Jesaja 63:1-6
Een luisterrijke overwinning wordt hier eerst meegedeeld en daarna het beloop er van verhaald.
1. Het is een overwinning behaald door de voorzienigheid Gods over de vijanden van Israël volgens sommigen over de Babyloniërs, die door Cyrus en daarin door God overwonnen werden. En deze zien in de profeet de man die hem het eerst ontdekt in zijn zegevierende terugtocht door het land van Edom. Maar dit kan in geen geval juist zijn, omdat van het land van Babel altijd gesproken wordt als van het land van het noorden, terwijl Edom ten zuiden van Jeruzalem lag, zodat de overwinnaar niet door dat land terugkeren kon. De overwinning is dus behaald op de Edomieten zelf, die zich verheugd hadden over de verwoesting van Jeruzalem door de Chaldeen Psalm 137:7, en hun de weg afgesneden hadden, die op hun vlucht voor de vijand, getracht hadden naar de Edomieten te ontkomen, Obadja: 12, 13. Daarom worden zij op een lijn gesteld met Babel, want zonder twijfel werd deze profetie vervuld, ofschoon wij in de geschiedboeken daarvan geen melding gemaakt vinden, Jeremia 49:13. "Bozra zal tot verwoesting worden." Deze overwinning op de Edomieten wordt hier ingevlochten als een voorbeeld van dergelijke overwinningen op andere volken, die Israël vijandig waren. Deze over de Edomieten wordt genomen als oorzaak van de oude vijandschap van Ezau tegen Jakob, Genesis 27:41, en waarschijnlijk met zinspeling op Davids luisterrijke zegepraal over de Edomieten, waardoor hij neer het schijnt, nog meer dan door andere oorlogen, zich een naam maakte, Psalm 60:1,2 Samuël 8:13, 14. Maar dit is niet alles.
2. Het is ook de overwinning door de genade Gods in Christus over onze geestelijke vijanden. Wij zien dat de kleren van Hem die Het Woord Gods genoemd wordt, met bloed bevlekt zijn, Openbaring 19:13. En wij weten zeer goed wie Hij is, want door Hem zijn wij meer dan overwinnaars over de machten en de overheden, die Hij aan het kruis overwon en de wapenrusting uittoog.
In deze voorstelling van genoemde overwinning hebben wij:
I. Een vraag van verwondering tot de overwinnaar gericht, vers 1 en 2. Deze vraag wordt door de kerk gedaan, of door de profeet, namens de kerk. Hij ziet een machtige held terugkeren uit een bloedige ontmoeting, en verstout zich om hem twee vragen te doen:
1. Wie hij is. Hij ziet dat hij van het land van Edom komt, en dat wel in een uitrusting die voegt aan een dapper krijgsman, geen uitrusting opgesmukt met allerlei sieraad, maar bevlekt met bloed en stof. Hij bemerkt dat hij daar niet aankomt als iemand die verschrikt of vermoeid is, maar dat hij voorttrekt in zijn grote kracht, dus geheel en al ongebroken.
De vraag: Wie is deze? heeft waarschijnlijk dezelfde bedoeling als de vraag, welke Jozua tot dezelfde persoon richtte toen hij hem met uitgetogen zwaard verscheen, Jozua 5:13. "zijt gij van ons of van uw vijanden?" Of wellicht dezelfde bedoeling als de vraag voor aanbidding, van Israël, Exodus 15:11 :"Wie is een God gelijk Gij?"
2. De andere vraag is: Waarom zijt gij rood aan uw gewaad? In welke harde strijd zijt gij gewikkeld geweest, dat gij deze tekenen van inspanning en gevaar vertoont? Is het mogelijk dat iemand van zo vorstelijk en vreeswekkend voorkomen bezig zou geweest zijn in het lage dienstmerk om de wijnpers te treden? Zeker niet. Hetgeen bij de eerste oogopslag een verlaging voor de Verlosser schijnt te zijn, is in werkelijkheid zijn heerlijkheid. Het schijnt vernederend voor een machtig vorst om het werk van druiventreders te verrichten, maar Hij heeft de gesteltenis eens dienstknechts aangenomen en de kenmerken van Zijn dienstbaarheid gedragen.
