9. En Ik zal onder u doen hetgeen Ik niet gedaan heb in vroegere tijden, en desgelijks Ik voortaan niet doen zal, om al uwer gruwelen wil, 1) welke Mij tot wrake roepen.
1) Nu dreigt God dat de straffen zo hevig zullen zijn, dat er geen gelijk voorbeeld van in de wereld wordt gevonden. God kastijdt gewis den mens zo, dat de algemene maat niet wordt overschreden. Maar dewijl de straffen hun waarde verliezen en in verachting komen, wanneer zij zo gemeen zijn, wordt God gedwongen de maat te overschrijden en straffen te oefenen over de misdaden, die tot een teken en voorbeeld zijn, zoals bij Mozes gezegd wordt. (Deuteronomium 28:46).
Omdat Israël de heidenen overtroffen heeft in boosheid, zo zal ook de straf al het vroegere en volgende overtreffen.
Als God Jeruzalem door de Chaldeën liet verwoesten, had Hij geen ander volk dan Israël, en deze verwoesting hief voor een tijd het bestaan van Gods volk zelf op. Maar dat Jeruzalem en Israël, dat de Romeinen verwoestten, was ganselijk Gods volk niet meer, toen was het de Christenheid, en deze werd door de Romeinen niet verwoest.
De woorden "en desgelijks Ik voortaan niet doen zal" geven gene gerustheid aan de ontaarde Christenheid; de Goddelijke gerechtigheid blijft steeds even energisch; gelijke schuld moet gelijke straf tot zich trekken, en de verantwoordelijkheid is onder het Nieuwe verbond nog zwaarder. Slechts dit wordt gezegd, het gericht over Israël zal zijden doen aanschouwen, die elders niet worden gezien, het zal enig in zijne soort zijn. Alle grootse gerichten en alle grote betoningen van genade hebben zijden, naar welke zij enig zijn.
Hier wordt o. i. alleen gesproken van de verwoesting van Jeruzalem door Babel, niet van een verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen.