Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 16
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
VERDER geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2
Mensenkind, maak
1
Jeruzalem haar
2
gruwelen bekend,
3
En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE tot Jeruzalem: Uw
3
handelingen en uw
4
geboorten zijn uit het land der Kanaänieten; uw vader was
5
een Amoriet, en uw moeder een
6
Hethitische.
4
En aangaande uw geboorten:
7
ten dage als gij geboren waart,
8
werd uw navel
9
niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen
10
toen Ik
u
aanschouwde; gij waart ook
11
geenszins met zout gewreven, noch in windelen gewonden.
5
12
Geen oog had medelijden over u, om u een
13
van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij
14
zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid
15
van uw ziel, ten dage toen gij geboren waart.
6
Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde
16
in uw bloed, en Ik zeide tot u
17
in uw bloed:
18
Leef;
19
ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef.
7
Ik heb u tot
20
tienduizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid en groot geworden en zijt gekomen tot
21
grote sierlijkheid;
uw
borsten zijn vast geworden en uw haar is gewassen, doch gij waart
22
naakt en bloot.
8
Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd
23
der minne; zo
24
breidde Ik Mijn vleugel over u uit en dekte uw
25
naaktheid; ja,
a
Ik zwoer u en kwam met u in
26
een verbond, spreekt de Heere HEERE, en gij werdt Mijne.
9
Daarna
27
wies Ik u met water, en Ik spoelde
28
uw bloed van u af, en
29
zalfde u met olie.
10
30
Ik bekleedde u ook met
31
gestikt werk, en Ik schoeide u met
32
dassenvellen, en omgordde u met
33
fijn linnen en bedekte u met zijde.
11
Ook versierde Ik u met sieraad, en deed
34
armringen aan uw handen en een
35
keten aan uw
36
hals.
12
Desgelijks deed Ik een
37
voorhoofdsiersel
38
aan uw aangezicht, en
39
oorringen aan uw oren, en
40
een kroon der heerlijkheid op uw hoofd.
13
41
Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen en zijde en
42
gestikt werk; gij at
43
meelbloem en honig en olie; en gij waart
44
gans
45
zeer schoon en waart voorspoedig,
46
dat gij een koninkrijk werdt.
14
Daartoe
47
ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn
48
heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.
15
Maar gij hebt
49
vertrouwd op uw schoonheid en hebt
50
gehoereerd
51
vanwege uw naam, ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder die voorbijging; voor hem was
52
zij.
16
En gij hebt van uw klederen genomen, en u gemaakt geplekte
53
hoogten en hebt daarop gehoereerd;
54
zulks
is niet gekomen en zal niet geschieden.
17
Daartoe hebt gij genomen
55
de vaten uws sieraads van
56
Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u
57
mansbeelden
58
gemaakt; en gij hebt met dezelve
59
gehoereerd.
18
En gij hebt uw gestikte klederen genomen en hebt
60
ze bedekt; en gij hebt
61
Mijn olie en Mijn
62
reukwerk voor hun aangezichten gesteld.
19
En Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie en honig,
waarmede
Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor
63
hun aangezichten gesteld tot een
64
lieflijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heere HEERE.
20
Verder hebt gij uw zonen en uw dochteren, die gij
65
Mij gebaard hadt, genomen en hebt hen
66
denzelven geofferd
67
om te verteren;
68
is het wat kleins van uw hoererijen,
21
Dat gij Mijn kinderen
b
69
geslacht hebt, en hebt hen overgegeven, als gij dezelve
70
voor hen door
het vuur
hebt doen gaan?
22
Ook hebt gij bij al uw gruwelen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen
71
uwer jonkheid, als
72
gij naakt en bloot waart,
als
gij
73
vertreden waart in uw bloed.
23
Het is ook geschied na al uw boosheid (wee, wee u, spreekt de Heere HEERE),
24
Dat gij u een
74
verwelfsel gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat.
25
75
Aan elk hoofd des wegs hebt gij uw hoge plaats gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en
76
hebt uw
77
benen gespreid voor een ieder die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.
26
Gij hebt ook
78
gehoereerd met de
79
kinderen van Egypte, uw naburen, die
80
groot van vlees zijn; en gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken.
27
Zie, daarom
81
strekte Ik Mijn hand over u uit en verminderde het u
82
bescheiden deel; en Ik
83
gaf u over in den lust dergenen die u haten,
84
der dochteren
c
der Filistijnen, die vanwege
85
uw schandelijken weg beschaamd waren.
28
Verder hebt gij
86
gehoereerd met de
87
kinderen van Assur, omdat gij
88
onverzadelijk waart; ja, als gij met hen gehoereerd hebt, zijt gij ook niet verzadigd geworden.
29
Maar gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd
89
in het land van Kanaän tot in Chaldéa; en daarmede ook zijt gij niet verzadigd geworden.
30
Hoe
90
zwak is uw hart (spreekt de Heere HEERE) als gij al deze dingen doet,
zijnde
het werk van een
91
heersende hoerachtige vrouw;
31
Als gij uw
92
verwelfsel bouwt
93
aan het hoofd van iederen weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als
94
een hoer, het hoerenloon beschimpende!
32
O die
95
overspelige vrouw! Zij neemt in plaats van
96
haar Man de
97
vreemden aan.
33
98
Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft
99
uw loon aan al uw
100
boelen, en gij beschenkt hen, opdat zij tot u
1
van rondom
2
zouden ingaan
3
om uw hoererijen.
