2. Want ik ben ijverig over u niet een ijver van God, dat u geen genade mag lijden in uw Christelijken staat; want ik heb jullie toebereid om u, in de tijd, dat de bruiloft wordt gehouden (
Openbaring 9:7, ;
21:2), als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus en daarom mag ik niet toelaten, dat nog andere mannen naar u hunkeren.
Wat de Apostel nu wil doen noemt hij "onwijsheid", dwaasheid, omdat hij een manier van strijden begint, die hij liever vermeed, die hij daarom niet aan de Geest van God, die hem bezielt, wil toeschrijven, maar voor eigen rekening neemt, hoewel hij in de Heere volkomen zeker is, dat hij ditmaal zo mag en moet optreden.
Dwaasheid is zeker elk beroemen van zichzelf, als het waar is wat Paulus zo-even (Hoofdstuk 10:17 v.) geschreven heeft. Genoodzaakt om in de vorm van de dwaasheid de wijsheid van de liefde te openbaren; laat de Apostel de wens voorafgaan: mocht u mij een beetje dwaasheid ten goede houden! Veel hemelse wijsheid hadden zij te danken aan de prediking van hun Vader in Christus. Gesteld, dat hij werkelijk bij het roemen tot een beetje dwaasheid verviel, dan mocht hij immers of hen vertrouwen, dat zij verschonend over hem zouden oordelen. Maar inderdaad klaagde de schijn van dwaasheid, die hij tot zijn leedwezen hier niet kon vermijden, niet hem aan, maar diegenen, die hem dwongen onwijs te worden in het roemen (Hoofdstuk 12:11). Hiervan moesten zij gevoel hebben en dit gevoel stellen de woorden voor: "Ja ook verdrag mij; " het zal u niet moeilijk zijn mij te verdragen in deze onwijze rede van eigen roem, omdat u, helaas, zo'n handelwijze gewoon is geworden.
Hier hebben de Corinthiërs tot zo'n verdragen goede reden, daar die dwaasheid niet uit zelfzucht of hoogmoed, maar uit goddelijke ijver voor hen en voor Christus voortvloeit. Hij ijvert voor de gemeente om Christus' wil, aan Wie hij zich verbonden heeft om de bruid te bewegen (Johannes 3:29), dat zij Hem niet ontrouw mocht worden, dat zij van de onverdeelde liefde jegens Hem, die Hij door Zijn Evangelie in haar heeft opgewekt, niet mocht worden afgetrokken door verleidende, onevangelische leringen.
Dus uit ijver voor God, voor Zijn eer, voor Zijn recht op de Zijnen, uit begeerte om deze te verdedigen, doet de Apostel, wat onder andere omstandigheden dwaas zou geweest zijn. Hij beschouwt zich als de geleider van de bruid Joh 3:29 die daarvoor heeft te waken, dat de bruid getrouw en rein haar bruidegom wordt overgegeven. Het aardse leven is deze toeleiding en verloving; het hemelse is de bruiloft. Door deze goddelijke ijver gedreven moet hij veel doen wat hij anders niet doen zou. Tegelijk een diepe beschaming voor die van Corinthiërs.
"Ik heb jullie toebereid, om u aan een man voor te stellen" schrijft hij, zoals hij in 1 Corinthiërs 7:23 zegt: "U bent duur gekocht, wordt geen dienstknechten van de mensen; " want het streven van zijn tegenstanders doelde daarop, dat zij zelf over hen zouden heersen, waarbij zij niet alleen aan Christus, maar bovendien ook aan hen onderdanig zouden zijn. Men wil ze beroven van de inwendige toestand door Hem, de vriend van de bruidegom opgewekt, een toestand van overgave, die slechts een richting volgt, namelijk van onvoorwaardelijke overgave aan Christus. Nu is de Apostel bezorgd, dat het de gemeente mocht gaan, als Eva door het bedrog van de slang.