1 Timotheus 5:3-16
Hier worden aanwijzingen gegeven betreffende het opnemen der weduwen onder degenen, die in den dienst der gemeente waren of door haar ondersteund werden. Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn. Eer haar, dat is handhaaf haar, laat haar tot den dienst toe. Er was in dezen tijd een dienst in de gemeente, waarin vrouwen werden gebruikt, en dat was om zieken en ouden van dagen te verzorgen onder toezicht van de diakenen. Wij lezen van de zorg voor weduwen onmiddellijk na de stichting van de eerste Christelijke gemeente, Handelingen 6:1, waar de Grieken dachten dat hun weduwen verzuimd werden in de dagelijkse bedeling aan arme weduwen. De algemene regel is: Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn, steun haar en help haar met eerbied en tederheid.
I. Vastgesteld wordt, dat alleen die weduwen door de liefdadigheid der gemeente moeten geholpen worden, die godvrezend zijn, en niet ongeregelde weduwen, die haar wellust volgen, vers 5, 6. Zij alleen wordt gerekend waarlijk weduwe en den steun der gemeente waardig te zijn, die alleen gelaten is en op God hoopt. Het is de plicht van alleen gelatenen om op God te hopen. Daartoe brengt God soms Zijn kinderen in zulke engten, dat zij niemand anders hebben om op te hopen, opdat zij zich met des te meer vertrouwen aan Hem zullen geven. Weduwschap is een toestand van verlatenheid, maar: laat uwe weduwen op Mij vertrouwen, Jeremia 49:11, en zich er over verheugen dat zij een God hebben om op te vertrouwen. Daarbij: zij, die op God vertrouwen, blijven in smekingen en gebeden dag en nacht. Indien wij door het geloof op God vertrouwen, moeten wij in het gebed Hem heerlijkheid geven en ons aan Zijne leiding toevertrouwen. Anna was waarlijk weduwe, die niet uit den tempel week, Lukas 2:37, maar God diende met vasten en gebeden nacht en dag. Maar zij was gene weduwe, die haar wellust volgde, vers 6, of onvoegzaam leefde. Een vrolijke weduwe is niet waarlijk weduwe, en komt niet in aanmerking voor hulp der gemeente. Die haar wellust volgt, is levend gestorven, zij is geen levend lid van de gemeente, maar een geraamte, een gestorven lid. Wij mogen dit algemener toepassen: zij, die hun wellusten volgen, zijn geestelijk dood, dood in zonden en misdaden, zij zijn zonder doel in de wereld, levend begraven voorzover het levensdoel betreft.
II. Een andere regel, dien hij geeft, is dat de gemeente niet behoort belast te worden met het onderhoud van weduwen, die nog zelf betrekkingen hebben, welke haar onderhouden kunnen. Dit wordt meermalen gezegd, vers 4.
Zo enige weduwe kinderen heeft, of kindskinderen, of naaste bloedverwanten, dat die haar onderhouden opdat de gemeente niet bezwaard worde. Zo ook vers 16. Dat wordt genoemd aan eigen huis godzaligheid oefenen, of weldadigheid bewijzen aan eigen verwanten. De eerbied der kinderen voor hun ouders, en hun zorg voor hen, wordt zeer geschikt godzaligheid genoemd. Het is wedervergelding aan de ouders. Kinderen kunnen hun ouders nooit geheel vergelden de zorg, die dezen voor hen gedragen hebben, en de moeiten die zij om hunnentwil gehad hebben, maar zij moeten trachten het te doen. Dat is de onafwijsbare plicht der kinderen, wanneer hun ouders nooddruftig zijn, en zij instaat om hen te helpen, dan moeten zij daartoe hun uiterste best doen, want dat is goed en aangenaam voor God. De Farizeeën dachten dat een gave aan het altaar Gode aangenamer was dan de hulp aan arme ouders, Mattheus 15:5. Maar hier wordt ons gezegd dat dit beter is dan brandoffers en offeranden, dit is goed en aangenaam voor God. Hij spreekt er ook over in vers 8 :Zo iemand de zijnen niet verzorgt, enz. Indien een man of ene vrouw zijn eigen arme bloedverwanten niet ondersteunt, heeft hij in waarheid het geloof verloochend, want het doel van Christus was de vervulling der wet, en niet het minst de wet van het vijfde gebod: Eert uwen vader en uwe moeder. Zij verloochenen dus het geloof, die dit gebod ongehoorzaam zijn, hoe veel te meer indien zij hun eigen vrouwen en kinderen niet verzorgen, die een deel van hen zelven zijn. Indien zij voor hun eigen genoegen besteden hetgeen, waarvan zij hun gezinnen moesten onderhouden, verloochenen zij het geloof en zijn erger dan de ongelovigen. Een reden waarom zij, die rijk waren en arme familiebetrekkingen hadden, deze moesten onderhouden en niet de gemeente er mede bezwaren, was opdat de gemeente degenen, die waarlijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen moge, vers 16. Misplaatste liefdadigheid is een grote hindernis voor de ware liefdadigheid, er moet voorzichtigheid zijn in de keuze van de voorwerpen der liefdadigheid, opdat deze niet besteed worde aan hen, die er eigenlijk geen behoefte aan hebben, en er te meer overblijve voor hen, die waarlijk in nood zijn.