34
Zo geschiedt met u in uw hoererijen
4
het tegendeel
5
van de vrouwen,
6
dewijl men u niet naloopt om te hoereren; want als gij hoerenloon geeft en het hoerenloon u niet gegeven wordt, zo zijt gij tot een tegendeel geworden.
35
Daarom, o hoer, hoor des HEEREN woord.
36
Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat uw
7
vergift uitgestort is en uw schaamte door uw hoererijen met
8
uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden
9
uwer gruwelen, en naar het
10
bloed uwer kinderen, dat gij hun gegeven hebt;
37
Daarom, zie, Ik zal al uw
11
boelen vergaderen met dewelke gij
12
vermengd zijt geweest, en allen die gij liefgehad hebt, met allen die gij gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen
13
uw naaktheid ontdekken, dat zij uw ganse naaktheid zien zullen.
38
Daartoe zal Ik u
naar
14
de rechten der overspeelsters en
15
der bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan
16
het bloed der grimmigheid en des
17
ijvers.
39
En Ik zal u in hun hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken en uw hoge plaatsen omwerpen, en uw klederen u uittrekken, en uw
18
sierlijke juwelen nemen, en u naakt en bloot laten.
40
Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.
41
Zij zullen ook uw huizen
19
met
d
vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler
20
vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven.
42
Zo zal Ik
21
Mijn grimmigheid op u doen rusten, en
22
Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn en niet meer toornig wezen.
43
Daarom dat gij niet gedacht hebt
23
aan de dagen uwer jonkheid en Mij
24
tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook
25
uw weg op
uw
e
hoofd geven, spreekt de Heere HEERE; en gij zult
26
die schandelijke daad niet doen boven al uw
27
gruwelen.
44
Zie, een ieder die spreekwoorden gebruikt, zal van u een
28
spreekwoord gebruiken, zeggende:
29
Zo de moeder is, is haar dochter.
45
30
Gij zijt de dochter uwer moeder, die de walg had
31
van haar Man en van haar kinderen; en gij zijt de zuster
32
uwer zusters, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen;
33
uw moeder was een Hethitische, en uw vader een Amoriet.
46
Uw
34
grote zuster nu is Samaría, zij en haar
35
dochteren, dewelke woont
36
aan uw linkerhand; maar uw zuster die kleiner is dan gij, die tegen uw rechterhand woont, is Sódom en haar dochteren.
47
Doch gij
37
hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelen gedaan;
38
het was wat gerings,
39
een verdriet; maar gij hebt het
40
meer verdorven dan zij, in al uw
41
wegen.
48
Zo waarachtig als
Ik leef, spreekt de Heere HEERE, indien Sódom, uw zuster, zij met haar dochters, gedaan heeft gelijk gij gedaan hebt en uw dochters!
42
49
Zie, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sódom: hoogmoed,
43
zatheid van brood en
44
stille gerustheid had zij en haar dochters, maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet.
50
En zij verhieven zich en deden
45
gruwelijkheid
46
voor Mijn aangezicht; daarom
f
deed Ik haar weg,
47
nadat Ik het gezien had.
51
Samaría ook heeft naar de helft uwer zonden
48
niet gezondigd; en gij hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zusters
49
gerechtvaardigd door al uw gruwelen die gij gedaan hebt.
52
Draag gij
dan
ook uw schande, gij die voor uw
50
zusters
51
geoordeeld hebt door uw zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan gij. Wees gij dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat gij uw
52
zusters gerechtvaardigd hebt.
53
Als Ik haar
53
gevangenen wederbrengen zal,
namelijk
de gevangenen van Sódom en haar dochters, en de
54
gevangenen van Samaría en haar dochters,
55
dan
zal Ik wederbrengen
de gevangenen uwer gevangenis in het midden van haar;
54
Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt om al hetgeen dat gij gedaan hebt, als gij
56
haar
57
troosten zult.
55
Als uw zusters, Sódom en haar dochters, zullen wederkeren tot haar vorigen staat, mitsgaders Samaría en haar dochters zullen wederkeren tot haar vorigen staat, zult gij ook en uw dochters wederkeren tot uw vorigen staat.
56
Ja, uw zuster Sódom
58
is in uw mond niet gehoord geweest, ten dage
59
uws groten hoogmoeds,
57
Aleer uw boosheid
60
ontdekt was. Als de tijd was
61
der versmading van de dochteren van Syrië, en van al degenen die rondom
62
datzelve waren,
63
de dochteren der Filistijnen, die u
64
verachtten
65
van rondom,
58
Hebt gij
66
uw schandelijke daden en uw gruwelen gedragen, spreekt de HEERE.
59
Want alzo zegt de Heere HEERE:
67
Ik zal u ook doen gelijk als gij gedaan hebt, die den
68
eed
g
veracht hebt, brekende het
69
h
verbond.
60
Evenwel zal Ik
70
gedachtig wezen aan Mijn verbond
71
met u in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal met u een
72
eeuwig verbond oprichten.
61
Dan zult
73
gij uwer wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij
74
uw zusters die groter zijn dan gij, met degenen die kleiner zijn dan gij,
75
aannemen zult; want Ik zal u dezelve geven
76
tot
i
dochters, maar niet uit
77
uw verbond.
62
Want Ik zal Mijn
78
verbond met u
79
oprichten, en gij zult weten dat Ik de HEERE ben;
63
Opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt, en
80
niet meer uw mond opent, vanwege uw schande, wanneer Ik
81
voor u verzoening doen zal over al hetgeen dat gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.