II. Een merkwaardig antwoord wordt gegeven.
1. Hij zegt wie Hij is, Ik ben het die in gerechtigheid spreek, die machtig ben te verlossen. Hij is de Zaligmaker. God was Israëls Verlosser uit de hand van hun verdrukkers, de Heere Jezus is de onze. Zijn naam Jezus betekent Zaligmaker, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden. Hij wil dat wij in de verlossing, die Hij voor ons bewerkte, letten op:
a. De waarheid van Zijn belofte, die er door vervuld werd. Hij spreekt in gerechtigheid en zal daarom elk woord, dat Hij gesproken heeft, gestand doen, en Hij wil dat wij het vergelijken met hetgeen Hij doet, dat wij woord en werk tegenover elkaar zetten, want hetgeen Hij doet bevestigt hetgeen Hij gezegd heeft, en hetgeen Hij gezegd heeft rechtvaardigt hetgeen Hij doet.
b. Van de werkelijkheid van Zijn macht, die Hij uitgeoefend heeft, Hij is machtig om te verlossen, instaat om de beloofde verlossing aan te brengen, welke moeilijkheden en tegenstand zich ook mogen voordoen.
2. Hij zegt ons hoe het komt dat Hij in dat gewend verschijnt, vers 3. Ik heb de pers alleen getreden. Hij was vergeleken met één die de wijnpers treedt, nu buigt Hij zich temidden van Zijn zegepraal zo neer, dat Hij over de vergelijking niet toornig wordt, maar die aanneemt en uitwerkt. Hij heeft inderdaad de wijnpers getreden, want het was de grote wijnpersbak van de toorn Gods, Openbaring 19:19. De zondaren verdienden daarin geworpen te worden, maar het behaagde Christus onze vijanden er in te werpen, en te vernietigen hem, die het geweld des doods had, opdat Hij ons zou verlossen. En daarvan was het bloedige werk, dat God soms, onder de vijanden van de Joden uitvoerde en dat hier voorzegd wordt, een type.
Merk op welk verhaal de overwinnaar van zijn zegepraal geeft.
1. Hij heeft de overwinning behaald uitsluitend door Zijn eigen kracht: Ik heb de pers alleen getreden, vers 3. Wanneer God Zijn volk verlost en hun vijanden verwoest, -maakt Hij dikwijls gebruik van werktuigen, maar Hij heeft die niet nodig. Maar door Zijn volk, voor hetwelk de verlossing gewrocht werd, is Hem geen bijstand verleend, zij waren zwak en hulpeloos en hadden geen bekwaamheid om iets voor hun eigen bevrijding te doen-zij waren ontmoedigd en lusteloos, en hadden geen moed om iets te doen, zij waren niet geschikt om de geringste zwaardslag voor hun vrijheid te geven, zomin de gevangenen zelf als iemand van hun vrienden, vers 5 Ik zag toe en daar was niemand, die hielp, hoewel men dat toch mocht verwachten, niemand was stout en doortastend genoeg daartoe, niemand nam de leiding op zich. Maar, hetgeen nog vreemder was, er was niemand die ondersteunde, niemand die kwam om deel aan het werk te nemen, of de moed had om zich met Cyrus tegen de onderdrukkers te verenigen. Daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt niet door de kracht van enig schepsel, maar door de Geest van de Heere van de legerscharen, door Mijn eigen arm. God kan helpen als alle andere helpers tekort schieten, ja, dan is het juist Zijn tijd om te helpen, en daardoor zal Zijn eigen macht zoveel te heerlijker aan het licht treden. Doch dat is vooral en ten volle toepasselijk op de overwinningen van Christus over onze geestelijke vijanden, die Hij in een enige worsteling ten onder bracht. Hij trad de wijnpers van Zijns Vaders toorn alleen, "en triomfeerde door Zichzelf" over de overheden en machten, Colossenzen 2:15. "Van het volk was niemand met Hem," want toen hij de strijd tegen de machten van de duisternis aanving, verlieten Hem al Zijn discipelen en vloden. Daar was niemand die hielp, niemand die dat kon of durfde, en Hij mocht zich wel er over ontzetten, dat onder de kinderen van de mensen, wier belang het toch gold, niemand was die Hem ondersteunde, maar dat er zovelen waren die zich tegen Hem verzetten en zoveel in hen was Hem tegenstonden.
