Deuteronomium 18:9-14
Men zou denken dat het niet zo nodig was als het toch schijnt geweest te zijn, om het volk van Israël te wapenen tegen de besmetting van de afgodische zeden en gewoonten van de Kanaänieten. Was het mogelijk dat een volk, zo gezegend met Goddelijke inzettingen, ooit de beestachtige en wrede verzinselen van mensen en duivels zou aannemen? Was er gevaar dat zij diegenen tot leermeesters en leidslieden in de Godsdienst zouden aannemen, die God tot hun gevangenen en schatplichtigen had gemaakt? Het schijnt dat dit gevaar voor hen bestond, en daarom wordt hun hier, na veel dergelijke waarschuwingen, geboden, niet te doen naar de gruwelen van deze volken, vers 9.
I. Er worden sommige bijzonderheden genoemd, zoals:
1. Het offeren van hun kinderen aan de Moloch, een afgod, die de zon voorstelde, door hen door het vuur te doen gaan, en soms hen als offers in het vuur te doen verteren, vers 10. Zie de wet hiertegen in Leviticus 18:21.
2. Gebruik te maken van waarzeggerij, om onnodige kennis van dingen te bekomen, met guichelarij om te gaan, of op vogelgeschrei acht te geven, waardoor de macht en kennis, die aan God eigen zijn, aan de duivel worden toegeschreven, tot grote smaad zowel van Gods raadsbesluiten als van Zijn voorzienigheid vers 10, 11. Men verwondert er zich over dat zulke kunstenarijen en werken van de duisternis zo onzinnig en ongerijmd, zo goddeloos en zo heiligschennend, gevonden konden worden in een land, waar de Goddelijke openbaring zo helder schitterde, en toch vinden wij er nog overblijfselen van zelfs daar, waar Christus' heilige Godsdienst gekend en beleden wordt, zodanig is de macht en het slim beleid van de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw. Maar laat hen, die achtgeven op waarzeggers, of naar tovenaars lopen om verborgen dingen te ontdekken, die toverformules gebruiken om krankheden te genezen, in verbond of in bekendheid zijn met hen, die een waarzeggende geest hebben, of zulk een verbond met hen aangaan ik zeg, laat hen weten dat zij, zolang zij aldus gemeenschap hebben met duivelen, geen gemeenschap kunnen hebben met God. Het is verbazingwekkend dat er nog lieden zijn, die zo iets voorgeven in een land en in dagen van licht, als waar wij in leven.
II. Er worden enige redenen gegeven tegen hun gelijkvormigheid aan de gewoonten van de heidenen.
1. Omdat het hen verfoeilijk zou maken in de ogen Gods. Die zaken zelf Hem hatelijk zijnde, zijn zij, die ze doen, Hem een gruwel en ellendig is wel het schepsel, dat zijn Schepper hatelijk is geworden, vers 12. Zie het boosaardige en schadelijke van de zonde, het moet voorwaar wel een boze zaak zijn, die de God van de genade en ontferming er toe brengt, om het werk van Zijn eigen handen te verafschuwen.
2. Omdat deze gruwelijke praktijken het verderf zijn geweest van de Kanaänieten, en zal Israël dan nu dat uitbraaksel oplikken?
3. Omdat hun beter geleerd was, vers 13, 14. Het is een argument zoals dat van de apostel tegen het wandelen van Christenen zoals de heidenen wandelen, Efeziers 4:17, 18, 20. Gij hebt Christus alzo niet geleerd. Het is waar deze volken, die God heeft laten wandelen in hun wegen en heeft overgegeven in het goeddunken huns harten, hebben zich aldus verdorven, maar gij zijt niet aldus door de genade Gods verlaten, de Heere uw God heeft u zulks niet toegelaten, gij zijt onderricht in Goddelijke dingen, en gij zijt gewaarschuwd voor het kwaad van deze praktijken, en "daarom, wat anderen ook mogen doen van u wordt verwacht dat gij oprecht zult zijn met de Heere uw God, dat is: dat gij Hem Goddelijke eer zult bewijzen, Hem alleen, en aan geen ander, en geen van de bijgelovige gewoonten van de heidenen met Zijn inzettingen zult vermengen." Een van de Chaldeeuwse paraphrasten neemt er hier nota van, dat God hun het orakel van de urim en tummim had geschonken als voorbehoedmiddel tegen alle ongeoorloofde kunsten van waarzeggerij. Het waren dwazen, die de vader van de leugenen gingen raadplegen, als zij zo'n gereed middel hadden om de God van de waarheid om raad te vragen.