4. En voor de kameren was ene wandeling 1), ene plaats, die naar het binnenste voerde, van tien ellen de breedte, naar binnen toe, en een weg van ééne el, en de deuren van dezelve waren tegen het noorden.
1) Hier ziet men dat er voor deze kameren galerijen of wandelplaatsen waren van vijf ellen breed, waarin zij, die hun verblijf in die kameren hadden, elkaar konden ontmoeten en met elkaar verkeren, konden wandelen en spreken met elkaar tot onderlinge stichting, hun kennis en bevinding aan elkaar vertellen. Want wij moeten al onzen tijd niet doorbrengen in de kerk en in de kamer, hoewel een groot deel tijds tot zeer goede einden in beide mag besteed worden, maar de mens is tot maatschappij geschapen, en de Christenen tot gemeenschap der heiligen; en van de plichten dezer gemeenschap moeten wij een geweten maken, en van de voorrechten en vermaken dezer gemeenschap moeten wij de vertroosting nemen.