11. Voorts op de feesten, en op de gezette hoogtijden zal(om het gezegde in
Hoofdstuk 45:24 en 46:5, 7 over het bedrag der spijsoffers als algemenen voor alle feesttijden geldenden regel te herhalen), van welke alleen de dagelijkse offers zijn uitgesloten (
Vers 14) het spijsoffer zijn, ene efa tot enen var, en ene efa tot enen ram; maar tot de lammeren ene gave zijner hand; en olie, ene hin tot ene efa. 12. En als de vorst een vrijwillig offer zal doen, een brandoffer of dankofferen tot een vrijwillig offer den HEERE wat op elken dag der week kan geschieden, zo zal men hem de poort openen, die naar het oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijne dankofferen doen, gelijk als hij zal gedaan hebben op den Sabbatdag (
Vers 2) en als hij weer uitgaat, zal men de poort sluiten, nadat hij uitgegaan zal zijn.
Het verschil van deze laatste bepaling, van welke in het laatste van Vers 2 sprake is, is daaruit te verklaren, dat bij de vrijwillige offers de vorst als bijzonder persoon voorkomt, maar bij de sabbatsofferanden als vertegenwoordiger des volks.