedig zijn in de wereld, om ter wille van de vroomheid van zijn voorouders, maar terwijl hij alle die gruwelen gedaan heeft, en er nooit berouw van gehad, zal hij niet leven, hij zal niet gelukkig zijn in de gunst van God, al ontsnapt hij aan het zwaard van de mensen, hij zal de vloek Gods niet ontsnappen. Hij zal voorzeker gedood worden, hij zal voor altijd rampzalig zijn, zijn bloed zal op hem zijn. Hij heeft het zichzelf te wijten, hij is zijn eigen verderver. En zijn betrekking tot een goede vader, zal inplaats van hem ten goede te komen, zijn zonde en zijn straf verzwaren. Het maakt zijn zonde te erger, het maakt hem in werkelijkheid slechter en verdorvener, en bijgevolg zal het zijn ellende hiernamaals te onverdragelijker maken.
2. Dat een rechtvaardige zeker gelukkig zal zijn, al is hij ook de zoon van een goddeloos vader. Al heeft de vader van die zure druiven gegeten, als de kinderen zich daar niet mee inlaten, zal het hun daarom niet slechter gaan.
a. Hier wordt verondersteld (en dank zij God, is dat soms werkelijk het geval) dat de zoon van een goddeloze vader godzalig is, dat hij, het noodlottige van zijns vaders dwalingen bemerkende, zo wijs is zich te laten waarschuwen, en niet in zijns vaders voetstappen te wandelen, vers 14. Gewoonlijk erven de kinderen een deel van het karakter van hun ouders en volgen onwillekeurig hun voorbeeld, maar deze zoon, in plaats van de zonden zijns vaders aan te zien, en, zoals `t gewoonlijk gaat evenzo te doen, ziet ze en vreest evenzo te doen. Weliswaar leest men geen druiven van doornen, maar God doet het soms, Hij neemt een tak van een wilde olijfboom en ent die op een tamme in. De goddeloze Achaz gewint een vrome Hizkia, die alle de zonden zijns vaders, die hij doet, aanziet, en hoewel hij niet, als Cham, zijns vaders schaamte openbaar maakt of ze zo slecht mogelijk voorstelt, toch walgt hij er van, en schaamt er zich over, en verfoeit de zonde te meer, omdat zij de schande en de ondergang zijns vaders was. Hij ziet toe dat hij desgelijks niet doet, hij bedenkt, hoe slecht het zijn vader bekwam, zulke dingen te doen, welk een aanstoot het gaf aan God en alle goede mensen, hoeveel schande en nadeel hij er zich mee toebracht, en welke rampen hij zijn familie bezorgde en daarom doet hij dergelijke niet. Als wij slechts behoorlijk de wegen van de goddelozen aanzien, dan zullen wij allen vrezen, hun deelgenoten en navolgers te zijn. De bijzonderheden worden hier opnieuw opgesomd, met bijna dezelfde woorden als die, waarin de eigenschappen van de rechtvaardige beschreven worden, vers 6 enz, om te tonen hoe goede mensen in dezelfde geest en in dezelfde voetstappen wandelen. De rechtvaardige hier zorgt er voor zijn vaders zonden te vermijden en zijn grootvaders deugden nauwgezet na te volgen, en, als wij achter ons zien, zullen wij ook voorbeelden ter navolging vinden, en andere ter waarschuwing. Deze rechtvaardige kan niet, als de Farizeeër zeggen: Ik ben geen echtbreker, geen rover, geen onderdrukker, geen woekeraar, geen afgodendienaar, maar hij geeft de hongerige brood en bedekt de naakte met kleding. Hij houdt zijn hand van de ellendige af, overal, waar hij arme knechten, huurders of naburen vindt, wie zijn vader lasten heeft opgelegd, verlicht hij die. Hij zegt niet: "Wat mijn vader heeft gedaan, daar wil ik bij blijven, en als het een fout is, dan is het de zijne en niet de mijne", zoals Rehabeam, die de schatting, door zijn vader opgelegd, niet wilde verminderen. Neen, hij houdt zijn hand van de ellendige af en herstelt hem in zijn rechten en vrijheden, vers 15-17. Aldus heeft hij recht en gerechtigheid gedaan, en alle Gods inzettingen onderhouden, heeft niet slechts eenmaal zijn plicht gedaan, maar is op de weg van de gehoorzaamheid blijven wandelen.
3. Ons wordt verzekerd, dat de ongelovige vader alleen sterven zal in zijn ongerechtigheid, maar zijn gelovige zoon zal die niet behoeven te dragen. Wat zijn vader betreft, vers 18, omdat hij een wreed verdrukker was, en deed wat niet goed was, ja, omdat hij geen goed onder het volk deed met zijn rijkdom en macht, daarom, zo groot als hij is, zal hij sterven in zijn ongerechtigheid, en voor altijd ten onder gaan, maar die zich onbevlekt gehouden heeft, zal gewis leven, hij zal gerust en gelukkig zijn, en hij zal niet sterven om de ongerechtigheid zijns vaders. Misschien heeft de goddeloosheid van zijn vader het erfgoed verminderd en zijn invloed verzwakt maar dat zal zijn aanneming door God en zijn eeuwig welzijn niet beletten.
II. Hij vraagt hun zelf, of ze God dan geen onrecht deden met hun spreekwoord. Het geval is zo duidelijk en toch zegt gijlieden:" Draagt de zoon niet de ongerechtigheid des vaders?" Neen, dat doet hij niet, hij zal dat niet doen, als hij zelf recht en gerechtigheid gedaan heeft, vers 19, maar dit volk, dat de ongerechtigheid van zijn vaders droeg, had geen recht en gerechtigheid gedaan, en leed daarom rechtvaardiglijk om zijn eigen zonden, en had geen reden zich te beklagen over de onrechtvaardigheid van Gods handelingen tegen hen, maar zij hadden wel reden zich te beklagen over de onvriendelijkheid van het slechte voorbeeld, dat hun vaders hun hadden nagelaten. "Onze vaders hebben gezondigd en zijn niet meer en wij dragen hun ongerechtigheden," Klaagliederen 5:7. Het is waar, dat goddeloze families de vloek erven, maar het is even waar, dat hij teniet gedaan kan worden, door berouw en verbetering, daarom hebben de onboetvaardigen en de onbekeerden het zich zelf te wijten, als zij er onder vallen. De vastgestelde regel, waarnaar geoordeeld wordt, wordt derhalve herhaald, vers 20 :De ziel, die zondigt, die zal sterven, en niet een andere in haar plaats. Het gebod, dat God aan aardse rechters gegeven heeft, Deuteronomium 24:16, is Zijn eigen richtsnoer: "De kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders, als zij niet in hun voetstappen wandelen en de vaders niet voor de kinderen, als zij hun plicht aan hen doen, naar vermogen". In de dag des toorns en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, dat nu bewolkt en verduisterd is, zal de gerechtigheid des rechtvaardigen voor de gehele wereld blijken op hem te zijn tot zijn eeuwige troost en eer, zal op hem zijn als een kleed en als een kroon, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn, tot zijn eeuwig verderf, zal op hem zijn als een keten, als een last, als een berg, die hem neerdrukt in de bodemloze afgrond.