III. Hij geeft aanwijzing betreffende de omstandigheden van haar, die opgenomen moeten worden onder degenen, die onderstand van de gemeente behoren te ontvangen. Zij mogen niet jonger dan zestig jaar zijn, niet van haar echtgenoten gescheiden zijn, niet gescheiden en hertrouwd zijn, zij moeten geweest zijn de vrouw van een man, zij moeten goede huishoudsters geweest zijn, een goeden naam hebben voor gastvrijheid en liefdadigheid, en alle goed werk nagetracht hebben. Vooral moet gezorgd worden dat deze geholpen worden zo zij tot armoede vervallen, die, toen zij er toe instaat waren, gereed waren tot alle goede werk. Hier zijn voorbeelden van zulk goed werk, die geschikt kunnen nageleefd worden door goede vrouwen. Zo zij kinderen opgevoed heeft. Hij zegt niet, zo zij kinderen gebaard heeft, (kinderen zijn een erfdeel des Heeren) dat hangt van Gods wil af, maar zo zij, zelf geen kinderen hebbende, kinderen opgevoed heeft. Zo zij gaarne heeft geherbergd, zo zij der heiligen voeten heeft gewassen, indien zij gaarne bereid was huisvesting te verlenen aan goede Christenen en goede dienaren, die op reis waren ter verbreiding van het Evangelie. Het wassen van de voeten der heiligen was een deel der gastvrijheid. Zo zij den verdrukten genoegzame hulpe gedaan heeft, toen zij daartoe instaat was, laat haar dan nu ook hulpe geworden. Zij, die barmhartigheid wensen te vinden wanneer zij in droefheid zijn, moeten in hun voorspoed barmhartigheid betonen.
IV. Hij waarschuwt hem om er voor te zorgen dat niet toegelaten worden zij, die het niet waard blijken te zijn. Maar neem de jonge weduwen niet aan, vers 11, zij zullen afkerig worden van de diensten voor de gemeente en van een geregeld leven, en dan zullen ze willen huwelijken en zullen hun eerste geloof teniet doen. Wij lezen van een eerste liefde, Openbaring 2:4, en hier van een eerste geloof, dat is, de verplichting, die zij tegenover de gemeente op zich namen om goed te wandelen en overeenkomstig het in haar gestelde vertrouwen. Het blijkt niet dat onder het eerste geloof bedoeld wordt ene belofte van niet te zullen trouwen, want de Schrift zwijgt op dat punt, en bovendien raadt de apostel de jonge weduwen hier aan te trouwen, vers 14, hetgeen hij niet zou gedaan hebben, zo zij daardoor een belofte braken. Dr. Whitby merkt hierbij terecht op: "Indien dit sloeg op een aan de gemeente gedane belofte van niet te zullen trouwen, kon het niet haar eerste geloof genoemd worden." En meteen ook leren zij ledig omgaan bij de huizen en niet alleen ledig maar ook klapachtig enz., vers 13. Het is zeldzaam dat zij, die ledig zijn, in `t geheel niets doen, maar zij leren klappen en ijdele dingen doen, zij maken ongenoegen tussen geburen en zaaien tweedracht tussen broederen. Zij, die nu nog niet gekomen waren tot zulk een eerbaarheid van geest als betaamde aan diaconessen, of aan weduwen, die onderstand van de gemeente genoten, laat die huwelijken, kinderen voortbrengen, enz., vers 14. Indien huishoudsters haar werk verwaarlozen en klapachtig zijn, geven zij aan de tegenstanders van het Christendom aanleiding om den Christelijken naam te lasteren, en het schijnt dat zich daarvan gevallen voordeden, vers 15. Wij leren hier:
1. In de eerste gemeenten werd zorg gedragen voor arme weduwen, en die werden ondersteund, de gemeenten van Christus moeten dat goede voorbeeld volgen, voorzover zij daartoe instaat zijn.
2. In de besteding van de gemeentelijke weldadigheid of van aalmoezen moet zorgvuldig gewaakt worden, dat zij hun aandeel bekomen, die het meest er behoefte aan hebben en het meest het waardig zijn. Ene weduwe werd in de eerste gemeenten niet aangenomen, indien zij bloedverwanten had, die haar onderhouden konden, of die geen goeden naam had voor haar goede werken, maar in haar wellusten leefde. Maar neem de jonge weduwen niet aan, want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zo willen zij huwelijken.
3. De goede naam van den godsdienst en van de Christelijke gemeenten is zeer nauw betrokken in het gedrag van hen, die in gemeentelijken dienst zijn, ook in de lagere orden (zoals diaconessen), of van hen, die ondersteuning van de gemeente ontvangen. Indien dezen zich niet goed gedragen, maar klappers en lediggangers zijn, geven zij den tegenstanders veel aanleiding tot allerlei verwijten.
4. Het Christendom verplicht zijn belijders hun hulpbehoevende vrienden bij te staan, voornamelijk arme weduwen, opdat de gemeente niet bezwaard worde, maar haar kunne helpen, die waarlijk weduwen zijn. De rijken moeten er zich voor schamen indien zij de gemeente bezwaren met de zorg voor hun arme betrekkingen, want deze worden met moeite ondersteund indien zij geen kinderen en kleinkinderen hebben, die instaat zijn haar te helpen.