2. Hij ondernam de strijd alleen door Zijn eigen ijver. Het was in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid dat Hij Zijn vijanden vertrad vers 3, en die grimmigheid heeft Hem ondersteund en in de kamp er door geholpen, vers 5. God bewerkte verlossing voor de verdrukte Joden, alleen omdat Hij zeer toornig was tegen de verdrukkende Babyloniërs, toornig tegen hun afgoderijen en toverijen, hun hoogmoed en hun wreedheid, en het ongelijk dat zij Zijn volk aandeden, en naarmate zij hun ongerechtigheden vermenigvuldigden en toenamen in beledigingen en aanmatigingen, groeide Zijn toorn tot grimmigheid. Onze Heere Jezus bewerkte onze verlossing in heilige ijver voor de eer Zijns Vaders en het welzijn van de mensheid, en heilige verontwaardiging tegen de stoute aanvallen van Satan op beide, deze ijver en grimmigheid ondersteunden Hem gedurende Zijn gehele werk. Twee takken van deze ijver vuurden Hem aan:
a. Hij had ijver tegen de vijanden van Hem en van Zijn volk. De dag van de wraak was in Mijn hart, vers 4, de dag in het eeuwig raadsbesluit vastgesteld om de wraak te nemen. Die was geschreven in Zijn hart, zodat Hij hem niet kon vergeten of die laten voorbijgaan, Zijn hart was er vol van, het lag op Zijn hart als een last, als een gewicht, en dat deed Hem deze heiligen oorlog met zoveel ijver voeren. Er is een dag voor de goddelijke wraak bepaald, die mag schijnen lang uitgesteld te worden, maar zal ten laatste komen, en wij moeten gewillig zijn om er op te wachten, want ook onze Verlosser doet dat, ofschoon Zijn hart er op gesteld is.
b. Hij heeft een ijver voor Zijn volk, en voor allen die bestemd zijn om in de bedoelde verlossing te delen. Het jaar Mijner verlosten was gekomen, het jaar, dat voor hun verlossing vastgesteld was. Er was een jaar vastgesteld voor de verlossing van Israël uit Egypte, en God houdt Zijn tijd nauwkeurig, Exodus 12:41. Evenzo was er een dag bestemd voor hun vrijlating uit Babel, Daniël 9:2. En ook was er een dag bestemd voor de komst van Christus om de werken des duivels te verbreken, en is er een dag voor elke verlossing van de kerk, en de Verlosser houdt die in het oog. Merk op.
Ten eerste. Met hoeveel welbehagen Hij over Zijn volk spreekt, zij zijn Zijn verlosten Zijn eigendom, en zij zijn Hem dierbaar. Ofschoon hun verlossing nog niet geheel uitgewerkt is, noemt Hij hen toch Zijn verlosten want het is zo zeker, alsof alles reeds geëindigd is.
Ten tweede. Met hoeveel welgevallen Hij spreekt over de verlossing Zijns volks, hoe verblijd Hij is omdat de tijd gekomen is, ofschoon Hij een zware strijd tegemoet gaat. Het jaar Mijner verlosten is gekomen. Zie Ik kom, het wordt niet langer uitgesteld. Nu zal Ik opstaan, zegt de Heere. Nu zult gij zien wat Ik Farao doen zal. De beloofde verlossing moet geduldig afgewacht worden tot de bestemde tijd gekomen is, maar wij moeten de beloften met onze gebeden vergezellen. Zegt Christus: Zie, Ik kom haastelijk! dan moeten onze harten antwoorden: Amen, ja kom, Heere Jezus! Laat het jaar Uwer verlosten komen!
3. Hij zal een volledige overwinning over hen allen behalen. a. Veel is reeds gedaan, want Hij verschijnt rood in Zijn gewaad, zo'n overvloed van bloed is vergoten dat de kleren van de overwinnaar er geheel mee bevlekt zijn. Dit was lang tevoren voorzegd door de stervende Jakob, die aangaande Silo dat is Christus, zei dat Hij Zijn klederen in de wijn zou wassen en Zijn gewaad in druivebloed, hetgeen misschien hierop doelt, Genesis 49:11.
Bij de verwoesting van de antichristelijke macht zien wij dat overvloed van bloed gestort wordt, Openbaring 14:20, 19:13, hetgeen overeenkomstig de eigenaardige spreekwijzen van de profetie geestelijk bedoeld kan zijn, en ongetwijfeld is het zo ook hier.
b. Er zal echter nog meer gedaan worden, vers 6. Ik zal de volken, die Mij nu nog tegenstaan, vertreden in Mijn toorn, want de Verlosser zal, als het jaar hunner verlosten zal gekomen zijn, voortgaan "overwinnende en opdat Hij overwinne," Openbaring 6:2. Wat Hij begon zal Hij voltooien:
Ten eerste. Hij zal hen bedwelmen, dronken maken, zodat er geen verstand of standvastigheid in hun raadslagen zal zijn, zij zullen drinken uit de beker van Zijn grimmigheid en dat zal hen dronken maken, of Hij zal hen hun eigen bloed doen drinken, Openbaring 17:6. Zij, die zichzelf dronken maken met hun beker van samenspanning en daardoor in razernij geraken behoren berouw te hebben en zich te bekeren of God zal hen dronken maken met de beker van Zijn grimmigheid.
Ten tweede. Hij zal hen verzwakken, Hij zal hun kracht ter aarde doen nederdalen, en hen zo op de aarde doen bukken. Welke kracht kan het uithouden tegen de almacht?